De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Welke plaats heeft het belijden in het geheel van het kerkzijn?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Welke plaats heeft het belijden in het geheel van het kerkzijn?

9 minuten leestijd

Prof. Dr. J. Severijn

Ziedaar de volgende vraag van prof. van Ruler.

Het belijden in het geheel van het kerkzijn. Wij zouden geneigd zijn te vragen, of dan niet het geheel van „het kerkzijn" zijn belijden is, indien wij niet struikelden over de uitdrukking kerkzijn.

Wat wil men toch eigenlijk met dat kerkzijn ?

Onderstel eens, dat men dit werkwoord ging vervoegen : Ik ben kerk. Gij zijt kerk. Hij is kerk. Wij zijn kerk enz.

Dat gaat immers niet.

De kerk is een schepping Gods. Wie in Christus is, is een nieuw schepsel. Vgl. ook Efeze 2 : 10 : Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede: werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.

Wat kerkzijn zou kunnen betekenen, althans met enige goede zin, kan men Wellicht weergeven als bij het lichaam van Christus betrokken zijn, zich bij de kerk van Christus gevoegd hebben, zoals de belijdenis het uitdrukt.

Doch waarom volgt men de belijdenis niet, maar spreekt van kerkzijn ?

Men kan wijzen op de verwarde toestand der kerk onder de organisatie van 1816 en te dien aanzien spreken van een kerk, die geen kerk is d.w.z. die zich niet als kerk openbaart. Een kerk dus, die weer kerk moet worden, hetgeen er op neerkomt, dat zij zich weer overeenkomstig haar wezen moet openbaren.

Dan bedoelt het kerkzijn dus het openbaar worden der kerk volgens de eis van haar wezen, en dan wordt de vraag van prof. van Ruler: welke plaats heeft het belijden in het geheel van het openbaar worden der kerk ?

Daarmede is de zaak echter nog zeer ten dele opgehelderd, omdat — ook indien de uitdrukking kerkzijn mocht bedoeld zijn als openbaar worden der kerk, van overeenstemming nog geen sprake kan zijn, zolang men het over het wezen der kerk niet eens is.

Prof. van Ruler ziet dat wezen in het apostolaat en maakt daarmede de kerk tot een functie — ja een voorbijgaande functie. Als het apostolaat ten einde is, is de kerk ten einde. Het ligt dus voor de hand, dat de kerk volgens deze beschouwing in de prediking opgaat. Als deze eeuw ten einde loopt op de dag des Heeren, houdt volgens deze beschouwing met de prediking ook de kerk en het , , kerkzijn" op.

Kerkzijn betekent voor prof. van RuIer prediking en preken. Daarin wijkt hij derhalve af van de Schrift, welke zekerlijk de prediking des Evangelies gebiedt, maar ook gewaagt van de gemeente des Heeren, welke Hij bouwt, van een tempel niet met handen gemaakt, van de woonstede Gods, van een burgerschap in de hemel, enz.

Dat is alles meer dan preken en prediking, n.l. een concrete geestelijke werkelijkheid, een blijvende stad, die fundamenten heeft, een heiligdom.

Ziet, dan wordt kerkzijn, bij de kerk zijn, een genade Gods, die ons doet delen in de kracht van Christus' opstanding en door de vernieuwende werking van Zijn Heilige Geest daarvan de vruchten doet opbloeien in ons leven.

Spreekt de apostel Paulus niet van levende brieven van Christus Jezus? En gewaagt de apostel Petrus niet van levende stenen in de tempel Gods ? Het beeld van de levende brieven van de apostel Paulus getuigt er tevens van dat heel het leven van de Christen in het teken van het belijden komt te staan.

Wij denken ook aan Christus' woord: die Mij belijdt voor de mensen, zal Ik belijden voor Mijn Vader.

Waar het geloof in waarachtige zin heerschappij neemt, daar gaat het spreken en getuigen in woord en daad en soms misschien ook wel in zwijgen en stilzitten ; maar het getuigt.

Prof. Van Ruler weet trouwens wel, dat het getuigen en belijden zulk een centrale plaats in de kerk inneemt en in de grond der zaak in al haar handelingen doorklinkt, ja, dat het geloof al haar handelingen doet deel hebben aan het belijden en deze tot getuigenis maakt.

Hij moet dan ook zijn toevlucht nemen tot enige dialectische kunstgrepen om de prediking centraal te stellen en tot de voornaamste handeling der kerk te maken, met achterstelling van de belijdenis.

Uit de aard der zaak zou dat niet nodig zijn, als hij aan het begrip prediken geen betekenis naar eigen visie trachtte te venbinden. Immers men kan evenwel zeggen, en met goed recht, dat de kerk in al haar handelingen predikt als men kan zeggen, dat zij in al haar handelingen belijdt, maar dan neemt men prediken en belijden als getuigen. Predicare betekent trouwens getuigen.

Het spreekt ook vanzelf, dat de Confessie der kerk bijzondere betekenis verkrijgt, als men dat zó stelt en dat kan ook alleen maar juist geacht worden. Dit juiste standpunt moet men ook niet prijs geven, omdat onverstandige lieden wel eens confessionalistische practijken kunnen nastreven. De belijdenis is het kerkelijk draagvlak des geloofs, dat geen geringe betekenis heeft voor de kerkelijke handelingen in het algemeen, en voor degenen, die alleen maar belijden, omdat zij nu eenmaal in de kerk zijn, in het bijzonder, opdat zij niet worden overgegeven aan allerlei wind van leer.

