KARL BARTH
POLITIEKE BESCHOUWINGEN VAN
(I)
We hebben reeds opgemerkt, dat gedurende de laatste twintig jaar Karl Barth een grote invloed in ons land heeft uitgeoefend, inzonderheid in de kringen der midden-orthodoxie, die de hegemonie in de Ned. Herv. Kerk uitoefent. Voor een recht verstaan van de uitspraken der Synode is het daarom van belang om ook van zijn opvattingen, inzonderheid op politiek terrein, op de hoogte te zijn. Deze zijn natuurlijk nauw verbonden met zijn theologische inzichten.
Deze politieke beschouwingen heeft hij weergegeven in , , 'Christengemeinde nnd Bürgergemeinde", verschenen in 1946.
Barth stelt tegenover elkaar de christelijke gemeente (kerk) en de burgerlijke gemeente (staat).
In de burgerlijke gemeente zijn Christenen met niet-christenen of twijfelachtige christenen bijeen. Zo hebben zij geen gemeenschappelijk bewustzijn omtrent hun verhouding tot God. Zo kan dit geen element der in haar geldige rechtsorde vormen. Zo kan men zich in haar zaken noch op het Woord, noch op de Geest Gods beroepen. De burgerlijke gemeente als zodanig is geestelijk blind en onwetend. Zij heeft noch geloof, noch liefde, noch hoop. In haar wordt niet gebeden en in haar is men niet broeder en niet zuster. In haar kan slechts gevraagd worden wat Pilatus vroeg : Wat is waarheid?
Aldus omschrijft Barth reeds op een der eerste bladzijden de burgerlijke gemeente. In feite wordt hier reeds een onjuist begin gemaakt met zijn m.i. onjuiste beschouwing. Ofschoon in deze zin veel staat, dat op zichzelf genomen waar is, toch wordt eigenlijk hier reeds de weg tot een juiste beschouwing versperd.
Hoe komt dat? Bartb verklaart de overheid voor geestelijk blind en onwetend en wijst een beroep op het Woord en de Geest Gods af. Nu is hier al een eerste vraag, die rijst deze, wat verstaat hij onder het Woord Gods. Als ik wel ben ingelicht, moet hieronder niet de Heilige Schrift zonder meer worden verstaan, maar alleen die gedeelten, die voor een christen als Gods Woord zijn gaan leven, die gedeelten, waarin een christen meende door God te zijn aangesproken. Het is duidelijk, dat bij deze beschouwing hoogstens een appèl op 't Woord en de Geest Gods kan worden gedaan tegenover een Overheidspersoon, die christen is. Maar Barth trekt deze conclusie niet.
Daartegenover stellen wij dat de Heilige Schrift haar eisen laat gelden voor het gehele menselijke leven. Deze weg heeft Barth zich al afgesneden door de burgerlijke gemeente voor geestelijk blind te verklaren. Hij schijnt echter te vergeten, dat geestelijke blindheid niet verbindert kennis te nemen van de eisen Gods, ons in de H. Schrift geopenbaard. De H. Schrift met haar eisen en roeping ligt daar en het ligt voor verantwoording van de overheid of hij daarnaar wil luisteren of niet.
Het behoeft ons niet zeer te verwonderen, dat Barth nu ook in strijd komt met de reformatoren in het algemeen en Calvijn in het bijzonder. Zij spreken in dit verband niet van geestelijke blindheid, maar leggen de nadruk op de verantwoordelijkheid, zelfs ook bij onbekendheid met de H. Schrift. Brunner zegt daarover in , , Die reformierte Staatsauffassung" het volgende : Maar dit Schriftprincipe heeft juist de gereformeerde Vaderen nooit tot de overdreven opvatting verleid, dat de mens buiten de H. Schrift in het geheel geen kennis van deze bindende macht, van Gods gebod, kon hebben. Niet alleen Zwingli, maar óok Calvijn heeft van de gedachte, dat Gods wet in de harten van alle mensen spreekt, juist in zijn leer over de staat altijd weer gebruik gemaakt, zoals nu door het monumentale werk van de Calvijnvorser Bohatec, trots alle tegenspraak, eens voor altijd bewezen is. Dat Zwingli en Bullinger daarover niet anders dachten, is algemeen bekend. Zij konden het daarom niet, omdat 't in hun bijbel met duidelijke woorden te lezen stond. Zij wisten echter ook als politiek denkende mannen, dat deze gedachte van een bij alle mensen aanwezige kennis van recht en onrecht, van menselijkheid en onmenselijkheid juist op 'het terrein van de staat van de allergrootste 'betekenis is.
Tot zover Bruinier.
Barth wil dit echter niet gebruiken. Brunner doelt hier klaarblijkelijk op wat we lezen in Rom. 1 vs. 20 : Want zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. Ook art. 2 onzer Ned. Geloofsbelijdenis wijst op deze algemene Godskennis en citeert tevens deze tekst.
Barth wil hiervan niet weten, evenmin als sommigen zijner volgelingen hier te lande. De reformatoren erkennen volgens de H. Schrift, dat er in alle mensen een zeker besef van goed en kwaad is, dat alle mensen een zeker begrip van God 'hebben. Deze kennis is daar om alle onschuld te benemen.
Het is een algemene genade, waardoor het menselijk leven mogelijk gemaakt wordt, de losbandigheid wordt ingeperkt. De overheid is evenzo een bewijs van deze algemene genade, want ook deze. is een instelling Gods, die daartoe dienstbaar moet zijn.
Het zal geen verwondering behoeven te baren, dat bij een dergelijk verschil in uitgangspunt we verder bij Barth nog wel een en ander aantroffen, waarbij wij meenden een vraagteken te moeten plaatsen. Doch daarover een volgende maal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's