De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„Mijn Schilt en mijn Betrouwen....”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Mijn Schilt en mijn Betrouwen....”

(Herinnering aan oorlogsjaren en bevrijding)

12 minuten leestijd

't Was tijdens onze vacantie in de oorlogsjaren, dat we ons op een doordeweekse avond, ergens in ons goede vaderland, in een bedehuis bevonden.

Gedurende de voorafgaande dagen waren langs die gemeente treinen vol oorlogsuitrustingen vervoerd en de voorafgaande nachten waren gevuld geweest met motorengeronk en 't gedreun van afweergeschut.

Temidden van dit oorlogsbeweeg en oorlogsgeweld, had die avond de predikant tot tekst gekozen : , , De Leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen ? "

Inderdaad, de dreigende oordelen Gods hadden reeds jarenlang het zwerk verdonkerd. Doch het mensdom in het algemeen, trok zich daar niets van aan. Althans niet in die zin, dat er was een wederkeer tot God. Het zwerk mocht donker zijn van Gods dreigende oordelen, wat nood ? We redden het zonder God!

Maar de Leeuw had gebruld.

Gods sterke stem had met macht weerklonken. En de Koning der koningen had aan de witte wand van EurojJa als met een onzichtbare hand geschreven : Mené, mené, tekel upharsin — gewogen, geteld en te licht bevonden.

Gods oordelen gingen over Europa, gingen over de wereld.

Ook Nederland werd niet gespaard. Het had het er niet naar gemaakt dat het verschoond zou blijven.

10 Mei 1940 brak de storm boven ons land los. Als gieren en bloeddorstige roofvogels vlogen de vliegtuigen der Duitse luchtmacht boven ons geliefd Vaderland. Dood en verderf werden verspreid. En ons Hollandse volk, vrijheid- en vredelievend als het was, gevoelde fel het ten hemel schreiende onrecht, ons door een machtige nabuurstaat aangedaan. Kort te voren had men nog plechtig verzekerd onze neutraliteit te zullen eerbiedigen. En thans, als sluipmoordenaars, midden in de nacht, passeerden ze onze grens. Zelfs geen oorlogsverklaring ging vooraf.

Niettemin was het een oordeel Gods dat over ons kwam. En zij die God vreesden, bogen diep en beleden het: de Heere is recht in al Zijn weg en werk. Maar juist omdat God recht is, lag er tevens de roeping om, bij erkenning van Gods oordelen, toch het onrecht door mensen ons aangedaari, te bestrijden.

Levendig herinneren we ons nog die prille morgen van de 10e Mei.

Zware bommenwerpers lieten boven Ypenburg en elders hun bommenlast vallen. En voordat we enig vermoeden hadden, wat er aan de hand was, lagen reeds ontelbare jongens en mannen met de dood te worstelen, of waren voor het leven verminkt.

Nog zien we in gedachten hoe boven Rotterdam op die bewuste Dinsdagmiddag, een hoge wolk- en vuurkolom zich verhief.

Rotterdam was in brand gebombardeerd. Het was als een onheilspellend voorteken, wat andere steden te wachten stond. Ieder ogenblik zou ook Den Haag een beurt kunnen krijgen. De vluchtkoffers werden klaar gemaakt en gereed gezet.

Zo was het begin van een 5-jarige bezetting.

We behoeven u niet te schilderen wat er in die 5 jaren plaats vond. De meesten hebben het zelf doorleefd. Het was een ongekende tyrannie, die ons het hart doorwondde.

Doorwond werd ons hart, als onze z.g. beschermers onder schijnheilige voorstellingen, ons van onze geestelijke vrijheden beroofden. Om te trachten er hun modern heidendom voor in de plaats te stellen.

Doorwond werd ons hart, toen we zagen hoe onze Joodse landgenoten werden mishandeld. En hoe zelfs oude, afgeleefde mensen, waarvan helemaal geen gevaar meer te duchten was, werden meegesleurd, de dood tegemoet. Doorwond werd ons hart, telkens en telkens weer, gedurende die, 5 jaren van tyrannie.

