Een innige zegenbede !
Reserve-overdenking
De eeuwige God zij u een woning, en van onderen, eeuwige armen ; en Hij verdrijve den vijand voor uw aangezicht en zegge: Verdelg. Deut. 33 : 27.
De Israëlieten waren op het punt het land Kanaän binnen te trekken. Mozes, hun leidsman, mocht het land Kanaän niet binnengaan. Aan deze zijde van de Jordaan zou hij de doodssnik geven. Eer hij echter van de aarde ging scheiden, heeft hij elk van de stammen Jacobs toegesproken en gezegend.
Nadat hij Aser als de laatste stam had gezegend, hield hij even op om daarna nogmaals alle stammen te samen te zegenen : , , Niemand is er gelijk God, o Jeschurun, die op de hemel vaart tot uwe hulp, en met Zijne hoogheid op de bovenste wolken.
Jeschurun betekent eigenlijk „recht", „die rechte wegen bewandelt". Als we nu in het vorige hoofdstuk lezen, dat God Israël een verkeerd en een verdraaid geslacht heeft genoemd, dan gevoelt ge wel, dat er in die benaming Jeschurun, waarmede God Israël noemt, een ernstige vermaning ligt om toch in de rechte wegen en op de paden Gods te wandelen.
En waar is het inderdaad, dat er geen God is als Israels Heere. Maar aan de andere kant is er ook geen volk gelijk Israels volk. Het is een enig God, maar ook een enig volk. En het geheim van die eenheid ligt alleen in de Christus Gods.
Van dat geheim, van die mystieke band tussen God en Zijn volk is Christus Jezus heeft de Moabitische Ruth iets verstaan, toen zij zeide: Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God.
De zegenbede houdt nu allereerst in, dat God voor Israël zij tot een woning. Er heerst op het ogenblik woningnood. Het is een hele toer om een behoorlijke woning te krijgen. De eenzame zwerver zoekt zijn toevlucht in een schuur of hooischelf, als de wind over de vlakte raast en de regen tegen de ruiten klettert.
Van nature zijn we allen als Kaïn, van wie we lezen, dat hij zwervende en dolende was op de aarde. We bekommeren er ons wel over om een dak boven ons hoofd te krijgen, maar aan dat eeuwig huis, waar we allen naar toe reizen, wordt zo weinig gedacht.
Nu heeft echter God in Zijn grondeloze genade Zijn lieve Zoon gegeven. Toen Hij het levenslicht aanschouwde lag Hij in een stal, welks wanden Hij niet eens de Zijne kon noemen. Toen Hij rondwandelde op de aarde, riep Hij het uit: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels hebben nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets, waarop Hij Zijn hoofd kan neerleggen. En als het uur van het sterven nadert, heeft Hij nog geen woning ; Hij sterft immers aan het kruis, tussen hemel en aarde aan het vloekhout hangend.
Lezers, dat was nu de enigste weg om te voldoen aan de gerechtigheid Gods, om voor arme zondaren nog weer plaats te maken aan het vaderhart Gods. En dat niet maar in de ure van het sterven, als de ziel mag opklimmen naar het vaderhuis om daar eeuwig woning te vinden, maar ook om reeds hier beneden in God een hoog vertrek te vinden. De dichter van de 91ste psalm heeft iets van die heerlijkheid om in de tent des Heeren te mogen verkeren, mogen verstaan, toen hij zeide : Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Lezers kent gij die woning? Naamt gij als een arm zondaar tot die woning Gods in Christus al ooit uw toevlucht ? De ontdekte zondaar zegt wellicht bij zichzelf : Ja het is waar dat God op de hemel vaart en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken. O die God is zo heilig, maar ik ben zo onheilig.
Als het licht van Gods ontdekkende genade opgaat over de ziel, dan hebben we geen grond meer om te kunnen staan. Al onze zonden getuigen dan tegen ons. Ach wie zal dan bestaan ? Dan is er geen sprake meer van een woning bij God. Dan is slechts te verwachten, dat men voor eeuwig zal worden buitengeworpen.
Maar ziet, de Heere steekt Zijn reddende armen uit om het verlorene te dragen en te redden.
En dat niet alleen bij de aanvang, maar ook telkens bij de voortgang. Als de voet van Gods kind moede wordt en dreigt te struikelen, dan is het de rechterarm des Heeren, die de vromen beschermt en huime zielen komt te redden van de dood.
Zalig de arme zondaar, die zich in Jezus' armen veilig mag weten.
Zijn arm wordt niet moede of mat. Ik denk aan die arme zwerfster, die in de felle koude over de weg voortstrompelde in hare armen hield zij een stumperig wicht. Eindelijk kon ze echter niet langer. Ze zeeg neer op de weg en liet hare kostelijke last vallen. Maar het waren ook geen eeuwige armen. Doch de armen Gods worden nooit moede of mat. Het zijn eeuwige armen.
Die armen Gods zijn zo teder en zo zacht. Hiskia heeft er over gejubeld : Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd.
Het kan schijnen, dat Gods arm hard en wreed is. Ik denk aan het schaap, dat door de hand van de matroos omkneld op het sohip wordt gedragen. Zo lang het schaap nu maar stil ligt op zijn schouder, gaat het goed. Maar als het schaap begint tegen te spartelen, moet de greep vaster wezen, O dat doet soms zo'n pijn, als de kastijdende liefdehand Gods de hand van Zijn kind wat vaster omstrengelt.
De Heere kastijdt Zijn kind, maar Hij doet het nooit om te plagen.
Welk een liefelijke beeldspraak beluisteren we in de tekst. De Heere zij de arme zondaars tot een liefelijke woning. Dat was de eerste gedachte. Toen volgde de tweede zegenbede. De hemel was immers zo hoog. Voor de ontdekte zondaar schijnt God een God niet van nabij maar van verre.
Maar toen hoorden we dat God ook van onderen, hier beneden op deze zondige aarde Zijn armen tot eeuwige redding komt uit te strekken. Hij wil dragen en redden.
En nu zou men denken, dat de eeuwige rust reeds zou aanbreken. Maar daar horen we ineens weer van strijd : Als Israël Kanaän zou binnengaan, wachtte daar een bittere strijd. Maar hoor nu, hoe Mozes Israël opnieuw toebidt, dat God voor hen strijden zal. God heeft slechts te spreken : Verdelg, en de muren van Jericho vallen met donderend graas in. Hij geeft de overwinning bij Ai.
De mens, die in eigen kracht optrekt, zal tot de ervaring komen, dat het niet door kracht noch door geweld, maar door 's Heeren arm alleen zal geschieden.
De vijanden zijn vele. De wereld lokt. Satan spant overal zijn slagnetten en het eigen vlees is zwak. Maar de dichter mocht zingen : In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartij ders vertreden.
Zalig het volk, welks God de Heere is!
Is Hij door genade ook uw God ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's