De vierde vraag
Prof. Dr. J. Severijn
Wat is het wezen en de functie van de belijdenis ? Ziedaar de vierde vraag, door prof. Van Ruler gesteld.
, , Om een zuiver antwoord op deze vraag te vinden", zo de schrijver, „zullen wij opnieuw moeten inzetten bij de verhouding van de apostelen en de kerk".
Naar zijn inzicht kan en mag men niet schromen te spreken van 'n voortzetting van het apostolaat — in de zin van het apostelambt, centraal van de Twaalve — in de kerk.
' Heel erg duidelijk is deze zinsnede niet. , , Voortzetting van het apostolaat in de kerk".
Dat woordje apostolaat wordt nogal eens misbruikt en prof. Van Ruler, zoals wij weten, houdt het , .apostolaat" voor het wezen der kerk.
Wij zijn het daarmede niet eens, omdat wij het niet anders kunnen zien dan dat het wezen der kerk daarin ligt, dat zij het lichaam van Christus is, waarvan dan de kerk op aarde openbaring is.
Klaarblijkelijk bedoelt prof. Van Ru- Ier met zijn apostolaat meer, dan wat wij verstaan en altijd verstaan hebben onder de Zendingsroeping der kerk op grond van het bevel van Christus. Men zal trouwens moeilijk kunnen spreken van de Zendingsroeping als het wezen der kerk. Aan de roeping beantwoordt uit de aard der zaak een functie, zedelijk-religieus gezien, kan men zelfs juister spreken van actie. Immers aan de roeping beantwoordt de geloofsgehoorzaamheid, welke de roeping ter harte neemt. Dat ontbreekt aan het begrip , functie", is er althans niet noodzakelijk mede verbonden.
Het apostelschap wijst op het gezonden zijn, gezant zijn. Dat is de betekenis van het grondwoord. Christus is de Gezondene des Vaders, de Apostel. Evenals de gezant van een aardse koning wordt gezonden om in de naam van zijn koning een boodschap over te brengen, of een taak te vervullen, zo is Christus de Gezondene des Vaders om het Woord des Vaders over te brengen en Zijn Middelaarstaak te vervullen. Vgl. Hebr. 3 vs. 1 j Joh. 17 vs. 6, 8, 14, etc.).
En wat zegt nu de Christus?
Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de •wereld gezonden. Dat betreft kennelijk de discipelen. Dat blijkt tenminste uit Joh. 20 VS. 21 V.V., waar de Heere vergaderd is met de discipelen (behalve Thomas). Bovendien wordt dit wel onbetwistbaar bevestigd in het 23e vers: , , Zo gij iemands zonden vergeeft, die •worden zij vergeven ; zo gij iemands (zonden) houdt, die zijn ze, gehouden. (Vgl. Matth. 16 vs. 19 ; 18 vs. 18),
Het apostelschap in deze enige en verheven zin, is het apostelschap van de door Christus geroepen en in het apostelambt gestelde Twaalf. (Paulus daarbij begrepen).
Deze bijzondere roeping wordt door de Heilige Schrift ook nog eens geaccentueerd, waar wordt gesproken van de kerk, die wordt gebouwd op het , .Fundament der apostelen en profeten".
Het apostolaat van het Twaalftal staat daarom ook geheel op zichzelf als een bijzondere beschikking van de Heere Jezus Christus.
En de kerk staat dus nog altijd en zal tot de voleindiging blijven staan onder dit apostolaat, gelijk zij gebouwd is op het fundament der apostelen en profeten.
In deze beschikking des Heeren vervult ook het woord der apostelen een functie, zoals blijkt uit Joh. 17 vs. 20, waar onze grote Hogepriester Zijn voorbede ook uitstrekt over degenen, die door het woord der apostelen geloven zullen.
Eerst wordt medegedeeld, dat de Christus hun het Woord des Vaders heeft gegeven (Joh. 17 vs. 14). Ook wordt medegedeeld, dat zij dat Woord hebben bewaard (vs. 6) en dat zij in dat Woord geloofden en in de goddelijke zending van de Christus.
Het gaat hierbij om de Waarheid Gods. Vgl. VS 17: Heilig ze in Uw waarheid ; Uw Woord is de waarheid, en VS. 19 : En Ik heilige Mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.
In deze bede en heiliging is alzo de heiliging van het woord der apostelen besloten, zodat het niemand kan ver- . wonderen dat het woord der apostelen als heilig en als het Woord Gods ontvangen werd en spoedig opgenomen werd in de kanon.
Wij blijven derhalve beweren, dat het apostolaat der Twaalf apostelen geheel enig is en dat de kerk nog altoos onder dat apostolaat staat, en zich heeft te schikken naar het woord der apostelen, dit ontvangende als Gods Woord.
