De Farizeër en de Tollenaar
Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden: een was een Parizeer en de ander een Tollenaar. de
Als twee hetzelfde doen, is het daarom nog niet hetzelfde.. Zo gingen ook de Parizeer en de Tollenaar beiden op naar de tempel om te bidden. Maar o, welk een groot verschil!
Als we naar de publieke opinie hadden gevraagd, dan zouden we tot deze conclusie zijn gekomen, dat de Parizeer alles mee en de Tollenaar alles tegen had. We moeten niet denken, dat we een Farizeeër zó maar zonder meer een huichelaar kunnen noemen. Niemand zal het toch wagen om van de Farizeeër Saulus van Tarsen, die onberispelijk leefde naar de strengste wetten van de Farizeeën, te beweren dat hij een huichelaar was. Neen, hij meende het oprecht, als hij probeerde om al die geboden en verboden van de pmtuining der wet te onderhouden.
Het is wel waar, dat er tal van Farizeeë waren die aan anderen deze zware lasten oplegden, zonder ze zelf maar met de vinger aan te raken. Het is óok waar, dat ze er op bedriegelijke wijze weer onderuit trachtten te komen en daarom de naam van huichelaar verdienden, maar zo was de Farizeeër in de gelijkenis niet.
Hij was een onlbesproken man, die God kon danken, dat hij niet gelijk de andere mensen was, rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook niet gelijk die tollenaar, die daar een heel eind achter hem stond.
Is het dan niet goed om God te danken dat we niet in die verschrikkelijke, uitbrekende zonden zijn gevallen? , zo hoor ik vragen.
En dan moet het antwoord luiden, dat de lof des Heeren alleszins betamelijk is. Maar er is verschil. Bij al zijn danken heeft de Parizeer het toch blijkbaar vergeten, dat al de kiemen en zaden van boosheden, die in het leven van anderen tot schrikkelijke openbaring kwamen, ook in zijn hart gevonden werden. Daarom was het een danken uit de hoogte, als het danken heten mag.
Immers van eigen zondebesef was bij deze man geen sprake. Zijn verdere danken loopt enkel uit op eigen verheerlijking. Hij beroemt er zich op dat hij niet slechts op de grote verzoendag vastte, maar wel twee keren in de week, op Maandag en Donderdag, de dagen waarop Mozes de Sinaï zou hebben beklommen en vandaar weer zou zijn teruggekeerd.
Daar komt nog bij, dat hij zó milddadig was, dat hij niet alleen de tienden gaf van de vruchten van de akker en van de kudde, maar dat hij ook de munt, de dille en de komijn, vertiende. Nog eens, naar de publieke opinie hebben we hier met een onberispelijk mens te doen.
De tweede tempelganger, de arme tollenaar, had de hele publieke opinie tegen zidh.
Dat iemand zich wilde verlagen om in dienst van de Romeinse onderdrukker de belastingen te innen voor de schatkist van de keizer, was toch wel héél verschrikkelijk.
Met zulke mensen wilde geen rechtgeaard Israëliet van doen hebben.
Hoe waagde zulk een tollenaar het om zo dicht in de nabijheid van de tempel te komen?
Maar, lezer, let eens goed op deze tollenaar. Drie dingen staan van hem opgetekend, eer de gewijde bladzijde ons van zijn bidden vertelt. In de eerste plaats had hij tollenaarsvoeten. Hij stond van verre. De tempel was immers zo heilig en hij zelf was onheilig. Met een heilige jaloersheid zal hij stellig naar die eeroiedwaardige Parizeer hebben opgezien, hem beter achtende dan zich zelf. .
, Hij durft zelfs de ogen niet op te heffen naar de tempel. Het ging hem evenals Ezra, die beschaamd en schaamrood was vanwege zijn zonden en die van zijn volk, om zijn aangezicht op te heffen naar de hemel.
En in de derde plaats lezen we van hem dat hij tollenaarshanden had. Hij sloeg zich op de borst. Slaan doet men hem, op wie men boos is. Als iemand zich vergist heeft, kan hij zich tegen het voorhoofd slaan. Maar hij, die gevoelt dat hij een groot zondaar voor God is, die slaat zich op de borst. Want in die borst zit het boze en het verkeerde hart.
En nu begint hij te bidden. Het is maar een heel kort gebed. Lange gebeden vinden we maar heel weinig in de Schrift. Het Onze Vader, het allervolmaakste gebed, is ook kort. De Heilige Schrift vermaant ons zelfs om het niet in een veelheid van woorden te zoeken, gelijk de heidenen dit plachten te doen.
In de grondtekst staat eigenlijk: O, God, verzoen U met mij, de zondaar. Deze man beseft het dat het met hem voor eeuwig verloren is, als God met hem naar recht zal doen. Daarom smeekt hij om genade voor hem, de zondaar, die tegen een goeddoend God gezondigd had.
En wat is de heerlijke uitkomst geweest ?
, , Ik zeg ulieden, deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die ; want een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden".
Zou de Farizeeë op grond van het ibovenstaande dan alleen maar een tekort hebben gehad aan gerechtigheid? Neen, lezers, evenmin als er in de hemel blijdschap zal zijn over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.
Neen, het wordt ook hier weer onomstotelijk geleerd, dat God een God is die goddelozen rechtvaardigt om niet, alleen uit enkel ontferming.
Lezers, op wie lijkt gij, op de Farizeeër of op de Tollenaar?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1955
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1955
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's