Zendingsterrein
HOE KWAM DE ORGANISATIE VAN DE KERK OP ONS ZENDINGSTERREIN TOT STAND?
III.
De Zending heeft dus tot taak de christenen de kennis der Waarheid bij te brengen. Zij heeft daarbij de volle eisen van wet en evangelie te brengen. We kunnen ook zeggen, zij heeft te brengen de drie hoofdstukken des geloofs : Ellende, Verlossing en Dankbaarheid.
Zij zal daarbij de mensen moeten duidelijk maken, dat alleen verstandelijke kennis van die drie stukken niet voldoende is. Het zal moeten worden een beleven van deze dingen.
Dit beleven der Waarheid zal tot uitdrukking moeten komen in een vernieuwde wil om naar de eis van Gods Woord te gaan leven. Dan zal men niet kunnen volstaan met iets uit gewoonte (adat) te doen. Zij, die enigszins met het Zendingswerk bekend zijn, weten dat de christenen zo dikwijls vragen om regelingen en voorschriften. En zo komt men tot een christelijke adatvorming. Heel dikwijls doen de christenen nog allerlei dingen, omdat het hun zo gezegd en geleerd werd. En tegen zulk een christelijke adat is geen bezwaar. Voor een goede gang van zaken is zulk een gewoontevorming in het dagelijks leven haast onontbeerlijk.
Maar het nieuwe leven zal tot uitdrukking moeten komen in een levende wil om graag te doen, wat God in Zijn Woord van ons vraagt.
Het beleven der Waarheid zal echter ook tot uitdrukking moeten komen in een zelfstandig handelen naar de eis van Gods Woord. Een kind zal eerst van vader en moeder leren, hoe het handelen moet. Maar straks zal dat kind, groot geworden zijnde, zelfstandig moeten leren handelen. Zo hebben de christenen op het Zendingsveld nodig onderzoek van Gods Woord, opdat zij leren : Gods Woord te gebruiken als een licht op hun pad. Zij zullen niet altoos afhankelijk mogen 'blijven van hetgeen de Zending hen voorhoudt.
De oorlog van 1940—'45 heeft hen vaak gedwongen een eigen weg te zoeken. Toen waren alle Zendelingen immers geïnterneerd. En dat men toen wel eens misstappen heeft begaan. Is geen wonder. We hebben hen daar later, toen we terug waren, meerdere malen op moeten wijzen. Maar wat zij geleerd hadden zelf te doen, mochten ze weer niet overlaten aan de Zending.
Het zelfstandig handelen van de Toradja-christenen maakten het de Zendeling niet altijd makkelijker. Maar de christenen moeten leren, onder biddend opzien tot God, en onder leiding des Heilige Geestes, het door God aan haar geschonken eigen geestelijke leven in te richten naar het Woord des Heeren. Ze moeten leren : zelf te denken, zelf verantwoordelijkheid te dragen.
Deze dingen gelden niet alleen het persoonlijk leven, maar niet minder het gemeentelijke leven.
Hiermede hebben we reeds verschillende dingen genoemd, die ons hadden bezig te honden met de zelfstandigmaking van deze Toradja-kerk. Vooral de tijd na de oorlog moesten we deze dingen goed zien en daarnaar leren werken. Maar daarmede is de taak nog niet ten einde.
Niet alleen de gemeenten, maar ook de kerk moet zelfstandig worden. De kerk moet leren zelfstandig op te treden naar binnen en naar buiten. In het bijzonder moeten de voorgangers bekwaamd worden voor de taak, die hen wacht.
We kunnen het ons zó 't beste voorstellen :
In het begin zijn de toegebrachte christenen nog gering in aantal, onervaren en nog zwak. De verantwoordelijkheid voor te nemen maatregelen berust in alles nog bij de Zending. Weinig of niets kan aan het inzicht der jonge christenen worden overgelaten.
Maar langzamerhand groeit hun aantal. Hun stem krijgt meer gewicht. Hun inzicht wordt dieper en meer getoetst aan Gods Woord. Daarom zal er aan hun inzicht meer waarde gehecht moeten worden.