Naast dit apostolaat kan men in de Heilige Schrift nog tweeërlei gebruik van het woord apostel aantreffen, n.l. als gezondene met een bepaalde boodschap namens een gemeente (Vgl. Handelingen 15 VS. 2). Ook een hulp der apostelen wordt een enkele maal apostel genoemd. Doch dit doet niets af van het feit, dat het apostolaat van de Twaalf apostelen en dus ook hun apostelambt 'n geheel enig karakter draagt.
De kerk der eeuwen kan slechts op hun fundament en onder hun leiding voortbouwen en derhalve ook Zending drijven, Zendelingen uitzenden, en wat daartoe verder kan strekken, gelijk zij ook voorziet in de dienst des Woords en de pastorale verzorging der gemeente door ambten en bedieningen overeenkomstig de verordeningen der apostelen.
Het apostolaat der Twaalf vindt zijn voortzetting evenzeer in de geestelijke verzorging en het werk van de opbouw der gemeente als in het werk der Zending. Alleen zo beschouwd kan het centraal gesteld worden, derhalve omvattende het ganse werk der bediening tot onderhouding en opbouw der gemeente door de ambten en onder hun leiding helpende krachten.
Maar dat is wat anders dan prof. Van Ruler bedoelt.
Hij bedoelt een voortzetting niet terzake van het apostolische Woord, en ook niet zozeer terzake van het apostolische ambt, en zelfs spreekt hij niet van apostolische kerk, maar van „de z i s apostolische volkeren der aarde". (Vgl. blz. 18).
De voortzetting van het apostolaat, zoals hij het ziet, bedoelt niet anders dan de verkondiging van het Rijk — en ook dit alweer, zoals Van Ruler het ziet. Vandaar die term apostolische volkeren. Hierin wordt niet in het minst gerekend met het feit, dat de Heilige Schrift scheiding maakt tussen kerk en wereld, niet alleen onderscheiding, maar scheiding.
En wel een scheiding, die in heel het geestelijk bestel en karakter doorgaat, zo waarlijk er gesproken wordt van de geest dezer wereld en de Geest Gods.
Prof. Van Ruler gaat klaarblijkelijk niet uit van het gegeven, dat Christus Zijn gemeente vergadert uit alle volk en tong en natie, maar hij laat zich leiden door zijn Rijksgedachte, en ziet alzo apostolische volkeren. Wellicht bedoelt hij daarmede volkeren, in wier midden de kerk is openlbaar geworden.
De kerk wordt dan eenvoudig een functie in het midden der natie, misschien zelfs een functie der natie, in ieder geval een functie van het Rijk in de natie, het Rijk dan genomen in de betekenis, welke prof. Van Ruler daaraan wil hechten.
Kerk wordt alzo prediking, kerk is prediking, immers apostolaat is het wezen der kerk en dit wezen functionneert in de prediking. , , Prediking is de kern van het kerk zijn", (blz. 18).
Zo komt ook het ambt in de knel en zelfs ook de prediking.
Prof. Van Ruler gaat dan ook zóyer, dat hij van de prediking eist, dat zij is , , Rijksprediking" (blz. 19). , , Zij is zelfs meer dan Christusprediking". (blz. 19).
Dat is wel een beetje anders dan de apostel Paulus zich uitdrukt: , , Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd". (2 Cor. 2 vs. 2 v.v.).
In het kader van prof. Van Ruler's theologische redeneringen past eigenlijk de belijdenis der kerk helemaal niet, want die wil zonder enige twijfel rechtstreeks op de Waarheid en op het geloof betrokken zijn. En dat wil Prof. Van Ruler juist niet. , , Zij suggereren, dat de belijdenis de Waarheid als zodanig bevat èn dat zij de Waarheid oplegt aan de mens".
Wij komen hier weer in de reeds behandelde zaken. Wat kan een belijdenis anders bedoelen dan de Waarheid belijden, waaruit het geloof leeft, en als zij dat niet doet, deugt zij niet en moet zij verworpen worden.
Prof. Van Ruler vindt dat niet in overeenstemming met een presbyteriale kerk (blz. 19), alsof een presbyteriale orde niet veel meer in de gemeenschappelijke confessie des geloofs zou steunen dan een episcopale of pauselijke !
Hij wil de prediking de facto vrij maken van de belijdenis en dat zal ze toch niet kunnen, als de belijdenis waarlijk uiting van waarachtig geloofsleven der gemeente van Christus is. Wat wil toch de prediking anders dan een roeping tot geloof en leidsvrouwe in het geloof zijn?
Een prediking, die wat anders wil ijn, moet wel grotelijks gevaar lopen ook de Heilige Schrift als regel des geloofs voorbij te snellen en op te gaan n een profetische rede, welke meer peculatief, dan profetisch is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's