De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OVER HET HERDERLIJK SCHRIJVEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OVER HET HERDERLIJK SCHRIJVEN

Enkele opmerkingen

9 minuten leestijd

Na hetgeen in vorige artikelen gezegd is, kunnen we kort zijn over het schrijven zelf, vermoed ik. We zullen hierin terug kunnen vinden de opvattingen van de leiding gevende groep in de Ned. Hervormde Kerk, de z.g. middenorthodoxie. Zijzelve is niet bijzonder op deze benaming gecharmeerd. Ik voor mij zou nog wel een andere naam willen voorstellen, n.l. moderne orthodoxie, omdat hierin wordt uitgedrukt, dat er in de leer dezer groep zowel elementen der orthodoxie als elementen van hèt modernisme verwerkt zijn. Ik vrees echter, dat deze naam nog minder op prijs gesteld zal worden. Hóe dit ook moge zijn, laten we beginnen even aan te wijzen, waar deze opvatting der middenorthodoxie te vinden is.

Dit begint al onmiddellijk in hoofdstuk II, waar het christen zijn in een scherpe tegenstelling wordt gezet tegenover een levens- en wereldbeschouwing. Het christen zijn is een wijze van zijn, wordt ons hier geleerd. Ik zal het niet ontkennen, maar er moet méér gezegd worden. De Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt hier duidelijker taal: Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, en dan volgen er niet minder dan 37 artikelen. Dit bewijst, dat het christen zijn volgens onze kerk der reformatie, nog wat meer in­ houdt dan een wijze van zijn, of laat ik het misschien beter zó zeggen, dat deze wijze van zijn veel meer inhoudt dan de Synode ons hier voorhoudt. Dat deze wijze van zijn, hart en hoofd beheerst en daardoor brengt tot een christelijke levens- en wereldbeschouwing. Volgens de Ned. Geloofsbelijdenis houdt dit geloof, deze wijze van zijn, óok in; dat de Heilige Schrift van Genesis tot Openbaringen wordt aanvaard als Gods Woord. De Ned. Geloofsbelijdenis zegt: Alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en kanoniek, om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is. Het is voldoende algemeen bekend dat men in de kringen der midden-orthodoxie hier anders over denkt dan onze gereformeerde vaderen. En dit verschil in uitgangspunt brengt met zich mee een verschil in opvatting ten aanzien van de inhoud van het christen zijn. Er is verschil in dogmatiek en er is ook verschil in ethiek.

In hoofdstuk II komt ook de antithese ter sprake. Deze wordt m.i. op weinig bevredigende wijze behandeld. Ik zie me daarom genoodzaakt hier nog eens te herhalen, wat ik al eens eerder schreef. Wanneer we spreken over DE antithese, komen onmiddellijk allerlei vragen en misverstanden voor de dag. Zij worden al onmiddellijk veroorzaakt door te spreken over DE antithese; over het begrip „antithese" kan n.l. in verschillend opzicht worden gesproken.

De Heilige Schrift leert ons op onderscheiden plaatsen een antithese. Wanneer wij lezen Joh. 6 vs. 36 en 37, 44; 1 Joh. 5 vs. 10, Joh. 3 vs. 36, dan maken wij hierin kennis met een antithese, welke als geestelijke antithese kan worden aangeduid. Ook hieromtrent bestaat veel misverstand. Sommigen menen —geheel ten onrechte — dat deze zo ongeveer samenvalt met een tegenstelling tussen aan de ene kant de kerkmensen en aan de andere kant de nietkerkmensen. In feite gaat het echter in de diepste zin om geloof of ongeloof, Jacob en Ezau, in Christus ingelijfd of niet ingelijfd. En deze scheidslijn loopt midden door alle kerken en door de gehele wereld. Onze vaderen zeggen in art. 29 der Ned. Geloofsbelijdenis :

„Wij spreken hier niet van het gezelschap der geveinsden, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn, en ondertussen van de Kerk niet zijn, hoewel zij naar 't lichaam in dezelve zijn". Ook zij erkennen hiermede, dat de scheidslijn door de kerk loopt. Maar óok zeiden zij : , , De kerk ziet het hart niet aan", m.a.w. de kerk is niet bij machte te beoordelen wie tot deze geveinsden gerekend moeten worden. Dat weet God alleen! Ik ben er niet helemaal zeker van, dat deze scheidslijn door de gehele midden-orthodoxie erkend wordt en dat maakt het dubbel moeilijk over deze zaak tot overeenstemming te komen.

Dr. Abraham Kuyper heeft gemeend op de basis van deze godsdienstige antithese een staatkundige antithese te kunnen opbouwen. Uit het voorgaande zal het duidelijk zijn geworden, dat dit ernstige bezwaren met zich brengt uit hoofde van het geestelijk karakter der antithese. Maakt men van deze godsdienstige antithese een staatkundige, dan moeten de opvattingen over het geestelijk karakter ernstig schade lijden en wel zeer vervlakt worden, hetgeen de ervaring trouwens ook wel geleerd heeft. Daar komt nog bij, dat dr. Kuyper deze beschouwing aanvankelijk nog verbond met de leer van de neutrale overheid, als zijnde gegrond in de gemene gratie, waardoor het christelijk volksdeel weliswaar in het centrum kwam te staan om zorg te dragen, te redden wat nog viel te redden, maar waardoor in feite het protestants-christelijk karakter der natie in principe werd prijsgegeven. Daartegenover moet de eis gesteld worden, dat geheel het volk zich aan het gezag van het Woord Gods heeft te onderwerpen. Betekent dit nu, dat wij blind moeten zijn voor de feiten? Groen van Prinsterer heeft ons dit wel anders geleerd. De beginselen der Franse revolutie zijn in het einde der 18e eeuw en in het begin der 19e eeuw in ons land doorgedrongen en hebben in meer of minder gematigde vormen grote aanhang gevonden. Het goddelijk gezag der overheid werd ontkend, de godsdienst werd verklaard privaatzaak te zijn, waarmede de overheid niet van doen had. Een 80-jarige schoolstrijd moest worden gevoerd om de school met de bijbel gelijke rechten te verschaffen als de z.g.n neutrale overheidsschool, waarin — behoudens enkele uitzonderingen — het Evangelie niet meer mocht worden gebracht. Op deze wijze werden de eisen van Gods Woord met voeten getreden en hebben zij, die deze eisen in het staatkundige leven als richtsnoer willen gebruikt zien, zich wel móéten aaneensluiten om dit doel te bevorderen. En zo kunnen wij wel zeggen dat er een zekere staatkundige antithese ontstaan is, maar dit was een gevolg van het feit, dat andere groeperingen en partijen rechtstreeks tegen de eisen van de Heilige Schrift ingingen.

