Indrukken van de lezing van dr. H. Berkhof over „De Volkskerk en de Gereformeerde Bond”.
III.
Wij zagen in de vorige artikelen dat dr. Berkhof in zijn causerie als karakteristieke punten van de Gereform, Bond behandelde: het kerkpolitieke standpunt, de houding ten aanzien van de belijdenis en de bevinding; van welke hij het laatste het meest positief waardeerde. Om tot een oplossing te komen van het probleem, dat dr. B. de Geref. Bond acht te zijn, gaf hij enkele suggesties.
Tot slot willen wij nu van zijn beschouwingen een beoordeeling trachten te geven, omdat ze voor onszelf van belang kunnen zijn, maar óok, omdat wat dr. B.in het algemeen te berde brengt, in 'de middengroep der Kerk veel gezag heeft, en het van betekenis is, dat de middengroep der Kerk via dr. B. zich een juist beeld kan vormen van wat ons beweegt.
Allereerst valt dan op een frappante verandering in zijn waardering van de prediking van de Geref. Bond. In zijn , , Crisis der middenorthodoxie" (1952), waarin hij aan de Bond toch stellig geen onwelwillende aandacht schonk, heette het nog dat de mens in de gereformeerde prediking in het middelpunt staat. Nu valt hij dezelfde prediking bij, waar die, zoals hij zegt, priesterlijk naast de mens gaat staan, terwijl hij waarderend spreekt over de oude schrijvers. Zijn bezwaren liggen nu in het vlak van: te veel dit, te weinig dat, zijn dus meer kwantitatief geworden, terwijl ze vroeger meer de kwaliteit betroffen. Misschien kan dit een grond zijn voor de hoop op een zich verder ontwikkelend begrip.
Hieruit moet evenwel niet worden afgeleid, dat dr. B, gereformeerder wordt. Hij is en blijft iemand van de middengroep, die echter waardering verdient om zijn pogingen, de middengroep in de Kerk, zichzelf incluis, oog te doen krijgen voor gereformeerde waarden. Zijn middenorthodoxe houding blijkt evenwel hieruit, dat hij die waarden beschouwt als , , aspecten" van een dieper liggende Waarheid, die de middenorthodoxie slechts als een donum superadditum (een , , extra") hoeft te assimileren (opnemen) om tot een meer volwaardige, afgeronde , , modaliteit" te worden dan ze nu is. Hij waardeert de Geref. Bond als de , , modaliteit" die de leverancier is van deze waarden, doch verder komt hij voorlopig niet. Zo blijven bij hem de , , modaliteiten" naar liberale trant gelijkwaardig naast elkaar staan. Wel is hij bereid — in tegenstelling met zijn vrienden van de middengroep en met zijn politieke vorige-eeuwse tegenhangers — dit liberale principe zo ver door te zetten, dat hij naar de Geref. Bond wil luisteren zelfs al , , kost dit ons (de middenorthodoxie) huid en haar".
Dat is het sympathieke in dr. B.; niet zozeer, dat wij zo de kans krijgen hem en de middengroep onzer Kerk met huid en haar op te peuzelen, maar dat hij de mogelijkheid opent tot een eerlijk gesprek, dat niet, zoals het ook door de middenorthodoxie wel gewenste gesprek, a priori uitgaat van de wederzijdse erkenning van het gelijke recht der gesprekspartners.
Over de vergelijking van de Geref. Bond met de communisten in de Kamer kunnen wij kort zijn. Dr. B. heeft dit niet kwetsend bedoeld, maar zoals uit het verband en uit een schrijven van dr. B. aan het Gereformeerd Weekblad kan blijken, om aan te duiden dat ook de Geref. Bond uit principe vaak neen moet zeggen, Het is jammer, dat juist de christelijke pers de zinsneden in kwestie zó vervormde, dat ze zoveel nodeloos stof deden opwaaien.
Kunnen wij voor dr. B.'s beoordeling van de bevinding in de prediking slechts waardering hebben, wij ontkomen niet aan de indruk dat hij onze houding ten aanzien van de belijdenis niet weet te peilen. Bij de bespreking daarvan merkt hij op, dat de Geref. Bond de confessionelen en de Geref. Kerken beide verwaterd zou achten, omdat er een verschuiving in de belangstelling zou zijn van de belijdenis naar , , andere vragen", cultuurproblemen e.d. Deze analogie met de Geref. Kerken lijkt ons niet gelukkig. De beoordeling als , , verwaterd" hangt voor hen samen met enerzijds het daar optredende secularisatie (verwereldlijkings)proces, anderzijds met de prediking, die door hun Verbondsbeschouwing is scheefgetrokken. Dit kan daarom verder blijven rusten.
Het bezwaar tegen de confessionelen is echter, dat door hen de confessie niet meer serieus genomen wordt. Men veroorlooft zich vrijheden tegenover die confessie, die ook in de prediking doorwerken. Tekenend is in dit verband de houding, die dr. B. in het eerste discussiepunt aannam tegen een suggestie van kennelijk reohts-confessionele zijde, samen met de Geref. Bond de drie formulieren op tafel te brengen en de hele kerk daartoe terug te brengen. Dit zou evenwel volgens dr. B. niet voldoende basis zijn voor samenwerking.
