De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Waar komt de belijdenis vandaan?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Waar komt de belijdenis vandaan?

7 minuten leestijd

De derde vraag door prof. van Ruler aan de orde gesteld (vgl. Hoe functionneert de belijdenis ? , 'blz. 15).

Hij zelf vindt dat een „wat eigenaardige vraag". Wij vinden dat ook, doch ook hier wordt de vraag gesteld met de bedoeling om het misverstand weg te nemen, als zou de belijdenis bij de apostel vandaan komen en een uittreksel zijn uit de Heilige Schrift.

Wij zijn van mening, dat deze twee niet gelijk zijn en dat ieder toch een glimp van waarheid bewaart. Dat de belijdenis der kerk niet regelrecht van de apostelen komt, is onder ons wel bekend. Zoveel weten de meesten nog wel van de geschiedenis onzer belijdenisgeschriften af.

Dat onze belijdenis niet enkel nieuwigheden omvat, die de reformatoren zouden gevonden hebben, kan ook duidelijk zijn voor degenen, die behoorlijk catechisatie-onderricht hebben genoten. Zij hebben vernomen, dat de reformatoren óp de oude Christelijke Kerk terug grepen. En zij kunnen ook weten, dat de belijdenis der oude Christelijke Kerk onder de invloed van de prediking der apostelen en in de strijd met de dwaalleraren is ontstaan. De glimp van waarheid is dus daarin gelegen, dat de apostolische prediking het geloofsleven der oude Christelijke Kerk heeft gericht.

Dat wat het eerste aangaat.

En nu het tweede punt.

De belijdenis geen uittreksel van de Heilige Schrift, Formeel genomen volkomen juist, maar daarmede is niet alles gezegd. Voor zover immers de belijdenis geen steun vindt in de Heilige Schrift, moet zij onder verdenking vallen. Immers, zoals wij in het vorige nummer hebben aangetoond, is de belijdenis een uiting des geloofs. Zo waarlijk het geloof leeft uit de Heilige Schrift, zal er een levend verband zijn tussen belijdenis en Heilige Schrift.

Daarom heeft het waarachtig geloof geen behoefte aan de door prof. van Ruler genoemde legende om gezag aan de belijdenis te verlenen. Zijn „koekoeksei door de apostelen in het nest van de kerk" gelegd, is waarlijk overdreven, om niet te zeggen misplaatst. De kerk heeft wel iets te bewaren n.l. het Woord, dat Christus heeft gegeven en van hetwelk Hij verklaard heeft, dat het het Woord des Vaders is. (Vgl. Joh, 14 : 10 en 24),

De kerk heeft dat ook verstaan en geeft daaraan o.m. ook uitdrukking in haar belijdenis. Wij kunnen zelfs nog een stap verder gaan. In haar belijdenis bewijst de kerk niet alleen, dat zij uit dat Woord leeft, maar in de belijdenis is ook een actueel bewaren des Woords. Dat is een aspect van de belijdenis, hetwelk men zelfs onder haar functies zou kunnen noemen.

Daarin ook wordt het nauw verband tussen belijdenis en Heilige Schrift openbaar, dat de kerk in haar vergaderingen, waarin zij werd geroepen om beslissingen te nemen tegen dwalingen, welke zich voordeden en haar verontrustten, het getuigenis der Heilige Schrift placht te zoeken en alzo op de onderhouding des Woords gericht was. Als de kerk haar roeping trouw vervult, moet dat ook zo zijn.

De geschiedenis van de dogmatische ontwikkeling in de kerk kan dat aantonen, en daarom ook konden de reformatoren, die het pausdom mitsgaders valse leringen en gebruiken als de mis, de priesterwijding e.a. met grote beslistheid afwijzen zijnde in strijd met de Heilige Schrift, terwijl zij daarentegen in ere hebben gehouden zulke beslissingen der kerk, die met Gods Woord en dienst overeenkwamen.

Nadere bestudering van onze reformatorische belijdenis kan dat met verschillende voorbeelden aantonen.

Voor het gezag der belijdenis kan de kerk zich dan ook alleen maar op haar overeenstemming met de Heilige Schrift beroepen, omdat zij deze als Gods Woord ontvangt, hetwelk zij heeft te bewaren.

Het is dus wel heel erg vreemd de belijdenis voor een uittreksel van de Heilige Schrift te houden, maar het geloof, dat door de Heilige Geest wordt gewekt en geleid en dat ook uit het Woord leeft, getuigt ten slotte van datzelfde, leven, waarin de heiligen van Oud- en Nieuw-Verbond hebben geleefd, en waarin de ganse Kerk van Christus deelt.

Er is derhalve een geestelijk verband tussen Schrift en belijdenis, hetgeen in deze laatste tot uitdrukking komt, ook al is deze geen uittreksel van de Schrift. Zo mechanisch kan deze verhouding niet worden gesteld. Maar verband is er en moet er zijn, zal de belijdenis gezag en waarde hebben.

