HOE IS DE VERHOUDING VAN DE SCHRIFT EN DE BELIJDENIS?
Prof. Dr J. Sevevijn
Reeds in het voorafgaande stuk is 't wellicht duidelijk geworden, dat prof. Van Ruler van de prediking iets wil maken, dat hij profetisch noemt, maar dat naar wij vrezen tot een speculatieve vrijbuiterij wordt, die gevaar loopt niet alleen de belijdenis te verlaten, maar ook de strengen van het Evangelie te laten vieren, in ieder geval zich verre van het geloof der kerk dreigt te verwijderen.
Immers schuift prof. Van Ruler de prediking tussen Schrifteen belijdenis in. Hij ziet de Heilige Schrift als de materiële bron van de prediking, „dat is de bron, waaruit de prediking haar materie, haar inhoud put". Volgens hem kan men dat niet zo van de belijdenis zeggen.
Tot op zekere hoogte is het juist, dat wij de Schrift hebben te prediken, of liever nog, de Christus der Schriften. De prediking ontleent rechtstreeks uit de Schrift. Dat is zo, maar de prediking is niet slechts verkondiging des Woords, zij is ook getuigenis uit het leven des geloofs.
De prediking staat niet buiten het geloof der gemeente, want dan is zij zelfs geen prediking meer. Dan ontbreekt aan haar ook het profetische. Dit bedoeld in de Schriftuurlijke zin. In de Schrift worden wij ingeleid in het geloof der gemeente, en dat wel door één Geest, n.l.. de Geest van Christus.
Er moet alzo een innig geestelijk verband zijn tussen de prediking en het geloof der gemeente van Christus, zoals dit door Woord en Geest leeft.
Dat geloof der gemeente en haar belijdenis zijn derhalve onmiddellijk op elkander betrokken, want wat anders belijdt de kerk in haar confessie dan haar geloof?
De Heilige Schrift laat ook op dit punt een ander geluid horen en stelt een onmiddellijk verband tussen de prediking en het geloof. Vgl. Rom. 10 VS. 14 V. : , , Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? "
Zo is er dus een verband tussen de prediking en het geloof, gelijk er ook een verband is tussen geloven en belijden. „Ik heb geloofd, daarom spreek ik". En zo waarlijk geloven en prediken en getuigen zijn is naar de Schriften en derhalve uit de leer der Schriften, is het toch wel wat vreemd de prediking tussen Schrift en belijdenis te willen inschuiven.
Wat de prediker moet , , verkondigen", kan hij niet aan de belijdenis ontlenen, zegt prof. Van Ruler. Accoord: hij ontleent dat aan de Schrift, zult gij zeggen.
Ten dele, zegt prof. Van Ruler : Men moet spreken van Woord en Geest.
Daarover zo straks nog een opmerking, maar nu eerst over dit ontlenen aan de Schrift en niet uit de belijdenis. Formeel stemmen wij dat als vanzelfsprekend toe, maar als de prediking nu in strijd met de belijdenis is?
De prediker ontleent aan de Schrift, althans naar hij meent of voorgeeft, maar hij zegt dingen, die in strijd zijn met de belijdenis?
Dan is hij in conflict met het geloof der gemeente, en wat nu?
De gemeente heeft recht op een prediking naar haar belijdenis, de kerkelijke geloofsconfessie. De prediker preekt eigenmachtig een andere leer, die geacht wordt een valste leer te zijn, omdat zij in strijd is met de belijdenis. Want de gemeente gelooft, dat de confessie overeenkomt met de leer der Schriften.
De prediker heeft derhalve de kerk te overtuigen, dat de gemeente dwaalt, en zo niet, dan dwaalt de prediker.
De belijdenis heeft dus toch wel wat met de prediking uit te staan. In ieder geval heeft de prediker zich rekenschap te geven van wat de belijdenis der kerk leert, opdat hij althans niet in onwetendheid met haar in strijd predikt.
Wat prof. Van Ruler over Woord en Geest opmerkt, is niet meer dan een vraag, die ten onrechte de belijdenis nog wat verder wil wegschuiven, zonder er nader op in te gaan. Hij praat over het , , godvruchtige hart" en , , de geheiligde existentie".
Wij zijn echter van oordeel, dat noch het één, noch het ander 'bron van de prediking mag zijn en dat alles wat uit die bron zou voortkomen, verwerpelijk is, zo het niet overeenkomt met het Woord.
Dan immers wordt het een prediking van de mens !
Bovendien wordt ons door Christus geleerd, dat de Heilige Geest niet van zichzelf spreekt, maar het uit Christus neemt, en dat de Heilige Geest zich houdt aan 't Woord, dat Hij gesproken heeft en de Zijnen heeft overgegeven. (Vgl. Joh. 14 VS. 26 ; 16 vs. 7—15).
Vervolgens spreekt prof. Van Ruler over een drievoudige speelruimte tussen Schrift en belijdenis, welke in zijn visie geschapen wordt.
1. Een quantitatieve.
Er kunnen momenten, diepten en uitzichten in de Schrift zijn, welke in de belijdenis niet voldoende of onzuiver verdisconteerd zijn en toch in de Schriftuurlijke prediking vertolkt willen worden, zo schrijft hij.
Vooreerst een opmerking aangaande de hier gebruikte uitdrukkingswijze : , , Niet voldoende of onzuiver verdisconteerd".