Wij zeiden, dat prof. Van Ruler deze dingen zeer wel weet, zoals ook uit zijn woorden op blz. 24 blijkt, waar hij opmerkt, dat enerzijds moet worden vastgehouden, dat de belijdenis en het belijden amper een aparte bezigheid van de kerk zijn, en anderzijds, dat zij in alle andere bezigheden bepalende en beslissende betekenis hebben.

Vandaar dan de moeilijkheid om dit ook weer te negeren. Prof. Van Ruler beweert, dat de belijdenis hoogst noodzakelijk Is, en wij doen hem geen onrecht, als wij menen, dat de belijdenis voor hem dan welhaast een noodzakelijk kwaad is.

Om zijn visie aannemelijk te maken, zegt hij, als ware het de meest gewone zaak in de wereld : Dat de kerk belijdt, is niet het enige wat de kerk doet. Het is zelts niet het eigenlijke. Dat zij preekt, is veel wezenlijker, (blz. 23).

Dat is moeilijk te rijmen met het boven aangehaalde. Zijn verdediging kan ook niet als geslaagd worden beschouwd. Prof. Van Ruler wil belijden tot een moment maken van het , , kerkzijn", en hij ziet nog veel meer momenten rondom de prediking : Bijv. het handelen van God zélf in, met en door Zijn kerk".

Wij vragen, wat blijft er van „kerkzijn" buiten het handelen Gods over, als wij het getuigenis der Heilige Schrift ter harte nemen en belijden, dat de kerk uit de genade Gods leeft, een schepping Zijner goddelijke barmhartigheid is?

Daarin schuilt ook de , , waarheid van de preedestinatie en het verbond", welke prof. Van Ruler tot momenten wil maken, doch, hoe wil hij daarvan zelfs kunnen spreken buiten het feit, dat de kerk er uit leeft en uit dit leven ook belijdt ?

De theologie zou over deze dingen niet kunnen spreken en discussiëren — om niet te zeggen — twisten, indien de kerk daarvan niet gewaagde in haar belijdenis !

Dan noemt hij verder : , , er wordt gedoopt en avondmaal gevierd; er is de liturgie en de arbeid in de wereld ; en onder alles door de gemeenschap der heiligen, het samen zijn in de gemeente".

Dit dus wil hij als momenten zien, naast het belijden, terwijl wij blijven volhouden, dat de kerk in en door dat alles belijdt, gelijk zij ook daarvan spreekt in haar belijdenis.

De betekenis daarvan wordt ook volstrekt niet verminderd door de volgende opmerkingen van prof. Van Ruler : , , , de kerk als getal der uitverkorenen is niet identiek met het getal der belijders, wat God met Zijn kerk doet in de wereld, is niet identiek met wat Zijn kerk daarvan weet".

Dit zijn waarheden, die niemand hem zal betwisten en wat de eerste opmerking betreft : er is maar één belijden en dat is belijden uit het leven der kerk, d.i. uit het werk Gods, waaraan de belijder deel heeft. De anderen mogen daartoe mogelijk komen, maar zolang zij tot een levend belijden niet zijn gekomen, zijn zij ook nog niet openbaar geworden als leden van het lichaam van Christus.

Wat het tweede aangaat, nergens staat geschreven, dat de kerk alles moet weten, wat God doet om toch in waarheid te kunnen belijden, wat zij weet van het goddelijk doen.

Merkwaardig is ook de opmerking van prof. Van Ruler aangaande de pasgeboren baby, welke als lidmaat der gemeente behoort gedoopt te wezen, als hij zegt, dat , , in die baby een gestalte der kerk optreedt".

Merkwaardig, niet omdat dit zo waar is, maar, omdat het zo onwaar is.

De bediening van het sacrament des doops aan die baby, is een geloofshandeling der kerk en daarom alweer belijdenis. Maar nu kan men toch niet zeggen, dat de kerk gestalte aanneemt in die baby, waarin (bovendien) het belijden der kerk schuil gaat. De kerk belijdt niet in die baby, maar in de bediening van het sacrament (in dit geval aan een baby).

De kerk belijdt in al haar handelingen, , , haar arbeid in de wereld" (ook een begrip, waarover nader dient te worden gesproken) moet vóór alles getuigen en belijden zijn in het practische leven van de Christen, waarover prof. Van Ruler spreekt, behoort naar de eis des Evangelies een levende belijdenis te zijn.

Het kan daarom wel duidelijk zijn, dat prof. Van Ruler van heel andere voorstellingen aangaande de kerk uitgaat, dan de kerk zelf in haar belijdenis. Wat de kerk omtrent haar wezen en openbaring zelf belijdt, schijnt te moeten wijken voor zijn persoonlijke inzichten en zelfs op gezag daarvan.

Hij heeft het in dit verband alweer over de waarheidsvraag, (blz. 24), en staat vrijblijvend tegenover die zin, waarin deze in de Confessie wordt beantwoord, en dat met een beroep op Hoedemaker.

Hoe wij over de waarheidsvraag denken aangaande de dingen, die ons in de Heilige Schrift geopenbaard worden, werd reeds een en andermaal door ons uiteengezet. De dingen, die ons geopenbaard zijn, kunnen voor het geloof geen aanleiding tot het stellen van de waarheidsvraag zijn. Doch wij hebben kunnen opmerken dat er voor prof.Van Ruler geen geopenbaarde dingen zijn.

Op zulk een standpunt wordt het theologiseren een ijdel bedrijf, een speculatie op de waarheidsvraag, welke haar spel drijft met de gegevens der belijdenis, zonder welke zij ook haar spel zelfs niet spelen kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Welke plaats heeft het belijden in het geheel van het kerkzijn?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's