Een kleine handreiking
Op een der jongste bijeenkomsten van de Confessionele Vereniging werd door een spreker de vraag gesteld: zijn wij nog confessioneel, zijn wij al confessioneel, zijn wij ooit confessioneel geweest? Ik acht dit een belangrijke vraag en hoop van harte, dat er aan de beantwoording er van genoegzame aandacht zal worden geschonken. Naar mijn bescheiden mening is het een vraag van gewicht voor een vereniging met deze naam. Mocht blijken, dat de Confessionele Vereniging voor een aanzienlijk deel niet confessioneel is, dan zou zij haar naam moeten veranderen of haar gedrag. Het is niet eerlijk, dunkt mij om zich confessioneel te noemen en het niet te zijn. Het is misschien ook niet eerlijk om zich zo te noemen terwijl men er aan twijfelt of men het wel is. Maar ik wil niet op het onderzoek in deze kwestie vooruitlopen. De bedoeling van dit stukje is om een kleine handreiking te bieden aan de personen, die deze vragen aan het bestuderen zijn. Zo met de winter hebben we alle tijd nodig voor onze eigen vraagstukken, maar met de zomer kunnen er wel eens 5 minuten voor een ander af. Het recht om in deze vraag belang te stellen zal niemand ons ontzeggen. Wij voor ons stellen er prijs op in leer en leven met alle zwakheid onder de zonen der Reformatie geteld te worden. De confessionelen willen dat ook, naar ik menigmaal hoorde en las. Daar is niets op tegen. Hoe meer hoe liever. Ik wenste wel, dat elke prediker in onze kerk — om daar nu maar bij te blijven — in de fundamenten der leer een volle zoon der Hervorming was. Niet om een partij of zo. Neen, enkel en alleen om de ere Gods en de zaligheid der zielen. Het staat voor mij vast, dat er geen ander evangelie gepredikt mag worden, dan het evangelie van Gods vrije genade in Christus Jezus, zoals we dat bij Luthèr en Calvijn vinden en dan onvervalst en onbesnoeid naar de Schriften. Wie een ander evangelie predikt, al was het een engel uit de hemel, zij vervloekt lezen we in de Heilige Schrift, waaraan immers iedere Hervormde prediker dankbaar gehoorzaam moet zijn. Het gaat er dus in de prediking niet om, dat wij aan de humanistische begrippen van breed en verdraagzaam beantwoorden. God vraagt van zijn predikers, dat zij het woord der waarheid recht snijden. Wederom volgens onze kerkorde kunnen zij dat niet doen, tenzij zij leven en prediken in gemeenschap met de Confessie. Doch nu komt daar in een de vraag in de Confessionele Vereniging op : zijn wij ooit confessioneel geweest? Die vraag werd m.i. heel terecht gesteld.
Van haar oprichting af waren er vele leden bij de Confessionele Vereniging aangesloten, die de belijdenis der kerk slechts ten dele erkenden, heb ik dezer dagen gelezen. Het lijkt mij wel in overeenstemming met de werkelijkheid. Doch dat is nu niet aan de orde. Ik hoop, schreef ik, dat de Confessionele Vereniging zelf de vraag grondig gaat overwegen of zij nog confessioneel is en of zij het ooit geweest is.. Om hen bij dit onderzoek te helpen, zou ik 'hen willen wijzen op een brief, die afgedrukt staat in deel I van het boek:
, , , Groen van Prinsterer en zijn tijd" door ds. G. J. Vos Azn.
Vos schrijft daar o.a. over het beroep, dat door de Kerkeraad van Amsterdam op dr. Meyboom was uitgebracht en het verzet, dat zich daartegen openbaarde. Daar is toen heel wat over te doen geweest. Later is daar een beroep door 's-Gravenhage op ds. Zaalberg op gevolgd. Het rechtzinnige deel van de Hervormde Kerk is door deze beroepen op vrijzinnigen in grote onrust gekomen. Men heeft van vele kanten adressen aan de Synode gezonden, om toch de leervrijheid tegen te gaan. Maar deze deed juist andersom. Zij sanctionneerde de leervrijheid. Uit die onrust en teleurstelling is toen in de zestiger jaren de Confessionele Vereniging geboren. Het is zeer verleidelijk om de tegenstelling van toen en nu uit te werken. Toen, d.i. in 1854 en volgende jaren, ontstond er een groot verzet in Nederland tegen de beroeping van vrijzinnige predikanten in de grote steden. Uit dat verzet werd de Confessionele Vereniging geboren. Honderd jaar later ijveren vele leden van die vereniging voor het beroepen van vrijzinnige predikanten in de grote steden. Dat is op zijn minst genomen merkwaardig. De vraag mag wel worden gesteld : zijn we nog confessioneel ?
Maar ik moet nu bij mijn brief blijven. Vos. schrijft er op blz. 384 van genoemd boek over, hoe verdeeld de broeders waren, die opkwamen voor de verbindende kracht der kerleer.
, , Hoofdzaak en wezen der kerkleer" werd nog al verschillend opgevat, zodat er soms niet eenmaal de troostvolle leer der persoonlijke uitverkiezing tot zaligheid onder begrepen werd, die er toch onmiskenbaar toe behoort, terwijl allerlei gevaarlijke beginselen, schoon meestal te goeder trouw, gedekt werden met die woorden, op zich zelf een leus van waarheid en eerlijkheid, maar uit haar historisch verband gelicht, bedriegelijk ; van 'Groens , , onbekrompen" werd niet zelden een dubbelzinnig gebruik gemaakt". Vos stelt, dat die verdeeldheid er in 1854 reeds was. Hij voegt nu een brief in uit 1866, die hij zeer belangrijk acht en voor hem een openbaring is van de verdeeldheid, die er 12 jaar geleden reeds was. Het is een brief, die ondertekend is namens het Hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging van Vrienden der Waarheid. Het is leerzaam, om de strijdpunten van die dagen even na te gaan. De toenmalige redacteur van het , , 'Kerkelijk Weekblad" heeft geschreven, dat de vereniging kenmerkt , , een bijzondere vooropstelling van het leerstuk der uitverkiezing".