Al naarmate zij uiterlijk in aantal, maar vooral inwendig, groeit naar het Woord van God, zullen zij meer verantwoordelijkheid moeten gaan dragen. Om nu hiertoe te komen werden er :
1e. Vergaderingen met de christenen gehouden.
Wanneer er op een plaats door de verkondiging van het Woord een groep christenen kwamen, dan werden die, behalve voor de godsdienstoefeningen op Zondag, ook wel op andere dagen samen geroepen om allerlei gemeentezaken met hen te bespreken. Stoffelijke zowel als geestelijke zaken werden, met hen besproken.
Dingen, die vrij geregeld ter sprake kwamen 'waren : kerkbouw, "onderhoud van eigen voorgangers en vooral adatkwesties. Deze vergaderingen werden door de Zendelingen zelf zoveel mogelijk geleid. Ze werden verslagen en de notulen werden de Zendelingen toegezonden, die zelf beslissingen nam, waarbij echter zoveel mogelijk rekening gehouden werd met de wensen en gevoelens der vergadering. Zou dat niet gebeuren, dan zouden die beslissingen geen weerklank vinden in de harten.
Waren de gevoelens of meningen in strijd met Gods Woord, dan werd getracht hen dat duidelijk te maken. Ten opzichte van de stoffelijke belangen was een conformeren met hun gevoelens wat makkelijker, maar in geestelijke dingen moest telkens weer gewezen worden op Gods Woord.
Hoe meer geestelijk leven er in een gemeente gevonden werd, hoe meer de Zendeling kon overlaten aan de beslissirigen en gevoelens der vergadering.
2e. Aanstellen van Ouderlingen en Diakenen.
Wanneer er in een groep christenen op een bepaalde plaats mensen gevonden werden met enig inzicht in de dingen, dan werden die als candidaat gesteld voor ouderling en diaken. Deze candidaatstelling gebeurde in overleg met de plaatselijke voorganger der gemeente. Daarna werden door de gemeente de ouderlingen en diakenen door de gemeenteleden gekozen.
Vooraf werd aan de gemeente duidelijk gemaakt wat de taak van een ouderling en diaken was. Welke verplichtingen zij op zich namen en daarnaast de gemeente gewaarschuwd hen te eren en hoog te achten om huns werks wil.
Door de gemeente zelf te laten kiezen, leerden zij practisch mede de verantwoordelijkheid dragen.
De ouderlingen en diakenen kwamen éen keer per maand samen onder leiding van de Zendeling en/of de voorganger der gemeente. Ook hier werden alle gemeentezaken, eventuele tuchtzaken en adatkwesties, besproken en genotuleerd. De Zendeling nam eerst nog zelf een beslissing, maar niet dan nadat advies van deze kerkeraad ingewonnen was.
3e. Aanstellen van Onderwijzers en Evangelisten.
Beiden waren helpers van de Zendeling, dus aangestelden door de Zending. De onderwijzers bezochten na schooltijd de omliggende dorpen om aan de mensen het evangelie te brengen. En wanneer er mensen waren, die christen wilden worden, dan gaven zij vaak catechetisch onderwijs. Ze bezochten met de ouderlingen zieke christenen.
Bij het almeer toenemende schoolwerk was 't de onderwijzers niet meer mogelijk een grote kring van dorpen om hun school heen te bezoeken. Daardoor werden' we genoodzaakt Evangelisten aan te stellen, die de verdere dorpen bezochten en verder de onderwijzers behulpzaam waren bij allerlei genaeentewerk.
Met deze Onderwijzers en Evangelisten werden enkele malen per jaar vergaderingen gehouden) waarop het gemeentewerk en schoolwerk uitvoerig werd besproken en toegelicht.
Door de Japanse bezetters werden alle scholen gelijk geschakeld. Alles werd openbaar onderwijs. En aan de onderwijzers werd verboden nog enig gemeentewerk te verrichten.
Door deze maatregel werden de Evangelisten de eigenlijke voorgangers der gemeenten. Zij waren het, die tijdens de oorlog de kerkeraadsvergaderingen leidden, het catechetisch onderwijs gaven en met de ouderlingen het huis- en ziekenbezoek deden. Deze Evangelisten hadden door, hun betere opleiding ook meer bekwaamheden om dit werk te verrichten.
