DE GEREFORMEERDE BOND EN DE HERVORMDE KERK
~En daarom is de
vraag ook niet, hoe men deze kerkelijke
chaos enigermate onder één noemer
brengt, uit één gezichtspunt kan
bezien, tot een soort gemeenschap kan
maken, ook al moet men afstand doen
van fundamentele geloofsstukken, die
mogelijk individueel nog wel grote
waarde behouden, maar niet tot een
,,wet" mogen worden gemaaktII.
De banier der belijdenis opheffen !
Ziedaar, wat wij van de Confessionelen ook mochten verwachten, maar zij doen het niet en wat nog erger is, zij maken zich er schijnbaar heel geen zorg over, dat zij het niet doen. Integendeel, zij spreken over de , , nieuwere vragen van kerk en theologie" en van verantwoordelijk meedenken in die vragen, hetwelk een afdoend excuus schijnt te zijn voor het loslaten der belijdenis en — men ontkomt niet aan de indruk — dat dit loslaten van de belijdenis zelfs eis schijnt te zijn voor het , , verantwoordelijk meedenken"..
Natuurlijk, als men van een theologie uitgaat, die in fundamentele stukken van de kerkelijke confessie afwijkt, of deze op een , .nieuwe" wijze interpreteert, dan ligt het voor de hand, dat men buiten de belijdenis uitkomt, want men neemt zijn uitgangspunt daarbuiten.
Men moet zich n.l. in de middenorthodoxie niet diets maken, dat dit niet het geval zou zijn en dat men zich zou bewegen op de bodem van hetzelfde geloof, dat in de confessie der kerk aan het woord is.
Men zij zich er van bewust, dat de z.g. nieuwe theologie wel een soort , , nieuwe leer" is, doch wat haar van de leer der reformatoren onderscheidt, die ook een , , nieuwe leer" werd genoemd, is, dat deze terug ging op de leer van de oude Christelijke kerk en dat zij van geen ander gezag in geloofszakeü wilde weten dan dat van de Heilige Schrift als zijnde Gods Woord, zoals zij daarvan getuigt.
Dat kan men van de huidige , , nieuwe leer" niet zeggen! Het is daarom wel juist, als dr. B. zegt, dat er een kloof is tussen de G. B. en de midden-orthodoxie (welke hij met de Hervormde Kerk schijnt te vereenzelvigen) .
Die kloof is diep genoeg om te begrijpen, dat wij over de nieuwe theologie en over de kerk, het apostolaat en al, wat daarmede samenhangt, anders denken dan de mensen, die zich aan de andere kant van de kloof scharen.
Die kloof is intussen niet van de zijde van de G. B. gemaakt, maar door hen, die aan de andere kant staan.
Wat is toch het geval?
Dat de mensen van over de kloof het Schriftgeloof der reformatoren en — wij mogen het nog wel met nadruk zeggen — van de Christelijke kerk volgens haar officiële belijdenis, hebben prijsgegeven of verworpen, terwille van theologische beschouwingen, die daartegen bezwaar maken.
Dat is de zaak, welke scheiding maakt tussen dr. B. cs. en de Geref. Bond, ja tussen hen en allen, die de gereformeerde belijdenis liefhebben.
Wat moeten wij nu over „nieuwe" of „huidige" vragen praten met de midden-orthodoxie, die de enige regel des geloofs daarin niet begeert te volgen overeenkomstig de wijze als ons geloof eist ?
Daarbij komt, dat men wel kan spreken over de nieuwere vragen van kerk en theologie, maar welk een middenorthodoxe lading is in die formulering reeds begrepen?
Nieuwere vragen! Als wij dat , , nieuwere" eens gaan ontleden?
Wat staat dan tegenover ons als het objectief nieuwere, waarvoor kerk en theologie zich gesteld zien ?
Welke kerk en welke theologie, bedoelt dr. B. ? vragen wij verder.
