Modus vivendi?
Bijdrage tot de discussie over het Synodale minderheden-voorstel.
Welke oplossing inzake de minderheden ?
Onze synode heeft een noodoplossing voorgesteld voor de minderheidsgroeperingen in de Kerk, die, zoals reeds eerder in ons orgaan werd uiteengezet, gaat in de richting van een , , modus Vivendi". *) Deze. naam is ontleend o.a. aan een soortgelijk voorstel in 1915, dat inhield, dat in één gemeente twee of meer gemeenten naast elkaar — of beter: door elkaar heen — zouden worden gevormd van verschillende , , richtingskleur", elk met eigen kerkeraad enzovoorts, met de Nederlandse Hervormde Kerk als louter administratieve band. Zo ver gaat het huidige synodale voorstel niet. Dat wil, dat in een , , gemengde" gemeente naast de gewone een buitengewone kerkeraad komt voor de minderheidsgroep, door deze groep onder leiding van de Provinciale Kerkvergadering aan te wijzen. Al is hier niet sprake van twee (of meer) geheel gelijkwaardige gemeenten, toch is het idee hetzelfde.
In de artikelenserie, die de thans voorgestelde noodoplossing behandelde, werd aangetoond dat deze oplossing tweeslachtig is. Aan de ene kant wordt getracht de eenheid der Kerk te handhaven zonder daarbij evenwel het middel te gebruiken dat tot een waarlijk geestelijke eenheid leidt: tuchtoefening met de belijdenis der Kerk als maatstaf; anderzijds staat men de verschillende richtingen een zekere vrijheid toe. In bedoelde artikelen werd tenslotte voorzichtig gesuggereerd, dan maar ronduit de , , modus-vivendi"-gedachte te verwerkelijken, dat is dus , , d6 co-existentie (samen bestaan) van twee (of meer) gemeenten binnen één en hetzelfde administratieve verband van de plaatselijke officiële gemeente", zoals dr Lekkerkerker het uitdrukt in Kerk en Theologie van April 1955.
Moet het zó dan wel ? Liggen de bezwaren tegen de synodale voorstellen dan alléén in de omstandigheid dat ze niet consequent opgezet en dus tweeslachtig zijn, of daarin, dat ze gaan in een richting waartegen ook van gereformeerde zijde bezwaren kunnen worden ingebracht ?
De Hervormde Kerk in wezen nog gereformeerd.
Onze Kerk draagt van oorsprong een gereformeerd karakter. Dit werd geconsolideerd in de 17e eeuw, toen met name op de Dordtse synode de strijd tegen de Remonstranten, die overeenkomst vertonen met de huidige middengroep van onze Kerk, tot een einde werd gebracht en naast de Schrift de drie formulieren als met de Schrift in overeenstemming als secundaire norm voor het kerkelijk leven werden aanvaard.
Nu weet ieder, dat deze norm, hoewel formeel nog min of meer duidelijk erkend, in de practijk in ontstellende mate aan normerende kracht heeft ingeboet. In de hand gewerkt door de zich niet met de leer bemoeiende besturenorganisatie van 1816, hebben onschriftuurlijke theologische stromingen vat gekregen op de Kerk, zo zelfs dat zij, waarvan nog gezegd kan worden dat de belijdenis der Kerk ook de hunne is, de gang van zaken in de Kerk niet meer bepalen. En zij, die wel de leiding hebben, wachten er zich wel voor om, door de belijdenis al te consequent als norm te doen functionneren, hun kerkelijke harakiri (zelfmoord) te bevorderen.
Is daarom de Kerk als geheel niet meer gereformeerd ? Wij menen dat dit wel het geval is. Door dit te stellen bedoelen wij allerminst, voet te geven aan de in het kerkelijk gesprek vaak gehoorde betuiging van de zijde van de middengroep: „Wij zijn óók gereformeerd". Het kan echter niet worden ontkend dat de belijdenis der Kerk een uitspraak vormt van de Kerk als geheel, waaraan alle kerkelijke vergaderingen en ambtsdragers gebonden zijn in hun ambtelijke arbeid, te weten het vergaderen van de gemeente van Christus ; ongeacht of zij die hand erkennen en zich daarnaar gedragen. Tegen deze bank kan te minder bezwaar worden ingebracht, omdat die belijdenis juist opkwam uit het door de Heere gewerkte geloof van de gemeente.
De schuld van het verval der Kerk.
Waar dit besef, dit mee-belijden van de belijdenis verflauwde, kan worden gesproken van het verval der Kerk. Aan wie de schuld? Natuurlijk moet hier worden gedacht aan hen, die het oor leenden aan dwaalleringen en die in de Kerk indroegen. Al bouwden zij de gebroken bakken niet zelf uit — die dat deden hadden groter zonde — zij meenden dan toch het water des levens daarin te kunnen bewaren.
Daarmee is voor velen onzer de zaak afgedaan. De gereformeerden in en buiten — onze Kerk, zo menen wij veelal, hebben zich aan dit kwaad niet overgegeven. Wij gaan vrijuit. Ons treft althans inzake de afval der Kerk een schuld.
Is.dat zo ? Wie hebben dan als groep zo aan vitaliteit ingeboet, dat de Kerk zo kón verworden? De gereformeerden ! Wie hebben hun licht zo onder de korenmaat gezet, dat zij, die niet van ons waren, zich heel best in de Kerk thuis bleven voelen en hun grote kans kregen ? De gereformeerden ! Wie zijn zó met zichzelf bezig geweest — op zichzelf hoogst nuttig en noodzakelijk — dat het gebed voor hen, die door de doop mede in het Verbond begrepen waren, verflauwde of verstomde ? Zijn het niet de gereformeerden van de nareformatorische periode, waaronder ook wij, die, zoals ds. Vroegindeweij in het Gereformeerd Weekblad eens schreef, maar zowat zijn ingeslapen, terend op de talenten die ons voorheen waarlijk niet warep. gegeven om ze te begraven!
Men noemt de secte wel de onbetaalde rekening der Kerk. Zo is de aanwezigheid en de machtspositie van de niet-gereiormeerden in de Kerk de onbetaalde rekening van hen, die het pand der vaderen hebben bewaard.
Sm.
*) Over de modus-vivendi is het laatste woord nog niet gesproken. Wij hopen daarop terug te komen in verband met een ander
artikel.
Redactie.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's