De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat is het doel en de strekking van alle belijden?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat is het doel en de strekking van alle belijden?

9 minuten leestijd

De tweede vraag, welke prof. van Ruler stelt en behandelt in : „Hoe functioneert de belijdenis".

In het vorige stuk viel de nadruk op het feit, dat de kerk belijdt. Dat moet ons volgens deze hoogleraar er voor bewaren „de volle druk van het belijden der kerk op elke enkeling — ambtsdrager of gemeentelid — te laten rusten".

Volkomen juist, - dat de kerk belijdt, maar dat gaat niet buiten de enkeling om, want de kerk is maar niet een idee, niet een gebouw in de lucht, maar de kerk, die belijdt, , , is een heilige vergadering der ware Christgelovigen, alle hunne zaligheid verwaöhtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest". (Art. 27 - N.G.B.).

Vast geldt hier dus een nieuw leven in de Heere Jezus Christus, waaraan de Christgelovigen deel hebben door het geloof. Dat geloof in Christus is als zodanig reeds een functie van dat nieuwe leven, zijnde gemeenschapsoefening met die Christus en het deelgenootschap aan al Zijn weldaden door één Geest.

Een enkeling, die daaraan geen deel heeft, kan in de levende zin des woords niet belijden. Hij kan aannemen, wat de kerk gelooft, en hij kan daarover mogelijk verstandelijk praten, en misschien zelfs theologiseren, maar het innerlijke, spontane van het belijden als geloofsuiting kent hij niet. Vgl. 2 Cor. 4 : 13 : , , Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken".

De apostel denkt er dus wel een beetje anders over dan bovenaangehaalde zinsnede doet onderstellen, want hij zegt : Dewijl wij dezelfde Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is : „Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken", zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook, wetende, dat Hij, die de Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken en met ulieden daar zal stellen. (2 Cor. 4 vers 13v.).

De apostel laat de enkeling niet buiten beschouwing, maar de enkelingen belijden mede, omdat zij door dezelfde Geest geleerd worden.

Weliswaar kunnen wij niet uitmaken, wie uit een levend geloof belijden en wie niet. Bovendien, die heden belijden, omdat zij van huis uit bij de belijdenis der kerk zijn groot gebracht, kunnen morgen door Gods genade tot een waarachtig geloof komen. En waarom zou de kerk dan instemmen met haar belijdenis, welke uit haar leven met Christus en in de strijd met de Geest dezer eeuw is opgekomen, niet vragen van allen, die zich bij haar voegen, en bij haar krachtens geboorte en opvoeding behoren ?

Het spontane karakter van het ware belijden, zoals de confessie dat wil uitdrukken, als zij aanvangt met de woorden : „Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond". (Art. 1). Vergelijk ook Rom. 10 : 10 : „Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid" — dat spontane karakter doet ons met bevreemding opzien naar die tweede vraag door prof. van Ruler gesteld.

Doel en strekking van alle belijden ? Kan men daarvan eigenlijk wel spreken ?

Zeker, in zoverre belijden spontane werking des geloofs is en Gods deugden belijdt, is daarin ook lof en dankzegging, eer en aanbidding. God wil door de mens gekend zijn, geëerd en gediend worden. Dat komt uit het werk van de Heilige Geest op en kan moeilijk met , , doel en strekking" worden aangeduid.

Prof. van Ruler weet dat ook wel, zoals blijkt uit een passage op blz. 14, maar hij wil klaarblijkelijk deze paragraaf over , , doel en strekking" dienstbaar maken aan de bestrijding van denkbeelden, welke zich niet voegen in het raam van zijn theologische bespiegelingen.

Duidelijk verraadt zich dat in de alinea's over de waarheid en de waarheidsvraag op blz. 12.

Men hoort tegenwoordig in de kerk , , strijk en zet", van de waarheidsvraag en het , .kerkelijk gesprek".

Het stellen van en het praten over de waarheidsvraag, zoals men dat in onze dagen in de kerk doet, is echter in de grond der zaak een onkerkelijk gedoe en een bedrijf, dat ook theologisch niet verantwoord is.

De mensen, die dat hebben uitgevonden als een middel van kerksanering en daaraan meedoen, schijnen te menen, dat de kerk van theologiseren leeft. Dat is toch een misverstand. Het kan trouwens bekend zijn, dat al dat theologiseren in de eerste plaats de boekverkopers ten goede komt, maar de kerk kan daarvan niet leven. m

De kerk leeft uit het geloof. De rechtvaardige immers zal door het geloof leven.

Dank zij het feit, dat de kerk door het geloof uit de Godsopenbaring leeft en dat geloofsleven ook in haar belijdenis tot uitdrukking brengt, heeft de  theologie stof om zich mede bezig te houden en kan men theologiseren, maar dat is dus veelmeer een vrucht welke het leven der kerk medebrengt dan dat de kerk uit de theologie zou leven.

Om op de z.g. waarheidsvraag terug te komen, radicaal gesproken heeft het waarachtig geloof in de Christus der Schriften niets met de waarheidsvraag te maken, want het geloof verkeert niet in twijfel omtrent de goddelijke zaken, welke het door de werking van Woord en Geest omhelst.

Het geloof leeft uit de Godsopenbaring, heeft zijn grond in de openbarende daad Gods, overeenkomstig 't woord van de Christus, dat de Heiige Geest de Zijnen in alle waarheid zal leiden. De Heilige Geest, die ook de Auteur der openbaring is, leidt dus in de waarheid, maar niet in onzekerheden.

De goddelijke waarheid dient zlchzelve aan als waarheid, welke om haar zelf en door haar zelf ook wordt omhelsd in het geloof. Hoe zou 't anders ?

De Geest Gods, die in alle waarheid leidt, k& n zich zelf niet verloochenen.