Er is toch een innerlijk verband tussen kerk en theologie en in dat verband is deze theologie, die deze naam verdient, afhankelijk van de kerk, daar zij zich veroorlooft zich op , , wetenschappelijke" wijze bezig te houden met het geestelijk bezit der kerk en dat nog slechts voor zover de kerk daarvan getuigenis kan geven.
De vraag is dus gewettigd: Welke kerk en welke theologie, want, indien de theologie niet kerkelijk is, heeft zij zelf geen recht op de naam. Het is daarom tekenend, dat Barth zijn werk uitgeeft onder de titel kerkelijke dogmatiek. 't Is maar weer de vraag, wat Barth onder kerk en kerkelijk verstaat.
De ware kerk leeft niet van de theologie, maar de theologie leeft van de kerk. Het is dus voor alles zaak om te weten, welke kerk men op het oog heeft, en, welke kerk zich voor de nieuwere vragen ziet gesteld.
Zo maar in het algemeen van kerk en theologie te spreken, alsof wij dan aan beide zijden van de kloof hetzelfde bedoelen, is veel te vaag om daarop te discussiëren.
Aan deze zijde van de kloof kunnen wij dan nooit nauwkeurig weten, wat men aan de overzijde bedoelt, terwijl de overzijde altijd kan weten, wat wij bedoelen, want dat kunnen ze vinden in de belijdenisgeschriften.
Het is juist die midden-orthodoxe lading, welke dezerzijds niet kan worden overgenomen.
Aan de andere kant is het opmerkelijk, dat de overzijde zo vaak schijnt te weten of te gevoelen, hoe van gereformeerde zijde over hun voorstellen zal worden gedacht, en hoe daarop zal worden gereageerd.
Daaruit zou kunnen worden geconcludeerd, . althans worden ondersteld, dat de belijdenis ook bij hen nog een bondgenoot heeft, die zich bij het denken over de „nieuwere" vragen roert, hoewel het bij hen moet wijken voor de midden-orthodoxe overwegingen en gedachtengangen, die immers in de belijdenis niet voorkomen.
Voor het zoeken van de weg naar handhaving der belijdenis kan dit laatste niet zeer hoopvol zijn. Bij de midden-orthodoxie onttoreekt het aan de lust tot handhaving der belijdenis en wat men daaronder verstaat, als men daarvan spreekt, blijft men zeer vaag. Men krijgt vaak de indruk, dat men een zeker vrijheidsideaal verdedigt onder afweer van een z.g. juridische handhaving of opvatting der belijdenisgeschriften, als een bedeksel voor de innerlijke onenigheid met de confessie.
Zo spreekt dr. B. over practische verbindingslijnen tussen de belijdenis en de huidige „diep vervallen toestand der kerk", die men legt en over vragen, die dan opkomen over hoofdzaken en bijzaken, over overeenstemming of gemeenschap, enz. En dan zegt hij : , , De confessionelen hebben die vragen niet kunnen of willen ontwijken. Daarom zijn ze in de G. B.-ogen , , verwaterd".
Eensdeels redeneert dr. B. hier uit de practijk, laat mij zeggen, uit de oorlogse en na-oorlogse practijk.
De , , diep vervallen toestand der kerk" wordt door hem verstaan als een toestand, waarin de leervrijheid zover is gegaan, dat men eigenlijk aan , , handhaving" van de belijdenis niet meer kan denken, en zich de vraag stelt, hoeveel en in welke stukken kan men van de belijdenis der kerk afwijken, daartegenover staan met zijn gevoelens en leringen, en toch nog tot de kerk gerekend worden ?
Dat is het wat dr. B. bedoelt, als hij rept van vragen over hoofdzaak, bijzaak, over overeenstemming en gemeenschap.
Over deze laatste indrukkingen zullen wij maar zwijgen, want van de zijde, die voor gemeenschap en tegen overeenstemming heeft gepleit, is dit tot een spel gemaakt.
De ervaring heeft geleerd, dat men een gemeenschap op het oog heeft gehad, die zó elastisch is, dat , , overeenstemming" alleen maar een storende uitdrukking is geworden, en dat de onderscheiding van hoofdzaak en bijzaak vervloeide en zelfs niet meer aan de orde kwam.
