De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De plaats van het historische belijdenisgeschrift, in het geheel van het belijden?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De plaats van het historische belijdenisgeschrift, in het geheel van het belijden?

9 minuten leestijd

De kerk belijdt in al haar handelingen, zo hebben wij gezien, ook al vat van Ruler dat anders op dan wij. Wij kunnen dus van het geheel van het belijden der kerk spreken. De vraag is dus : , , Welke plaats neemt het historische belijdenisgeschrift, in ons geval de Drie Formulieren van Enigheid, — welke plaats nemen de Drie Formulieren van Enigheid in het geheel van het belijden der kerk in? "

Heel nauwkeurig onderscheiden kunnen wij van ons standpunt uit de vraag zo toch weer niet stellen, maar zouden wij moeten vragen: Welke plaats neemt de belijdenis der Drie Formulieren van Enigheid in het geheel van ons kerkelijk belijden in ?

Immers het belijdenisgeschrift heeft slechts een nedrige dienende functie. Wij kunnen ook een levende kerk denken, die haar belijdenis bewaart door mondelinge traditie.

Het kan daarom alleen zin hebben te vragen naar de belijdenis der Drie Formulieren.

En dan kan het antwoord kort en duidelijk zijn overeenkomstig de twee bestanddelen van het belijden, dat in de confessie wordt bewaard, n.l. in de eerste plaats het belijden als spontane functie van het geloofsleven en in de tweede plaats de kerkelijke beslissing in bestreden stukken van haar geloof.

Wat het eerste bestanddeel aangaat, blijft de „historische" belijdenis centraal voor al het handelen der kerk, omdat zij uit het geloofsleven op spontane wijze is voortgesproten, en omdat dat leven, zijnde gewerkt door Woord en Geest, zich zelf door de eeuwen heen gelijk blijft.

Wat het tweede bestanddeel betreft. De kerk heeft bij haar beslissing telkens weer betracht deze te nemen in overeenstemming met de Schrift. Deze is haar richtsnoer en deze regel des geloofs wordt krachtens het geloof zelf gezocht. De kerk heeft haar beslissingen genomen in het geloof en dus in de overtuiging, dat haar beslissing naar de Schriften is.

Zolang zij die overtuiging houdt, blijft dus ook haar beslissing van kracht.

Tenzij het geloof, dat een bepaalde beslissing genomen heeft, zelf tot het inzicht en de overtuiging komt, dat het gedwaald heeft, zal de historische belijdenis derhalve niet alleen van kracht blijven, maar ook normatief zijn voor het handelen der kerk.

Prof. van Ruler merkt op, dat de nieuwe kerkorde, spreekt van de belijdenis , , der vaderen". Dat doet trouwens niet alleen de kerkorde, maar deze uitdrukking is in de kerkorde gekomen, omdat zij geijkt is. Als de kerkorde deze terminologie gebruikt, wil zij volgens prof. van Ruler niet zeggen, dat deze belijdenis niet meer de belijdenis van de huidige kerk wil zijn.

Men kan dat zo verstaan, doch wij betwijfelen het zeer, of dat wel zo is, althans door de leidende organen zo wordt opgevat. De strijd over: , , in gemeenschap met" of „in overeenstemming met" geeft te denken. Wat bezwaar kan er zijn, indien men bedoelen zou te zeggen, dat de belijdenis der vaderen nog altijd de belijdenis der huidige kerk is, zulks ook duidelijk te zeggen en de daardoor ingesloten bin­ding aan de belijdenis ook tot uitdrukking te brengen, gelijk onzerzijds bij herhaling is gevraagd?

, , De huidige kerk is immers uit deze vaderen geboren en heeft deze weg afgelegd, waarop deze beslissingen gevallen zijn." «

Gij ziet, prof. van Ruler spreekt alleen over de beslissingen, die in de historie van de kerk genomen werden. De huidige kerk is bepaald en wordt gericht door die beslissingen, wordt verder geconcludeerd.

Tot op zekere hoogte kunnen wij dat met prof. van Ruler eens zijn, al kunnen wij de gang van zijn redenering niet beamen.

Het is juist, dat de huidige kerk niet is te isoleren van de historische kerk, maar wij zetten een vraagteken bij zijn opmerking, dat wij zelf onze geschiedenis zijn , , in het werk des Geestes".

Als wordt beweerd: dat wij in onze vaderen van de vierde en vijfde, de zestiende en de zeventiende eeuw méé beslisten, en dat toen in onze vaderen over ons werd beslist, is dat wel diepzinnig en onder zeker aspect ook waar, maar in dit verband deugt het niet!

Zonder nog aan de geest van het historisme te denken, is het juist, dat de daden van het voorgeslacht niet alleen ons raken, maar ook ons leven en bestaan beïnvloeden en zelfs bepalen en richten.! Er is ook een Schriftuurlijke gedachte in. Hebben wij niet allen in Adam gezondigd? Heeft Levi in Abraham geen tienden gegeven aan Melchizedek? (Hebr. 7:9).

Zo kunnen er historische beslissingen en handelingen worden genoemd, die nog steeds de huidige situatie bepalen.

Onze geschiedenis is de geschiedenis van de mensheid en een iegelijk onzer als lid en vertegenwoordiger der mensiheid deelt in die geschiedenis.

Het is ook waar, dat wij door onze geboorte deel krijgen aan het wel en wee dier gesohiedenis. Door de ongehoorzaamheid van één mens is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood — en de dood is doorgegaan tot alle mensen. (Rom. 5:12).

Men kan echter de pneumatische continuïteit der kerk door de eeuwen heen, niet stellen als een gegeven tengevolge van het feit, dat de huidige kerk uit , , deze vaderen", geboren is want de genade is geen erfgoed en het geloof is èen gave Gods.