En daarom handhaven wij het radicale oordeel, dat het waarachtig geloof niets met de waarheidsvraag heeft te maken. De waanheidsvraag toch onderstelt twijfel en zelfs onvermogen omtrent het kennen van de waarheid.

De waarheidsvraag brengt ons naar het terrein van de menselijke wetenschap, waar zij thuis hoort. De verklaring der verschijnselen en hun verband stelt de wetenschap telkens weer voor de waarheidsvraag, en van onderstelling tot onderstelling, van ontdekking tot ontdekking tracht zij de waarheid te benaderen.

Dat is de weg der menselijke wetenschap. Zowel van de z.g. sancte als van de z.g. geesteswetenschappen. Zij wordt uit de vraag geboren. Zij ziet aan de dingen, die voor ogen zijn, en zij kan wel vragen naar de achtergrond der dingen, maar vermag niet daarin door te dringen. Zij reikt niet tot de kennis der dingen, die niet gezien worden.

Doóh zoals gezegd, zo is het niet met  de kennis des geloofs, welke een gans bijzonder karakter draagt, dat wij onderscheiden als geestelijk, zijnde gewerkt door de Heilige Geest, die in de waarheid leidt. Deze kennis betreft goddelijke dingen, welke de Heere God ons heeft geopenbaard in Zijn Woord, en aangezien wij het licht van de Heilige Geest nodig hebben om dat Woord te verstaan, draagt de kennis des geloofs uit dit tweeërlei oogpunt een bijzonder karakter. Zij is op Goddelijke dingen gericht en is het deel van degenen, die daarbij door God zelf worden betrokken.

Uit hetgeen van de menselijke wetenschap is gezegd, volgt vanzelf, dat ook de theologie allerlei vragen kan opwerpen, want hoewel deze zich bezighoudt met de goddelijke dingen, is zij toch een menselijke wetenschap met menselijke dwalingen en tekortkomingen.

Haar eerste aanleiding vond de theologie in het feit, dat de kerk van Christus op aarde tot openbaring komt en gestalte verkrijgt. Dat geldt bijzonderlijk van het geloof der kerk, dat in handel en wandel der Christenen openbaar wordt en in de belijdenis aan de dag treedt.

Deze feiten roepen vragen op en wat ook door de Schrift wordt betuigd weerstand. Denk aan de secte, die overal weersproken wordt.

't Gevolg is, dat de kerk als vergadering der ware Christgelovigen daarop reageert. Het Nieuwe Testament geeft tal van voorbeelden, die kunnen aantonen dat de apostelen zich te weer stellen tegen dwaalleraars en daartegen waarschuwen. Genoeg om aan te tonen, dat in de loop der eeuwen een theologische wetenschap ontstond. Het is toch in de eerste plaats duidelijk, dat de kerk tot beslissende uitspraken werd gedrongen. Wij denken aan het apostelconvent (Hand. 15), dat ging over de besnijdenis en de onderhouding van de Joodse wet. De beslissing van deze vergadering is de eerste van een lange reeks, welke in de kerkvergaderingen door de eeuwen heen werden genomen. De beslissingen van de Jeruzalemse vergadering van apostelen en ouderlingen werden aan de gemeenten medegedeeld om die te onderhouden. (Hand. 16 vs. 4). En de apostelen noemden deze beslissingen of besluiten dier vergadering dogmata.

Hier staan wij dus voor de eigenlijke' Bijbelse betekenis van het woord dogma, zijnde een kerkelijke beslissing in geval van geschil. Dat in de eerste plaats. En vervolgens geeft Handelingen 15 ons een voorbeeld uit de dagen der apostelen van het opkomen van de kwesties inzake leer en leven der kerk.

De enige maatstaf, welke de kerk heeft, is de Heilige Schrift en de geschiedenis van de kerk leert telkens weer dat de kerkvergaderingen bij strijdigheden het getuigenis der Schrift deden gelden boven wijsgerige en theologische redeneringen.

Deze redeneringen stelden om het zo uit te drukken, op bestreden punten de waarheidsvraag, maar de Schrift besliste, omdat de kerk zich er van bewust is dat Gods Woord boven de menselijke waarheidsvraag is verheven.

Dit geloofsstandpunt der kerk eist, dat men onderscheid maakt tussen het duidelijke getuigenis van de Heilige Schrift en het dogma. Het dogma, zijnde kerkelijke beslissing in geval van geschil, is ten slotte toch een menselijke beslissing en dus feilbaar, zoals ook de belijdenis zelf zegt.

Maar daarom is de duidelijke uitspraak der Heilige Schrift geen dogma, maar onfeilbare goddelijke waarheid.

Deze onderscheiding wordt in de practijk niet altijd in het oog gehouden. Men spreekt heel gewoon van het dogma der Triniteit (Drieëenheid), hoewel het getuigenis der Schrift duidelijk is. God openbaart zich als de Drieënige, Vader, Zoon en Heilige Geest. Wie daaraan tornt en het een dogma noemt, doet tekort aan het goddelijk gezag van de Heilige Schrift.

Volkomen ten onrechte stelt men b.v. de zogenaamde waarbeidsvraag ten aanzien van de goddelijke Drieëenheid, als ware er onzekerheid aangaande deze en kon men evenzeer denken aan een wezenstriniteit als aan een openbarinigstriniteit. Dit laatste is trouwens reeds in de oude kerk verworpen.

Theologen kunnen dus wel de waarheidsvraag stellen ten aanzien van kerkelijke dogmata, maar de belijdenis der kerk, voor zover zij klaar en duidelijk naar de Heilige Schrift is, is op die grond, maar dan ook alleen daarom, boven dergelijke twijfelachtigheden verheven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Wat is het doel en de strekking van alle belijden?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's