De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gij badt op eenen berg alleen....

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gij badt op eenen berg alleen....

8 minuten leestijd

En toen Hij de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op de berg alleen, om te bidden. En toen het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen. Mattheüs 14 vers 23.

De gehele dag is de Heere Jezus aan de arbeid geweest. Zieken heeft Hij genezen, een grote schare gespijzigd; de arbeidsdag was zwaar.

En nu het avond wordt, laat de Heiland de mensen van Zich gaan. Ook Zijn discipelen zendt Hij heen, ze gaan in een schip en steken af naar de overzij van het meer.

Alléén blijft de Heere Jezus achter. En in de avondlijke stilte klimt Hij naar de hoogte van een 'berg. Hier, in de eenzaamheid, ver van het gewoel der mensen, hier wil Hij nu bidden.

Na de drukke arbeid begeert Hij de afzondering om Zichzelf hiddend te sterken in de gemeenschapsoefening met Zijn hemelse Vader.

En in dat gebed zal Hij zeker ook Zijn discipelen gedachtig zijn, die onder 't geweld van wind en golven moeten worstelen met doodsgevaar. Straks zal Hij naar hen op weg gaan, wandelende op de zee, maar nu is het Zijn, behoefte om biddend met Zijn Vader te verkeren.

Merkwaardig, de Heere Jezus, die vóór en na zoveel had te arbeiden, zoekt toch welbewust gelegenheid en tijd voor het gebed. Dat is voor ons wel zeer behartigenswaard. Immers doen wij juist graag een beroep op ons druk bezette leven, om daarmee veel gebedsverzuim verontschuldigd te achten. Bij de Heere Jezus is 't anders : de drukke arbeid weerhoudt Hem niet, maar grèeft Hem juist temeer aanleiding om de gebedsgemeenschap met Zijn Vader welbewust te zoeken.

Zo roept de biddende Heiland ons allereerst tot beschaamdheid over onze traagheid tot het gebed. Ons vele werk moest nooit een excuus zijn om in het bidden te verslappen, maar veel meer een prikkel om het gebed zeer nodig te hebben en met overleg de tijd daarvoor uit te kopen.

Heeft de confrontatie met de biddende Heiland onze ziel met beschaamdheid vervuld. Zijn bidden mag toch ook tot rijke vertroosting zijn voor het schuldbeladen hart. Immers óók in Zijn bidden verzorgt Hij ónze zaak. Zijn gebed is de ademtocht geweest van het Werk, dat Hij als Sions Borg kwam werken. Biddend heeft Hij zich aan de Vader gehoorzaam bewezen, biddend heeft Hij als Hogepriester het grote schuldoffer gebracht. Biddend heeft Hij zijn zware Middelaarsstrijd gestreden, 'biddend heeft Hij" die strijd voor eén schuldig volk volbracht. En als Hij in het diepste dal van Zijn lijden om Zijn , , Eli, Eli" nog bespot wordt, en misduid in het aanroepen van Zijn God, dan betaalt Hij daarin borgtochtelijk de tol voor zoveel ijdel roepen van de Zijnen, maar Zelf blijft Hij tot het eind in Zijn bidden getrouw: , , Vader, in Uw handen 'beveel Ik mijn geest".

Zó heeft Hij in leven en in sterven 'biddend de zaak van Zijn schuldig Sion bezorgd. En die biddende Heiland mag nu aan arme zondaren worden voorgesteld als de Waarheid en de Weg ook in het leven des gebeds. Zijn bidden was reukwerk voor het aangezicht des Vaders. Wat zou óns bidden zonder Hem? Ik laat nu maar daar, dat veel bidden niet anders is dan een spreken van woorden, zonder dat het hart er achter staat. Maar ook als wij waarlijk voor het aangezicht des Heeren alleen zijn om te bidden, ach, wat hangt ons dan nog altijd 't stof der wereld aan. En wat rijzen onder ons bidden soms schrikkelijke gedachten op in ons hart. Wat brengen wij vaak een onheilig vuur op het altaar des gebeds, wat hidden wij menigmaal kortzichtig, al teveel op ons zelf aan, al te weinig op de Heere aan.

Moest de Heere ons aannemen om de waardigheid van ons bidden, geen enkel gebed zou verhoring ontvangen. Dwaze waan, als zouden wij in onszelf met ons bidden voor de Heere bestaan kunnen; wij komen er voor eeuwig bedrogen mee uit; wij zetten onszelf een kroon op, die ons niet toekomt en wij halen er Jezus de kroon mee van het hoofd.