Ik meen, dat zo'n verwijt ook wel eens tot de lezers van „De Waarheidsvriend" wordt gericht. Hoe kan er in bijkans 100 jaar zo weinig veranderen. Wat antwoorden deze Vrienden der Waarheid? Dat de leer en de rechten der kerk de grondslag van de werkzaamheden hunner vereniging zijn en dat tot die leer zowel het leerstuk der uitverkiezing als alle andere behoort. 'En dan komt een 'belangrijk zinnetje dat de midden-orthodoxie van onze tijd eens moest overwegen: , , Nu houden wij ons verzekerd, dat op kerkrechtelijk gebied geen eerlijke strijd te strijden is, dan op grond van de onverminkte belijdenis".
Men had in die tijd ook een Friese Vereniging van Vrienden der Waarheid naast de Nederlandse. De eerste had in haar Statuten wel de Geloofsbelijdenis en de Catechismus genoemd, doch niet de Dordtse Leerregels. Een vereniging tussen die beide was, volgens onze brief, hierop afgestuit: , , de predikanten in het Hoofdbestuur der Friese Vereniging voor de leer der Algemeene Verzoening zijnde, vreesden zij met de Amsterdamse broeders (later de Nederlandse) in aanraking te komen, daar deze de leer der 'bijzondere verzoening toegedaan waren".
De Friese Vereniging van Vrienden der Waarheid wilde echter gaarne met de Confessionele Vereniging samen doen. Na deze dingen volgt er een zeer ernstig verwijt, een zeer zware beschuldiging aan het adres van de Confessionele Vereniging:
, , Het is toch van algemeene bekendheid 'dat niet alléén enkele leden, maar én het ganse hoofdbestuur èn de voornaamste woordvoerders, èn verreweg het meerendeel der predikante'n van de Confessionele Vereniging de leer der Algemeene Verzoening voorstaan, en door nu nochtans de schijn aan te nemen van de ganse belijdenis der kerk te erkennen, hebben deze leraars zich in een oneerlijke positie voor de gemeente gesteld, niet anderen, maar zijzelven hebben zich verdacht gemaakt; talloze jaren is de gemeente misleid door mannen.die rechtzinnige klanken gebruikt hebben, om onrechtzinnige leerstellingen in de gemeente ingang te doen vinden.
Daarbij is de grondslag van de zogenaamde Confessionele Vereniging gekaracteriseerd door het zeer rekbare woord van onbekrompene instemming; dat deze opvating van dit woord niet onjuist is, bevestigt ons de geschiedenis der samenstelling dezer vereniging. Haar allereerste vergadering is zonder publieke oproeping van alle rechtzinnige predikanten geschied; men heeft alleen geestverwanten uitgenodigd en alzo aan bekende orthodoxe leraars de gelegenheid benomen daar tegenwoordig te kunnen zijn ; terwijl zich op het ogenblik leraren in deze vereniging bevinden, die in nog meerdere punten van , de gereformeerde leer afwijken dan in dat van de bijzondere verzoening.
Onze brief legt dan verder de Confessionelen ten laste, dat zij een nieuwe Vereniging heibben opgericht, terwijl er reeds een bestond met hetzelfde doel. Het voornaamste bezwaar blijft echter, dat deze Confessionelen niet zijn wat zij voorgeven te zijn. , , Wij gevoelen ons gedrongen uw Eerw. ernstig te betuigen, dat wij geen heil verwachten van 'bedekte lieden". (Psalm 26 vs. 4)".
Voor het feit, dat de Confessionele Vereniging in haar eerste twee levensjaren weinig sympathie vindt, geeft de brief deze oorzaak óp : „Men is niet, wat men schijnt te zijn, homogeen in de leer".
Wij resumeren even. Dr. Vos acht deze brief zeer belangrijk en blijkbaar een juiste weergave van de verhoudingen. Daarin wordt gesteld, dat de Confessionele Vereniging in de meerderheid van haar leden van de Confessie afweek. De vraag, die men zich op een
bijeenkomst van de Confessionele Vereniging in 1955 stelde, luidde: Zijn wij ooit Confessioneel geweest? Op grond van deze nuchtere constatering zou men moeten antwoorden: Neen, gij zijt nooit Confessioneel geweest. Maar het kan zijn, dat deze brief van mannen afkomstig is, die de zaak niet goed zagen. Daar is misschien maar een enkele geweest, die de leer der Algemene Verzoening aanhing. En hoe staat het daar op heden mee ? Ik hoop, dat men bij de Confessionele Vereniging iets aan mijn kleine handreiking heeft en de beschuldiging van deze brief voor toen en nu -grondig onderzoekt. Mocht dan blijken, dat de Confessionele Vereniging nooit Confessioneel geweest is en het nóg niet is, dan zou ik wensen, dat zij het werd. Maar als men daar beslist niet van horen wil, dan lijkt het mij beter, dat zij haar naam verandere, want dan werkt die naam misleidend, zoals reeds bovengenoemde brief terecht aangeeft. Wat zou men denken van de naam :
Middenorthodoxe ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's