Vóór de internering van de Zendelingen werden een vijftal van de beste Evangelisten, die al jarenlang in het werk gestaan hadden, bevestigd tot predikant. Een daad, waar we lang over gesproken en aarzelend gedaan hebben. Maar tijdens de internering zijn we God dankbaar geweest dat Hij het zo geleid had. Nu waren er op het Zendingsterrein enkele mensen met veel ervaring, die het werk zo goed mogelijk konden leiden.
En na de oorlog is er voor vele Evangelisten een aparte cursus gehouden van enkele jaren lang, waarna zij in het ambt bevestigd konden worden.
Reeds vóór de oorlog waren de verschillende gemeenten in Classicaal verband samengevoegd. Uit elke kerkeraad waren twee personen gekozen als afgevaardigden naar de Classis. Op die Classicale vergaderingen werden de gemeente- en kerkelijke zaken besproken. Deze werden vroeger door de Zendeling geleid, later door een der gekozen gemeente-voorgangers.
Op deze wijze werden de gemeenten zelfstandiger en haar voorgangers langzamerhand ingewijd in het werk, dat straks meer en meer op hen zou komen rusten.
We zouden, na dit alles overwogen te hebben, kunnen zeggen: Een gemeente is zelfstandig wanneer uit haar midden mannen voortkomen, die tot het ambt verkozen kunnen worden, 't zij met of zonder verdere opleiding, daarna in het ambt bevestigd zijn geworden.
Is nu zulk een gemeente los van de Zending? Neen, maar de verantwoordelijkheid van- die gemeente ligt dan allereerst bij haarzelvé. Droeg voorheen een gemeente bij in de regering der gemeente door haar advies te geven aan de Zendeling, nu draagt zij die verantwoordelijkheid zelf en geeft de Zending haar advies.
De Zending heeft zeker nog de plicht deze jonge gemeenten met raad en daad terzijde te staan en mag ook verwachten, dat met haar raad en daad "zal rekening worden gehouden.
Eveneens heeft de jonge gemeente recht om geholpen te worden, maar ook de plicht om naar de adviserende stem van de Zending te luisteren. Maar deze rechten en plichten worden langzamerhand zwakker.
Bij de almeer ontwakende zelfstandigheid in Indonesië na de oorlog, was het nodig, dat de Toradja-kerk haar eigen geluid liet horen. De Nederlandse Zendelingen konden toen moeilijk meer de spreekbuis van de Toradja-kerk genoemd worden. Trouwens, ze zouden als zodanig door andere kringen ook maar moeilijk worden geaccepteerd.
Mede om wat er reeds vóór de oorlog in de Toradja-landen was gegroeid onder leiding der Zending, mede om wat de Toradja-voorgangers tijdens de oorlog zelf hadden leren doen, en tenslotte mede door de almeer ontwakende zelfstandigheid, werd in 1947 de Eerste Generale Synode gehouden door de Toradja-kerk, samengesteld uit afgevaardigden van de verschillende 'Classicale vergaderingen. Daarmede was dus eigenlijk de laatste stap naar de zelfstandigheid van de Toradjakerk gedaan.
Niet, dat zij daarmede los is van de Zending. Wat boven gezegd werd van de gemeente, kunt ge ook toepassen op de Synode.
Uit de verslagen van de Synodevergaderingen der laatste jaren, kunnen we constateren, dat de Toradja-kerk zich wil houden aan Gods Woord en dat zij zelfstandig haar besluiten neemt, maar gelukkig óok, dat zij de band aan de Zending wil handhaven door nog steeds eerst advies aan de Zending in allerlei moeilijkheden te vragen.
Het gepredikte Woord van God, dat gepaard ging met de werking des Heiligen Geestes, deed een eigen leven ontwaken. En dit geestelijk leven is een eigen, zelfstandig leven. Het is niet door de predikers geschonken, maar een gave Gods. Het wortelt in de eigen ziel, waarin het werd gelegd. En dat nieuwe leven bindt mensen aan elkander, maar bindt nog meer aan God en aan Zijn Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's