En zoals dit op het terrein van de politiek en de school is gegaan, is dit ook het geval geweest op het terrein van het maatschappelijke leven, o.a. in de arbeidersbeweging. Op deze wijze is er in de practijk van het leven een practische antithese aan de dag getreden, waarvan wij onmiddellijk willen erkennen, dat zij niet samenvalt zonder meer met de geestelijke antithese, maar welke om der wille van de doorwerking van de Schriftuurlijke eisen en gegevens niet vermeden kon worden.

In navolging van de N.V.B, wil de Synode ook thans aan de strijd der vaderen in de 19e eeuw wel vriendelijke woorden wijden, zowel op politiek- als op school- en maatschappelijk terrein, maar zij acht, dat thans de tijden veranderd zijn. Zij geeft duidelijk haar sympathie te kennen met de gedachten der doorbraak, maar legt deze niet op. Ze geeft de vrije keuze aan de gemeenteleden : algemene organisaties of christelijke; P.v.d.A. of confessionele partij. Ik wil gaarne aanmemen, dat het niet in de bedoeling heeft gelegen enige partij aan te bevelen op politiek terrein. In de historisch ontstane situatie is het echter in feite een aanbeveling van de doorbraak, evenzeer als het synodale standpunt inzake de school in de practijk gehanteerd wordt als een aanbeveling voor de openbare school en een afbraak van de christelijke school.

De meeste kerkelijk meelevenden staan nog steeds op het standpunt, dat het christelijk politiek beginsel 't beste nagestreefd kan worden in eigen politieke confessionele partijen. Als de Synode nu onder invloed van Barth te kennen geeft, dat het ook best anders kan, kan dit aleen maar dienstig zijn aan de doorbraak. Hooggeleerden mogen er boos over worden, dat dit een apologie van de doorbraak genoemd wordt; er is voor deze boosheid geen reden, want de doorbraak wordt er zwaar in verdedigd.

Dit wordt nog verergerd door de paragraaf, waarin gesproken wordt over de zonde der vereenzelviging. Om concreet te zijn: wij menen, dat het best de christelijke eisen voor het staatkundige leven verwerkelijkt kunnen worden door middel van een confessionele partij, en wij menen óok, dat degene, die er anders over denkt, dwaalt. Als ik het goed begrepen heb, mag ik dit volgens de Synode niet meer zeggen, ja, zou dit zonde zijn! Ik wil wel bekennen, dat ik dit de meest ergerlijke en meest onbijbelse uitdrukking in dit schrijven vindt. Waarom?

Vooreerst, omdat hieruit blijkt, welk een oppervlakkig zondebegrip de Synode er op na houdt. De Catechismus denkt er wat anders over: De mens is van nature geneigd God en zijn naaste te haten; hij is zó verdorven, dat hij ganselijk onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. De zonde is vijandschap tegen God,

Vervolgens, omdat een specifieke midden-orthodoxe beschouwing hier vereenzelvigd wordt met de eisen der Schrift. Als ergens de ware aard van dit schrijven aan het daglicht treedt, dan is het wel hier. De Synode valt hier zelf in de fout, die zij bij anderen wenst te bestrijden.

Wie op de hoogte is van de politieke beschouwingen van Barth, zal voorts in hoofdstuk III de invloed van hem zéér duidelijk kunnen onderkennen. .

De houding, die volgens de Synode aangenomen moet worden ten opzichte van de verzorging van de mens door de humanisten, nl. dat aan dezen geen moeilijkheden in de weg gelegd mogen worden, is wel volstrekt onbijbels. De overheid zou dus de afgodendienst met rijksgeld moeten steunen, want dit is het in feite. Terwijl n.b. het gehele Oude Testament een waarschuwing en strijd tegen de afgodendienst is! Dit heeft met de bijbel niets meer van doen, maar is je zuiverste liberalisme. In het licht van het manifest van de N.V.B. van 1945, waarin humanisten en anderen worden opgeroepen tot samenwerking, is dit heel duidelijk!

Dit herderlijk schrijven, dat doortrokken is van de geest van de doorbraak, is voor mij onaanvaardbaar. Ik wenste, dat het anders was, maar ik vrees, dat het voorshands niet anders zal worden.

Ik heb bij Calvijn gelezen, dat het de zichtbare kerk was, waartegen Micha alleen weerstand bood. Het was de zichtbare kerk die zeide : Komt, laat ons raadslagen smeden tegen Jeremia (Jer. 18). Ten slotte was het de zichtbare kerk, het college der priesters en het concilie, die zich tegen Jezus Christus verzamelde. (Joh. 18). In deze woorden van Calvijn wordt alzo de principiële vrijheid gesteld om uitspraken der zichtbare kerk te critiseren en eventueel af te wijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

OVER HET HERDERLIJK SCHRIJVEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's