Hoe zou dit anders kunnen, wanneer de verdedigers en aanhangers van de nieuwe koers, met het meest fundamentele geloofsstuk : de belijdenis der Heilige Schrift als Gods Woord (art. 3—7 van de Ned. Geloofsbelijdenis) de hand lichten ?
Daarmede is van die zijde een antwoord gegeven, dat de ernst aangaande de overige artikelen van de belijdenis eehvoudig uitsluit.
Dr. B. zegt: „de confessionelen hebben deze vragen niet kunnen(?) of willen ontwijken" (het ? is van mij, S.). Doch wij beweren, als zij confessioneel waren en waren gebleven, zouden zij het geloofsstandpunt op het stuk der Heilige Schrift nooit prijs gegeven hebben.
Het is voor geen tegenspraak vatbaar, de band aan de belijdenis is in de kringen der , , confessionelen" niet sterk genoeg geweest om haar bij het zoeken naar een antwoord op de genoemde vragen te handhaven.
Daarom is het niet toevallig, dat dr. B. de uitdrukking , , diep vervallen toestand der kerk" tussen „ " plaatst.
Deze uitdrukking wordt nogal eens gehoord in de kringen van de G. B. en bedoelt waarlijk niet slechts is binnengedrongen. En daarom is de vraag ook niet, hoe men deze kerkelijke chaos enigermate onder één noemer brengt, uit één gezichtspunt kan bezien, tot een soort gemeenschap kan maken, ook al moet men afstand doen van fundamentele geloofsstukken, die mogelijk individueel nog wel grote waarde behouden, maar niet tot een , , wet" mogen worden gemaakt.
Als de G. B. spreekt van de diepgevallen toestand van de Hervormde Kerk, wordt daarmede uitgesproken en betreurd, dat de Hervormde Kerk zover verwijderd is geraakt van het leven der kerk, dat er nog wel Avordt gevonden, maar niet centraal kerkelijk zijn kracht doet gevoelen, gelijk dat in een gezonde toestand van de kerk behoort te zijn.
Het leven der kerk, zoals dat uit de Heilige Schrift in het geloof wordt gekend en ook in de belijdenis van dat geloof tot uitdrukking komt, waarvan de belijdenis een getuigenis is, moet ons voor ogen staan bij het zoeken naar een weg tot sanering en daarbij treedt de vraag van de handhaving der belijdenis en van de weg, die daartoe leiden kan, in een geheel ander licht en voert tot een geheel ander antwoord, dan waartoe de midden-orthodoxie met loslating der belijdenis komt.
Alleen hetzelfde geloof, dat in de belijdenis aan het woord is, kan van uit dat geloof en dus van uit die belijdenis zoeken en vinden wat onder de gunst van de Koning der kerk tot haar genezing kan medewerken. Dat ligt toch voor de hand. Omdat de kerk een levend organisme is, openbaring van het lichaam van Christus, kan zij alleen van uit de eis van haar leven, d.i. van uit de eis van haar openbaring, wèl geregeerd worden en naar zulk een regering streven.
Met voorbijgang van de vraag, welke methode, welke maatregelen, instellingen en wegen, of wat men verder zou willen vragen, van de zijde van de Gereformeerde Bond zouden worden aanbevolen of noodzakelijk geacht om de sanering van het kerkelijk leven te bevorderen, mogen wij er nogmaals op wijzen, dat wij ons nooit hebben voorgesteld, dat de reorganisatie tot een echt kerkelijk leven binnen enkele jaren zou kunnen plaats vinden.
Van meet af werd dezerzijds op een betreffende vraag een periode van 25 tot 50 jaar genoemd.
Het heeft overigens bij de huidige gang van zaken geen zin lang stil te staan bij de vraag van het hoe ? en langs welke weg? , wij ons zulk een saneringsproces voorstellen, omdat die niet aan de orde is.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1955
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1955
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's