Kon het anders ? Hoorden we niet van vuurpeletons, van razzia's, van doodmarteling van predikanten en zovele andere medeburgers ? Zagen we niet hoe ons land werd leeggeplunderd, hoe vruchtbaar land onder water werd gezet en de bevolking verjaagd ? Hoorden we niet die zware explosies, waardoor de Rotterdamse havenwerken werden vernield, enz. ? En dit alles, terwijl de uiterste noodzaak nog niet aanwezig was.

Doorwond werd ons hart, wanneer we zagen hoe landgenoten in hun verblindlieid zich aan de zijde van de vijand schaarden, hetzij ze dat deden uit idealistische, materialistische of andere oogpunten.

Het was in het begin der bezetting, toen we in de nacht van ons volksbestaan geen handbreed vooruit konden zien, dat er gegrepen werd naar het boek.

Door het christelijk volksdeel allereerst naar de Bijbel, het Boek der Waarheid, het Boek der eeuwen, het Boek van die God, Die het wereldregiment in handen houdt.

Doch naast de Bijbel werd er ook gegrepen naar het boek der historie. Dit was een verblijdend teken. Want de kennis van de nationale historie is niet alleen de bron der vaderlandsliefde, maar tevens de voorwaarde voor de instandhouding van hetgeen echt Nederlands is en voor het afweren van hetgeen daarmede strijdig is.

In gewone omstandigheden, wanneer het leven zo rustig zijn gang gaat en als een effen stroom voortkabbelt, zijn we ons die liefde vaak nauwelijks bewust. Maar als de storm raast over het land, als met moord en brand de vijand rondom zwermt, dan gaat ze opeens leven : de liefde voor de geboortegrond, de vaderlandsliefde, die alles omvat wat het leven aan geestelijke en stoffelijke goederen in zich bergt. Dan hebben we er de strijd voor over tegen de vijand, hoe machtig hij ook schijnt.

Door het lezen en bespreken onzer -geschiedenis, werd de band met ons verleden weer gevoeld. Het gebeurde tot in treincoupé's toe, dat men een geschiedenisboek van Groen van Prinsterer voor de dag haalde en aan de mede-passagiers daaruit een gedeelte voorlas, 't Was alsof Groen voor onze tijd sprak. Het was alsof de tijd van de Franse revolutie zich herhaalde.

De figuur van een Prins Willem van Oranje kwam weer op de voorgrond. De worstelstrijd van ons kleine volk tegen Spaanse dwingelandij werd in de herinnering teruggeroepen. En het zich verdiepen in de historie van ons volk, dat was het aanboren van een onwaardeerbare krachtbron. De voornaamste factor, waardoor een volk samengroeit, is immers zijn geschiedenis ? De slappe handen werden weer gesterkt, de struikelende knieën weer opgericht. Menigeen was het uit het hart gegrepen, wat één van onze dichters zong :

God, zou ons hart het ooit vergeten, Wat Gij, voor onze vaad'ren deedt, Toen tyrannie het vrij geweten Met al de macht der aard bestreed, En 't enig uitzicht in de nood. Op U was en Uw almacht groot.

Er werd gegrepen naar het geschiedenisboek.

Maar daarnaast werd er ook geluisterd. In het geheim. En vaak op de onmogelijkste plaatsen. Er werd geluisterd, zittend, liggend, knielend — naar de radioberichten van overzee. En de snaren in de Nederlandse harten begonnen mee te trillen, wanneer door de aether de klanken kwamen van onze nationale psalm, het aloude Wilhelmus.

Menigeen zong het — heel zacht, want de muren hadden oren — biddend mee, wanneer die nationale belijdenis onzer calvinistische vaderen plechtig en statig van overzee kwam aangolven :

Mijn Schilt en mijn Betrouwen, Zijt Gij, o God, mijn Heer', Op U zo wil ik bouwen. Verlaat mij nimmermeer. Dat ik toch vroom mag blijven. Uw dienaar taller stond. De tyrannie verdrijven. Die mij mijn hart doorwondt.

De tyrannie verdrijven. En die tyrannie werd te onverdragelijker, naarmate ze ook over de geesten wilde heersen. De nationaal-socialistische idee trachtte men ons op te dringen. Maar zoals in het verleden het calvimisme door zijn onwrikbare verzetskracht de Nederlandse Staat gegrondvest had, zo waren het ook nu vooral de christelijke beginselen die kracht gaven aan het opkomend verzet. Er was opkomend verzet. Niet alleen echter bij ons christelijk volksdeel, doch over de gehele linie. Behalve aanvankelijk bij de communisten. Want al mogen die thans vaak hoog opgeven van hun verzet, het blijft toch een feit dat hun verzet eerst tóen- begon, toen Rusland met Duitsland in oorlog kwam. Hun vaderlandsliefde is dus wel van een aparte soort.