De historische voortzetting der kerk wordt gedragen door de voortgang van het werk des Heiligen Geestes, waarin de pneumatische continuïteit rust. Wanneer dit werk zou ophouden, wordt de historische gestalte tot een levenloos monument.

Daarom mag men het pneumatische en historische niet zo maar vereenzelvigen.

Het werk van de Heilige Geest neemt weliswaar historische vormen aan, zoals ook het scheppende Woord Gods gestalte geeft aan de dingen. Juist daardoor worden het , , dingen". Als dat niet zo was, zouden wij zelf ook geen gestalte hebben, noch ook de dingen waarnemen of over de dingen kunnen spreken.

Ook over de dingen des geloofs zouden wij niet kunnen spreken, als de Heilige Geest daaraan geen gestalte gaf. Er is dus wel verband tussen de pneumatische werking en de historische gestalte, maar een geloof zonder die werking des Heiligen Geestes is dood en de gestalte zonder geloof is ook dood.

Het ligt derhalve voor de hand, dat het belijdenisgeschrift, zoals het daar ligt, op en voor zichzelf, dood is. Papier en inkt hebben geen geloof.

Doch wij spreken niet over het belijdenisgeschrift maar over de belijdenis, die gestalte heeft aangenomen in het getuigenis van hart en mond, hetwelk in dat geschift is neergelegd.

Het spreekt vanzelf, dat dit geschrift niet eeuwig en boventijdelijk is. Doch het spreekt haast nog meer vanzelf, dat men zulks van de belijdenis, die daarin is vervat, zo maar niet kan beweren, daar deze toch betrekking heeft op eeuwige en boventijdelijke dingen.

Wij weten dat ook de profetie voorbij gaat, nochtans blijft het Woord Gods, waaruit zij gesproken heeft en dat zij gesproken heeft, tot in eeuwigheid.

Er zullen in de belijdenis wel dingen opgenomen zijn, die voorbij gaan, maar gewis zijn er in de belijdenis dingen, die onmiddellijk betrokken zijn op de eeuwige en onvergankelijke dingen. Of zal de belijdenis van de Drieënige God niet eeuwig zijn, om slechts één voorbeeld te noemen.

Daarom ook achten wij het al te gewaagd en ten zeerste aanvechtbaar, om te zeggen, zoals prof. Van Ruler doet, dat het belijdenisgeschrift als werk des Geestes juist eeuwig en boventijdelijk is. (iblz. 29).

Prof. Van Ruler wil zich bewegen in een dynamiek des Geestes, een ingedompeld zijn in de realiteit van het leven en werken der kerk in de wereld, een voortgang van gestalte tot gestalte, van phase tot phase in de loop van het Woord door de tijd en over de aarde. Hier wordt echter veel te veel over het belijdenisgeschrift gesproken en te weinig over de belijdenis als levende adem des geloofs.

Voorts wordt gesproken van het wezen van het belijdenisgeschrift.. Maar wij vragen : Wat is dat ?

Het wezen der belijdenis is geloofsgetuigenis, geloof, dat zich in woorden uitdrukt. Doch wat moet men verstaan onder het wezen van een belijdenisgeschriit ? Voor zover het belijdenis is, is een belijdenisgeschrift getuigenis, voor zover het geschrift is, is het te boek stelling, bewaring, vastlegging.

Prof. Van Ruler spreekt van denatureren van het wezen van het belijdenisgeschrift, wanneer het als wet en statuut gaat functionneren en juridische geldigheid krijgt. Dat bezwaar is meer gehoord.

Het geschrift zegt mij, wat de kerk gelooft en wat zij in de strijd der eeuwen tegenover haar bestrijders heeft beslist. De kerk is derhalve aan het woord in de belijdenis en het geschrift kan mij onderwijzen aangaande datgene, wat de kerk gelooft en hoe zij in haar geloof tegenover haar bestrijders heeft volhard.

Doch wie wil nu afkeuren dat de kerk degenen, die haar geloof weerspreken, aan de belijdenis houdt en van haar leden eist, dat zij bij de 'belijdenis volharden zullen, tenzij zij kunnen aantonen, dat de kerk daarin dwaalt ?

Wie ook zal 't afkeuren, dat de kerk waakt over haar prediking en van de dienaren eist, dat zij de belijdenis der kerk in woord en daad eren ?

Men moet wel al te zeer worden bevangen door de ongegronde vrees voor de gestalte, welke een moderne richting kenmerkt, om de functie der belijdenis, die daaraan gepaard gaat, af te wijzen, alsof men eigenlijk over de dingen des geloofs niet in bepaalde vormen zou kunnen spreken.

Of is het niet een wonder van de scheppende hand Gods, dat de dingen, die niet gezien worden, gestalte aannemen ? En is het niet veeleer een denatureren der van God ook in de Heilige Schrift gegeven gestalte, als men de geopenbaarde dingen in een nimbus van onzekerheid en onklaarheid wil plaatsen ? '

Het komt ons ook voor, dat prof. Van Ruler aan het, , werk des Geestes", zoals hij het uitdrukt, een visie wil opdringen, die veel meer algemeen is dan wat de Heilige Schrift onder het werk van de Heilige Geest verstaat en leert.

Waar wil men heen met de zo concrete uitspraken en geboden Gods in de Heilige Schrift, die ons waarlijk niet in het onzekere laten omtrent de wil des Heeren?

En hoe zal iemand over de Heilige Schrift oordelen, die de klaarheid en zekerheid van de dingen des geloofs in de mist zet?

Na 13 Juli a.s. zal mijn adres zijn: Park Arenberg 47, te De Bilt. Telefoon 28833. Severijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De plaats van het historische belijdenisgeschrift, in het geheel van het belijden?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's