Ons staat geen andere weg open dan in Jezus' naam tot de Vader te gaan. 'Gode zij dank, de weg is voor schuldigen gebaand. Wij behoeven op de berg des gebeds niet te naderen in eigen naam, wij mogen er naderen achter Jezus : , , Hoor ons, o God, om Jezus' wil. Zie ons niet aan in onszelf, noch in het gebrekkige van ons bidden, maar neem ons aan in ons gebed als kwam het uit de mond van de Heere Jezus".

Werpen wij zo in het naderen tot de Heere al onze eigen waardigheid weg, wij mogen nochtans vertrouwen dat Zijn Vaderlijk hart voor ons, arme zondaren, zal openstaan, waar wij tot Hem komen in de naam van Zijn lieve Zoon, Die in ons vlees als Borg geleden heeft en die nu als onze oudste Broeder, hoe hoog Hij ook in heerlijkheid verheven zij, toch nog altijd aan ons denkt en met de kracht van Zijn offerande nog steeds voor al Zijn armen en ellendigen 'bij de Vader tussentreedt.

En waar de Vader in dat werk van Zijn Zoon Zich verlustigt, zal Hij ook een Hoorder der gebeden zijn voor allen, die door de Geest der genade en der gebeden tot Hem gaan in Jezus' Naam. Wat is dat groot: voor zulke onwaardigen, voor zulken, die tobbers en stakkers zijn ook in de gebeden, tóch verhoring. Om Jezus' wil! Om Jezus' wil verhoring, ook voor u, wanneer gij uw knieën voor de Heere huigt en arm en ellendig tot Hem gaat, om in smart van uw ziel over uw niet-kunnenbidden, de Here in Jezus' naam te vragen : „Ach, leer mij, arme dwaas, hoe dat ik bidden moet!"

Maar, mag de hiddende Heiland u vervrijmoedigen in uw gebed. Hij zij u dan ook een exempel om in uw loopbaan u volhardend in de Heere te blijven sterken.

Als de Heere Jezus de gebedsomgang met Zijn Vader gedurig zocht, hoeveel te meer is het gebed dan blijvend nodig voor ons. De tijd voor het gebed is geen verloren tijd te achten ; hoe drukker de dag, des temeer is er noodzaak om u biddend in de Heere te sterken.

Veelzeggend is het ook, dat de Heere Jezus, om te bidden, ook Zijn discipelen van Zich liet. Zeker, er is een tijd om samen met anderen bezig te zijn in de arbeid, maatschappelijk zowel als geestelijk ; maar er is ook een tijd om u van allen en een iegelijk los te maken, en uw ziel op te heffen tot de God des levens in eenzaam gebed.

Wat een voorrecht, dat Hij ons vergunt biddend tot Hem te komen ; wat een goedertierenheid, dat Hij ons vermaant „volhardt in het gebed." Het gaat dan ook stellig niet goed, als wij dit genadeprivilege verzaken, en ons door de zorgvuldigheden des levens zozeer laten overmeesteren, dat wij aan het eenzaam bidden niet meer toekomen. Drukken zware lasten u neer, wordt ge bezwaard door besef van de neertrekkende macht van de zonde in uw leven, dat is geen reden om maar niet te bidden ; veeleer hebt ge om deze dingen juist temeer reden om aan de avond van de dag uw knieën voor de Heere te buigen en tot Hem te naderen in Jezus' naam. Spreek het toch open en eerlijk voor de Heere uit: uw twijfel, uw angst, uw gebrek aan geloof, ook uw smadelijke en smartelijke nederlagen in de strijd tegen de zonde, ja zelfs uw gebrek aan strijd. Spreek met de Heere over de nood van uw geestelijk leven, maar spreek met Hem ook over de moeilijkheden van uw werk, over de zorgen van uw gezin, en vergeet niet Gods Kerk en Koninkrijk, en die zieke buurman van u, en die dominee die Zondag weer voor u preken moet! O, er is op de gebedsberg zoveel te bidden en te smeken. En vooral : vergeet de dankzegging niet; laat de dag en alle weldaden u door God gegeven met ootmoedige dank aan Gods voeten weer worden neergelegd. , , Weest in geen ding 'bezorgd, maar laat uw begeerten in alles door bidden en smeken met dankzegging bekend worden bij God. ..." En in die weg vervult de Heere. Zijn'belofte : , , en de vrede Gods die alle verstand te boven gaat zal uwe harten en zinnen bewaren in Christus Jezus".

Welk angstig slaven de dag dan ook bracht, — mag de avond u vinden achter Jezus aan op de berg des gebeds, dan zult gij die dag toöh nog kunnen eindigen zoals de Psalmist:

„Ik zal in vrede tezamen nederliggen en slapen, want Gij, o Heere alleen zult mij doen zeker wonen".

„Gijzelf, de Waarheid en de Weg, Ziet biddend op ons neer, Hebt biddend onze strijd volstreên. Leer Gij ons bidden. Heer!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Gij badt op eenen berg alleen....

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's