Het verzet groeide. Was er bij ons volk ook verschil van inzichten, die behoefde nog geenszins een ontbreken van vaderlandsliefde te zijn. Want de eigenschap van vaderlandsliefde is, dat ze ook onder verscheidenheid van inzichten, niet verloren gaat. Vandaar de eenheid die toen allerwege kon worden aanschouwd. De bezetter stuitte in steeds grotere mate op weerstand. Meedogenloos werd getracht deze weerstand de kop in te drukken. Kostbaar bloed ging stromen. Doch het verzet groeide !

En thans, tien jaar na de bevrijding, herdenken wij bij vernieuwing in diepe eerbied allen, die hun leven hebben opgeofferd. Opgeofferd in de openlijke strijd gedurende de eerste 4 oorlogsdagen. Opgeofferd in de strijd van het verzet, welke op zo verschillende wijze werd gevoerd, n.l. met wapens, maar ook b.v. door het drukken, verspreiden en doorgeven van illegale lectuur. In gedachten staan we thans op de Grebbeberg.

Het is er stil.

Stil, want reeds lang is de felle strijd, die hier tegen een overmachtige vijand gestreden werd, uitgewoed. Dapper was de weerstand onzer soldaten. Ze deden hun vaderlandse plicht.

Hier, boven op de Grebbeberg, onder hoge bomen, temidden van het voormalige slagveld, rusten de helden. En lopend langs hunne graven, lezend de opschriften hunner grafstenen, vermenigvuldigden zich onze gedachten.

En we gedenken behalve hen, die hier begraven liggen, ook allen die in die vier dagen door het moordend lood vielen. Het moordend lood van hen, die zich onze beschermers durfden noemen. Een droeve plicht der dankbaarheid roept ons ook nog elders. Er zijn meer graven gedolven in ons Vaderland. Want, sinds het in Mei 1940 bij de Grebbeberg stil werd, sinds Seyss Inquart in Den Haag zijn intrede deed, sinds Mussert aan Hitler telegrammen ging zenden, die begonnen met: Mein Führer, sindsdien hebben de vuurpeletons hun werk gedaan, sindsdien hebben de concentratiekampen, binnen en buiten onze grenzen, onze jongens en mannen, maar ook wel onze meisjes en vrouwen, in hun dodende sfeer van terreur en gaskamers opgenomen.

In gedachten begeven we ons naar onze duinen, waar massagraven gevonden zijn. Daar hebben vele landgenoten, in die hun zo geliefde omgeving, hun laatste ogenblikken doorgemaakt.

En waarom ? Omdat ze hun land liefhadden en hun vrijheid. Omdat ze opkwamen tegen het onrecht ons aangedaan. Omdat ze, voor zover ze leefden uit de christelijke beginselen, ze ook de geestelijke goederen waarvoor onze vaderen gestreden hadden, wensten te verdedigen en te herwinnen.

Staande bij deze graven in onze Hollandse duinen, denken we aan allen die in de verzetsstrijd vielen, ook begraven.

10 Mei 1940 !

De wijde luchten boven ons Vaderland werden doorkruist door zware Duitse bommenwerpers. Bommen vie­len naar beneden, levens werden afgesneden. De donkere schaduw van de oorlog spreidde zich over ons land uit. Vijf jaar later.

Weer worden de wijde luchten van ons vaderland doorkruist door zware bommenwerpers. Thans zijn ze van de geallieerden. Doch inplaats van bommen worden levensmiddelen uitgeworpen. Levens worden gered. Het licht van de bevrijding daagt.

Bommenwerpers van de geallieerden waren als moderne raven van de God van Elia. Zo werd het door velen aangevoeld. En in de dagen van naderende bevrijding, weerklonken uit de dankbare harten psalmen der bevrijding. Bij deze herdenking van onze bevrijding, tien jaar geleden, past het ons om boven alles Hem te danken, die ons nog in het leven wilde sparen en ons niet deed naar onze zonden.

