De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Modus vivendi?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Modus vivendi?

5 minuten leestijd

II.

De intolerante houding: van de leiding der Kerk...

Wij zagen de vorige maal, dat de gereformeerden in (en buiten!) de Kerk in zeker opzicht mede aansprakelijk zijn voor het verval der Kerk en voor de dominerende positie van hen, die min of meer vrij willen blijven tegenover het belijden der Kerk.

Dat de gecombineerde middengroep en linkervleugel in de Kerk in hun machtspositie allerlei dingen doen, die bijzonder onaangenaam voor ons zijn, is verschrikkelijk. Wij mogen dit niet trachten op te vangen door deze dingen zonder meer als een straf gelaten te dragen.

Evenwel zijn velen geneigd over het hoofd te zien dat de ellende, die wij ondervinden, een gevolg is van juist déze schuld. Zulken voelen er daarom voor, de spanning tussen hen, die de Heere met ons in één Verbond samenbracht, en ons, te verminderen door tussen hen en ons een min of meer grondige organisatorische scheiding aan te brengen,

Dat is alleszins begrijpelijk. Men wordt de onaangename bejegening, het wanbegrip, en de machtspositie van hen die zich daaraan te buiten gaan, zo ontzaglijk moe. De vooral in de gemengde gemeenten niet aflatende afweer, het voortdurend in een strijdpositie gedwongen worden, kunnen doen verlangen naar een adempauze, niet alleen terwille van eigen geestelijke rust, maar ook voor de daarmee samenhangende kwaliteit van de eigenlijke pastorale zorg in de ruimste zin. Men wil als gereformeerde in een gereformeerd belijdende Kerk toch zichzelf kunnen zijn. Dit wordt bevorderd door de band met de niet-gereformeerden losser te maken, aldus deze gedachtengang, temeer waar een eenheid tussen hen die niet eens geestes zijn, in diepste wezen immers toch geen eenheid is — want het is geen eenheid in het geloof.

...mag geen aanleiding zijn tot een loslaten der niet-gereformeerde groepen

Hier kan worden opgemerkt, dat het bij deze eenheid in het geloof gaat om het geloof der Kerk, waaraan de belijdenis uitdrukking bedoelt te geven. En omdat de Kerk als geheel dit belijdt, liggen ook zij die zich in hun gevoelens tegen de belijdenis afzetten en zich — indirect mede door onze schuld — aldus ongereformeerd betonen, nog altijd onder het beslag van die belijdenis.

Men kan stellen, dat een min of meer losmaken (min in het synodale voorstel, meer in een , , modus vivendi") van de hand tussen de verschillende groeperingen in de Kerk aan deze omstandigheid geen recht doet. Door aldus de niet-gereformeerden — die dikwijls buiten hun schuld hun hele leven niet gereformeerd zijn, , , 'bepreekt" — aan hun lot over te laten, wordt als 't ware de normerende functie van de belijdenis, ook voor hen, miskend.

Het kan veeleer als taak worden gezien, het appèl op het niet-gereformeerde deel der Kerk te doen voortduren, en dit appèl niet te verzwakken of te belemmeren door het trekken van ook organisatorische scheidslijnen tussen een groep die zich alles, en andere groeperingen die zich maar ten dele aan de belijdenis der Kerk gelegen laten liggen.

Hoeveel effect dit appèl sorteert of nog zal sorteren, staat niet aan ons ter 'beoordeling, doch ligt in Gods hand. Het kan ook geen invloed hebben op de aard van onze taak.

Wij moeten het aandurven, elke afwijking van de Kerk, zoals zij reilt en zeilt van het ideaal, ons in art. 27—29 N.G.B, getekend, een misstand, te noemen, ongeacht of de Kerk, aldus beoordeeld, dan ooit vrij van misstanden is geweest.

Het synodale minderheden-voorstel gaat in de richting van een legalisatie (wettiging) van deze misstanden en is daarom verwerpelijk.

Invoering van een modus vivendi kan worden opgevat als de consequente legalisatie van het verval der Kerk en moet derhalve nog minder aanvaardbaar worden geacht.

Het gereformeerde appèl.

Wij moeten ons wel bewust zijn, dat het appèl op het overige deel der Kerk niet mag opgaan in het aan dat kerkdeel zonder meer adresseren van betuigingen als : de gehele Kerk moet buigen onder het Woord; keer terug tot de weg der vaderen, enzovoorts, welke betuigingen, al te vaak in de zelfde vorm herhaald, tot gemeenplaatsen dreigen te verworden. Natuurlijk gaat het hier om voortreffelijke zaken, doch in hun gereformeerde bewoordingen spreken zij de niet-gereformeerden, voor zover zij niet Oostindisch doof zijn, niet werkelijk aan. Zij vormen dan alleen maar een appèl voor ons eigen gereformeerde gevoel, en niet in werkelijkheid.

Voor een effectief appèl zullen wij ons de moeite moeten geven, ons te verdiepen in de problematiek van deze tijd, niet alleen de predikanten, maar óok de niet-theologen om daardoor onszelf met de rest van de Kerk en ook met de buitenkerkelijken te kunnen confronteren, zodanig, dat wij ook door hen werkelijk begrepen worden. Wel blijft ergens een drempel, die door gebrek aan geestverwantschap moeilijk te overschrijden blijft; deze moet door ons echter zo laag mogelijk worden gehouden. Waar dr. Jonker een en ander al enige tijd geleden in zijn artikelenserie nader heeft aangeduid, kan dit hier verder blijven rusten.

Wij willen slechts met dit aspect ten slotte terugkeren tot wat (blijkens de eerder geciteerde Kroniek van dr. Lekkerkerker in Kerk en Theologie) voor de synodale voorstellen min of meer uitgangspunt en aanleiding schijnt te zijn: de niet-gereformeerde minderheden in sommige Veluwse gemeenten. Zonder onder de indruk te raken van de wel zeer forse en wat gechargeerd aandoende omschrijving van de toestand (dr. L. spreekt van een noodsituatie) kan worden gedacht aan de mogelijkheid, daar wat meer aandacht (maar dan gereformeerde aandacht!) te geven dan tot nu toe aan de problemen die deze tijd stelt. Daarmee zou aan de middenorthodoxe minderheden, plus hun synodale beschermheren, althans deze verontschuldiging voor hun drijven worden benomen, en eventueel duidelijker worden, dat het zoals wij vrezen, in wezen gaat om de ondermijning van het gereformeerde karakter van de Kerk, ook in deze gemeenten. Bovendien zou deze ondermijning worden tegengegaan, doordat de minderheden zich met te minder recht aan de bearbeiding der Kerk in die gemeenten — die dus mede een plaatselijk gereformeerd appèl zal moeten inhouden — zullen kunnen onttrekken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Modus vivendi?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's