Is deze uitdrukking wel op haar plaats? Bedoelt de belijdenis der gemeente alle momenten, diepten en uitzichten, welke in de Schrift kunnen zijn, te verdisconteren?
Dat is toch zeker een geheel verkeerde voorstelling. Ten dele toch is de belijdenis spontane uiting van het geloofsleven, d.w.z. van het verstaan der Godsopenbaring in de gemeenschap met God in Christus.
En verder is zij beroep op die Godsopenlbaring voor zover het geloof daarop gezicht heeft tegenover de dwaalleraars.
Hier past dus niet het woord verdisconteren en men behoeft niet de prediking tussen de Schrift en de belijdenis in te schuiven om ruimte te maken voor de momenten, diepten en inzichten die er in de Schrift kunnen zijn, en welke in de belijdenis niet tot uitdrukking kwamen.
En dat om de eenvoudige reden, dat die ruimte er altijd is geweest. Vanwaar anders de ketterijen en dwalingen, welke door de kerk werden afgewezen?
Die vrije ruimte moet toch altijd als ruimte der Schrift worden verstaan.
De momenten, diepten en inzichten, waarvan prof. Van Ruler spreekt, kunnen ook dwalingen zijn, en indien niet, zo zullen zij ook niet in strijd bevonden worden met het getuigenis der belijdenis, dat uit de leer van Woord en Gest is voortgesproten.
Aanleiding voor deze opmerking aangaande de , , quantitatieve" ruimte, waarover prof. Van Ruler spreekt, vindt hij echter in de moderne bijbelwetenschap, de op , , een geheel andere wijze in de wereld van de Schrift leert ademen, dan wij vanuit de belijdenis en de traditie gewoon waren".
Belijdenis en traditie leerden ons dus ademen in de wereld van de Schrift, maar de moderne bijbelwetenschap leert ons , , op geheel andere wijze" in die wereld , , ademen".
Deze uitdrukking zal wel niet berekend zijn op nadere ontleding, maar dit kan ons toch niet weerhouden de opmerking te maken, dat „ademen" een levensfunctie is. Wij ademen in de wereld van Gods schepping, omdat wij daarin leven en wij kunnen van ademen in de wereld der Schrift, dat is derhalve in de openbaring Gods, spreken, als wij daarin leven.
Ademen is wel een functie en daarom een teken van leven, maar het is niet het leven zélf. Daarentegen is Gods adem levenwekkend.
Als nu de Bijbelse wetenschap wordt gezegd ons te doen ademen, kan dit voortkomen uit het leven dier wetenschap, dat uiteraard een eigen karakter draagt, of het heeft betrekking op een verandering van sfeer, waarin het leven, dat onafhankelijk van de wetenschap is, aanwezig wordt geacht.
In het eerste geval staan wij voor het gewichtig verschil tussen het leven der wetenschap en het leven des geloofs, en wil prof. Van Ruler ons wat nieuws aanbieden in de plaats van het geloof.
In het tweede geval, verandering van sfeer om te ademen, dreigt het gevaar, dat de sfeer met het leven niet overeenkomt en dodelijk is.
In ieder geval is wel duidelijk, dat hij Critisch staat tegenover de belijdenis en traditie, , , van waaruit wij gewoon waren te ademen". Wij laten in het midden, wie hij met die wij bedoelt. Maar het is toch zó, dat de kerk door het geloof leeft, n.l. door het geloof, dat de heiligen is overgeleverd.
• De Schrift kent dus beide, geloof en traditie. Van geloof tot geloof.
Het geloofsleven is het leven in de , wereld der Schrift", het leven uit het Woord en door de Heilige Geest.
De adem van het geloof — bij wijze van spreken — is de belijdenis en met de overlevering van het geloof gaat ook de belijdenis over.
Nu kan men ook de prediking wel onder de adem des geloofs rekenen, maar dan zal men toch weer bij het verband tussen prediking en belijdenis uitkomen.
En wat die Bijbelse wetenschap aangaat, zeker. Bijbelse wetenschap heeft als iedere wetenschap haar eigen vragen en haar eigen leven, want immers zij heeft haar eigen geschiedenis.
Maar, dit kan toch niet betekenen, dat zij zich tot een rechter stelt over het geloofsleven, dat door de werking van Woord en Geest wordt gewrocht?
De wereld van de Schrift, waarmede de Bijbelse wetenschap zich bezighoudt is en blijft een structuur van de menselijke geest, maar het geloof is een gave Gods en leeft bij de dingen, die des Geestes Gods zijn.
Het spreekt vanzelf, dat wij geen erkenning kunnen vinden voor een functionele speelruimte, als had de Schrift een geheel andere functie in de prediking dan in de belijdenis. Dat hangt trouwens ook samen met het feit, dat prof. Van Ruler confessie en dogma over één kam scheert.
En de principiële speelruimte, waarvan prof. Van Ruler rept, n.l. tussen Schrift en belijdenis, ligt o.i. bij hem ook anders dan in de kerkelijke traditie. Deze toch zet de belijdenis niet op één lijn met de Heilige Schrift, maar daarin steekt het onderscheid met Van Ruler's opvatting niet. Dit schuilt veeleer in zijn van het kerkelijk geloof afwijkende leerstelling, dat er geen geopenbaarde waarheden zijn.
Zulk een dogma heft in beginsel alle geloofskennis op en maakt alle theologiseren tot een ijdele bezigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's