Wij zouden niet weten waarom niet. Wat moeten wij zoeken achter de ontkenning van deze samenwerkingsmogelijkheid ? Voelt dr. B. hier een scheiding dreigen tussen een kleine rechtsconfessionele minderheid, die om zijn loyaliteit ten opzichte van de drie formulieren wel bereid is tot samenwerking, en de hoofdgroep der confessionelen die de middenorthodoxie vrijheid ten aanzien van de belijdenis prefereert? Het klinkt heel , , breed", als dr. B. suggereert, dat de confessionelen zich zouden afvragen: , , inderdaad, de belijdenis ; maar wat doen wij met de mensen", op ons maakt het echter de indruk, dat een juister typering zou zijn : , , neen, niet de belijdenis, maar de mensen". Dr. B. heeft zelf, zo zegt hij, op bepaalde punten tegen de belijdenis bezwaren, m.a.w. hij zou de belijdenis anders willen zien. Als hij dan in een uitbouw van de belijdenis door of mede door de Geref. Bond een toenaderingsmogelijkheid ziet, dan vrezen wij, dat hij in stilte hoopt dat de belijdenis met dat meer tegelijk ook anders zou worden, meer aanvaardbaar voor de niet-gereformeerde theologie, die zich nu, hoewel wezens-vreemd aan de Kerk, in de Kerk breed tracht te maken.
Ook blijkt uit het beeld van dr. B. van de verschuiving in de belangstelling van de belijdenis naar „andere vragen" — is de belijdenis dan een vraag? —, dat men de 'belijdenis in nevenschikking plaatst met de „andere problemen". De Geref. Bond is in principe niet tegen een aanvatten van die „andere problemen", maar wil ze dan als bij Calvijn vanuit de belijdenis behandeld zien, dus in onderschikking. De Bond komt daar gedeeltelijk niet aan toe — het is trouwens een taak van de gehele Kerk —, maar vreest voor een ander deel ook, betrokken te raken in een behandeling van de vragen los van de belijdenis, zoals de rest van de Kerk dit doet. Dit is geen blokkering van de zaak der Kerk, zoals dr. B. stelde, maar van de zaak der middenorthodoxie. Een en ander dwingt ons, de binding aan de belijdenis zó te beklemtonen, dat men (zelf vervreemd van, naar wij vrezen, het geloof van de belijdenis) dit ten onrechte als een achternalopen van een vaandel gaat zien. Deze uitdrukking doet geen recht aan onze visie, dat de belijdenis niet maar een symbool is, maar expressie van het geloof. (Dr. Jonker, , , De Waarheidsvriend" van 1951), dat de heiligen is overgeleverd, en dat uit dien hoofde het bewegelijke karakter mist dat de middenorthodoxie er hardnekkig aan wil toekennen om zelf binnen de grenzen van de Kerk als geioo/sgemeenschap te kunnen blijven vallen.
De hier uitgesproken bezwaren sluiten niet uit, dat wij een grond van waarheid kunnen voelen in tal van opmerkingen aan ons geadresseerd.
Natuurlijk behoeven wij die niet alle te herhalen. Slechts zouden wij de waarschuwing willen memoreren tegen de , , objectieve onderwerpelijkheid", die dr. B. aanhaalde van ds. I. Kievit Sr. Daarmee is dus hedoeld dat gepreekt wordt niet vanuit de 'bevinding, maar over de bevinding, beschrijvenderwijs dus. (Zie Van Sliedregt, Het eigen geluid in de prediking, 1952). Met name zouden wij naar aanleiding daarvan willen wijzen op de mogelijkheid, dat sommige gemeenten dit kwaad in de hand werken doordat zij niet beseffen, dat het rechte pastorale preken een charisma (gave) is, waarbuiten een prediking mogelijk is, die nog niet zo rijk vanuit de bevinding weet te spreken (b. v. bij jongere predikanten), maar waarbij toch blijkt, dat er een levend geloof achter staat. Men moet daar dan tevreden mee zijn en niet door meer te willen de predikanten in kwestie in de verleiding brengen, door een onnatuurlijk gebruik van bevindelijke termen en schabionen een zekere bevindelijkheid suggereren. Men kan die niet in de preek al of niet , , inleggen', de preek kan er eventueel door worden gedragen.
Ten slotte : het is al met al nuttig, dat dr. Berkhof door zijn referaat ook ons een spiegel heeft voorgehouden, ook al is die spiegel niet altijd vlak, waardoor hij wel eens het effect heeft van een lachspiegel. Dat is niet zo erg. Strips in kranten, zogenaamd bestemd'voor kinderen, kunnen ook menselijke gebreken naar voren halen die wij zonder de lachwekkende vorm niet zouden herkennen. Dat iemand als dr. B., wiens eerlijkheid boven alle twijfel is, ons de spiegel voorhoudt, maakt dat wij het , , nemen", en dat wij bij kleinere of grotere ontsporingen van zijn kant tegen elkaar kunnen zeggen : , , niet schieten, jongens, de man doet zijn best".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's