Deze twee moeten dan ook zonder beding worden toegekend aan al die uitspraken, die klaar en duidelijk met het getuigenis der Heilige Schrift overeenstemmen.

Over onveranderlijkheid gesproken, in zoverre de belijdenis met de Waarheid overeenstemt, is haar getuigenis vanzelfsprekend onveranderlijk, wijl de Waarheid Gods geen verandering toelaat.

Prof. van Ruler wil klaarblijkelijk een element van principiële onveranderlijkheid in het belijden der kerk afweren naar aanleiding van de door hem aangewezen verkeerde opvattingen en richt zich daarbij met name tegen de groep van „Hervorming en catholiciteit" met haar romaniserende houding. Inderdaad wordt deze bepaald door een gedachtengang, die vreemd is aan het rein geestelijke karakter van de religie der Schriften.

In zoverre kunnen wij dus met hem medegaan, indien maar het geestelijk verband, waarop wij de aandacht vestigen worde in het oog gehouden en bewaard.

Met het dogma kan het, zoals reeds werd aangetoond, anders zijn.

Prof. van Ruler maakt trouwens ook onderscheid tussen twee elernenten. Hij zegt, dat de kerk gedeeltelijk haar dogmata vormt door de kernwoorden uit het apostolisch Kerugma (verkondiging) bijeen te brengen. Deze voorstelling van zaken lijkt ons voor discussie vatbaar. Immers ook de Heilige Schrift spreekt van de goede belijdenis en van de leer in de dagen der apostelen. En al is er in die tijd geen bepaalde belijdenis vastgesteld, de belijdenis leefde. Nadien, toen de apostelen waren gestorven, hebben de dwaalleraren de kerk gestimuleerd om in zake de zuivere leer uitspraken te doen. Daarbij heeft zonder enige twijfel het apostolische woord gezagvol gewerkt, hetgeen o.a. ook daaruit blijkt, dat de evangeliën en brieven betrekkelijk zeer kort na het heengaan der apostelen in de kanon zijn opgenomen.

Daarnaast werd de kerk door de leringen der wijsbegeerte genoopt om zich op de vraagpunten te bedenken, die deze opwierp en waarvan haar aanhangers zich bedienden, hetzij tot verdediging van het Christelijk geloof, hetzij bij de opbouw van een wereld- en levensbeschouwing. Prof. Van Ruler wijst daarop (blz. 16), maar dat heeft toch niet in de eerste plaats betrekking op de belijdenis der kerk, die immers op het getuigenis der Heilige Schrift is aangewezen en betrof veeleer de theologie en het theologiseren.

Weliswaar kon dit ook zijn invloed uitoefenen op de dogmavorming, maar juist daarom hebben wij gewezen op het onderscheid van de belijdenis, voor zover die op duidelijke uitspraken der Heilige Schrift is gegrond en dogmata, als menselijke beslissingen, die kunnen falen.

Zo kan men o.i. niet met recht spreken van een dogma der schepping of een dogma der Drieëenheid Gods, doch als het gaat om de goddelijke huishouding en de verhouding der drie Personen, om een voorbeeld te noemen, treden verschillende beschouwingen aan de dag. Maar dat is dan ook veelal meer een kwestie van theologiseren dan van belijden.

Prof. van Ruler maakt de opmerking, dat , , het in Gods doen bij tijd en wijle ook zonder dogma kan".

Bij God zijn alle dingen mogelijk, die bij de mensen onmogelijk zijn.

Wij geloven echter, dat de Christus door Zijn Woord en Geest Zijn gemeente wil vergaderen, en de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, tn daarom geloven wij, dat het levend geloof altijd zal belijden en in zijn belijdenis zal vasthouden door de eeuwen heen.

De belijdenis hangt immers onmiddellijk samen met het leven der kerk en met haar strijd in de wereld. Gezien de onderscheiding, die wij maken tussen confessie en dogma, kunnen wij verstaan, dat prof. van Ruler zegt, dat het dogma op de grens van de openbaring en de cultuur staat (blz. 16).

En als hij zegt, dat het dogma niet zonder meer , , uit de openbaring stamt", kunnen wij ook dat in het kader van onze onderscheiding beamen, doch als het belijden der kerk niet uit de openbaring stamt, is het geen waarachtig belijden. Datzelfde geldt ook van de belijdenis, waarin het is neergelegd. Wij zijn het echter in het geheel niet eens met prof. van Rulers' stelling, dat er geen , , geopenbaarde waarheden" zijn, juist, omdat God zich aan de mens openbaart. Wel zegt de Schrift, dat wij ten dele kennen, maar als het waar is, wat prof. van Ruler zegt, dan is alle discussie over de openbaring volstrekt onvruchtbaar en heeft ook zijn .betoog niet de minste waarde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Waar komt de belijdenis vandaan?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's