Ons past dank aan die God, Die het Schilt en Betrouwen onzer vaderen was.

Evenals de Israëlieten in Egypte, waren we in de oorlogsjaren een geknecht volk geweest. Zij een geknecht volk in een vreemd land, wij in eigen land. Terwijl daarnaast nog een groot gedeelte onzer jongens en mannen naar elders werd vervoerd en daar geknecht werd, als in een land der ballingschap.

Een geknecht volk waren we. Waarom ?

Laten we bij het beantwoorden van deze vraag maar niet naar het Oosten kijken. Maar laten we het met beschaamdheid der aangezichten belijden : we werden geknecht, omdat we als volk niet meer wilden wandelen in gebondenheid aan Gods Woord. We wilden geen knechten zijn des Allerhoogsten, waarbij we waarlijk vrij zouden geweest zijn. Als straf heeft de Heere ons tot knechten van tyrannen gemaakt. En het is nog een bewijs van Gods algemene genade dat Hij de staf des drijvers verbroken heeft.

Israël had het niet verdiend om uit het diensthuis van Egypte uitgeleid te worden. De verdere geschiedenis heeft dat wel bewezen. Klaagde de Heere niet na de woestijnreis : 'k Heb van dit volk dat Mij vergat, wel veertig jaar verdriet gehad ? En hoe ging het in Kanaan ? Andere goden dienden ze en hun God, Die hen als een Vader geleid had, keerden ze de nek toe. Ballingschap kon niet uitblijven en als straks nog een overblijfsel uit de ballingschap terugkeert, dan geschiedt dat niet vanwege de verdienste van dat volk. De Heere deed het alleen om Zijns heilige Naams wille, welke dat volk ontheiligd had.

Ook wij als volk van Nederland hadden de bevrijding niet verdiend. Getuigden daarvan reeds niet de dagen onmiddellijk na de bevrijding ? Want we waren weer vrij. Met grote letters stond het in de couranten. Op aanplakbiljetten konden we het lezen. Op de straten werd het uitgezongen. Doch hebben we als volk, evenals Israël weleer aan de oever van de Rode Zee, het lied ter verheerlijking Gods gezongen ?

Tien jaren zijn sinds de weer voorbij gegaan. bevrijding

Jaren van.... verdere afval van de Heere, vermenigvuldiging der zonden en onverbrokenheid des harten. Het is Gods genade, indien het bij sommigen anders mag zijn. Jaren, waarin de Heere ons volk op ernstige en vreselijke wijze heeft willen waarschuwen, toen daar plotseling op 1 Februari 1953 de Ramp zich over ons volk voltrok. Jaren, waarin telkens de tekenen der tijden hun aangrijpende taal spraken. Het atoom-tijdperk traden we binnen, waarbij met de bouwstenen van het heelal een hoog spel gespeeld wordt. Zo hoog, dat de laatste bladzijden van het Boek der Openbaringen, waarin gesproken wordt over het brandend vergaan der elementen, ons voor de geest gaan komen.

Deze tekenen der tijden spreken tweeërlei taal. Enerzijds laten ze de naderende oordelen Gods beluisteren. Doch anderzijds mag de gemeente des Heeren daarin opmerken de nadering van de uiteindelijke Bevrijding.

Merken we de tekenen der tijden op ? Kennen we daarbij iets van het opheffen der hoofden, omdat de Bevrijding, de Verlossing nabij is? Dit laatste zal alleen dan waarlijk mogelijk zijn als Pasen, dat we nog betrekkelijk kort geleden mochten vieren, voor ons méér is dan een historisch feit. Alleen dan mogelijk, indien we persoonlijk de gekruisigde en opgestane Christus kennen in de kracht Zijner opstanding. Zijn dood gelijkvormig wordende.

Dan kan er beleden worden : „Ik weet dat mijn Verlosser leeft" en in het geloof kan van verre reeds worden aanschouwd de Grote Dag der eeuwige Bevrijding, waarop een storeloze vrede volgen zal. Op die Bevrijdingsdag zal dieper dan ooit beleden worden : Ten ware de Heere in Zijn souvereine genade ons niet had verlost, we waren vergaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„Mijn Schilt en mijn Betrouwen....”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's