DE GEREFORMEERDE BOND EN DE HERVORMDE KERK
III
Onverkorte handhaving der belijdenis — en geen antwoord op de huidige vragen, meent dr. B. Mij dunkt, dat wij genoegzaam hebben aangetoond, dat dit meer de gewilde visie van dr. B. dan een grondige beoordeling van zaken tot uitdrukking brengt.
Over de prediking van de Geref. Bond zijn mening ten beste gevend, acht hij, dat deze niet in die mate door de belijdenisgeschriften (hij bedoelt de belijdenis) wordt bepaald.
Het eigenlijke geschil over de prediking ligt volgens hem ergens anders. Het argument hiervoor ontleent hij aan een alweer persoonlijke mening over het hooghouden van de belijdenis, hetwelk volgens hem een innige band zou moeten geven met de Geref. Kerken, de vrijgemaakten, de rechts-confessionelen e.a. Hij vindt, dat deze band ontbreekt — en wat de innigheid betreft, is dat ook dikwijls zo.
Dr. B. heeft, naar het althans schijnt, niet opgemerkt, dat die innigheid ook ontbreekt tussen Geref. Kerken en Vrijgemaakten, en wat de confessionelen aangaat, ook zij hebben weinig op met al wat gereformeerd is of zich buiten hun eigen kring zo noemt.
Het verschil tussen deze groepen ligt dus ook ergens elders, al is het ook anders dan met de Geref. Bond.
Dergelijke opmerkingen zijn veel te haastig, want de gemeenschappelijke band aan de belijdenis tussen de genoemde groepen wordt heus wel gevoeld in de onderlinge conversatie, en soms zelfs hartelijke instemming en oprechte gemeenschap des geloofs.
Het ontbreken van de innige band zou volgens dr. B. voortkomen uit een verschillend zien der confessie, door het lezen der confessie , , met een ander oog". Daar zit wel iets in. De nadruk valt dikwijls op andere geloofsstukken, b.v. Verbond of kerk. Dan is er zo iets als verschil van ligging en daarin past ook de opmerking over de Geref. Bond en de „nadere reformatie". Doch dr. B. weet ook wel, dat de „nadere reformatie" innige aanrakingspunten met Calvijn heeft en dat de „vroomheid" van de nadere reformatie niet op zich zelf staat, doch in alle groepen van de gereformeerde gezindheid wordt aangetroffen.
In , , Vrij Nederland" althans spreekt dr. B. van , .gereformeerde vroomheid". (Wij kennen slechts het verslag in , , De Rotterdammer" dd. 24 Aug.). Dat is alzo algemener en o.i. in zoverre juister. Ook de typering van de , , gereformeerde vroomheid", de nadruk op het persoonlijk karakter van het Christelijk geloof en dus het persoonlijk geloof, de persoonlijke geloofsverhouding zelf.
, , Geloven betekent: dat de enkele mens in de ontmoeting met de levende God wordt gesteld", zo het verslag.
Het is wel heel eigenaardig, maar de gereformeerde vroomheid zal het op deze wijze niet uitdrukken. Zij leeft daarvoor te dicht bij de psalmen, waarin zij het leven der kerk zo bijzonderlijk beluistert en medeleeft.
Dat neemt niet weg, dat het persoonlijk karakter, de persoonlijke gemeenschap met God in Christus, karakteristiek is voor het gereformeerd geloof. Merkwaardig is de zinsnede — weer uit het verslag — , , De gereformeerde mens weet, dat de verhouding tot God beslist voor tijd en eeuwigheid. Vandaar ook zijn eigenaardige liefde voor de Zondag "
Wij willen hier slechts met een vraag volstaan, omdat het een verslag geldt. Zou dr. B. dit verband op die wijze gelegd hebben?
Liefde voor de Zondag en de beslissing voor tijd en eeuwigheid? Zondagsheiliging is toch nog wat anders dan sociale waardering van de Zondag? Wil dr. B. een Christelijk geloof als zodanig erkennen, dat niet voor tijd en eeuwigheid beslist?
Dergelijke vragen komen op, wanneer het gereformeerde geloof als een soort vroomheid zo apart en op zich zelf wordt gezet, alsof het zo iets van een secte vertegenwoordigde.
Wij gaan alweer vragen: Is de Christelijke religie als zodanig dan niet de religie der persoonlijkheid, zodat het gereformeerd geloof in de nadruk op de persoonlijkheid des geloofs nog slechts doet, wat ieder geloof, dat zich terecht Christelijk wil heten, doen moet?
Is niet het Christelijk geloof als zodanig beslissend voor tijd en eeuwigheid?
En als daarmede de Sabbathsheiliging saamhangt, is niet iedere Christen geroepen de Sabbath te heiligen, zonder nochtans de sociale waardering voorbij te zien, wijl deze door God zelf wordt bevolen ?
Wat wil toch dr. B. het gereformeerd geloof de stempel opdrukken van iets aparts, alsof de middenorthodoxie en de vrijzinnigheid meer de typen van een normaal Christendom zouden vertonen ?
De gereformeerde religie weet overigens zéér wel, dat de door dr. B. bedoelde vroomheid, de vroomheid gepaard aan het persoonlijk geloof, aan de gemeenschapsoefening met God, geen erfgoed is, dat door opvoeding en onderwijs wordt overgeplant, al gaat iets van de levensstijl wel mede, oefent althans veelal nog invloed uit op gedrag en oordeel.
Juist het persoonlijke in de geloofsverhouding zegt, dat het geloofsleven geen erfgoed is.
Men kan daaruit verstaan, dat aan een gereformeerd geloof door opvoeding en onderwijs als zodanig, nog niet het karakteristieke der persoonlijke betrekking met de God der Schriften eigen is.
Het is nochtans voor de kerkelijke en sociale saamleving nog niet krachteloos en zonder betekenis. De gereformeerde vroomheid verloopt dus niet in dode vormen, zoals dr. B. volgens het genoemd verslag meent, maar als het leven ontbreekt, is het gereformeerd geloof dode vorm.
Buiten de gereformeerden is, naar ik mij overtuigd houd, ook dood geloof, maar het valt niet zo op, omdat daar zo weinig levensstijl wordt gevonden. Men kan daarvan niet zeggen, dat het , , hoekige, kale, onhandige" vroomheid is. Wat het dan wél is, zullen wij niet trachten te typeren.
Dr. B. is in de laatste tijd voortdurend met dit vraagstuk bezig en sommigen trekken, vooral die aan de oppervlakte treden, ziet hij scherp, maar het is een zwak punt, dat hij van de onderstelling uitgaat, dat men in midden-orthodoxe kringen een en ander zou kunnen overnemen, desnoods ten koste van een offer — en toch in hoofdzaak dezelfde blijven.
En dat zou dan zijn , , het diepste wat de Gereformeerde Bonders beweegt, omdat dit geen zaak is van één richting, maar van allen". Dan spreekt dr. B. over „de nood der prediking".
Veeleer komt hier de tegenstelling tussen wat de Geref. Bond nastreeft en wat de midden-orthodoxie zoekt, het scherpst aan het licht.
De prediking!
Men kan toch de prediking niet losmaken van het geloofsleven? Uit geloof tot geloof, geldt in de eerste plaats van de prediking. De prediking, die uit het geloofsleven opkomt, kan niet anders dan Schriftuurlijk zijn, omdat het geloof uit de Schrift leeft. Zij kan niet anders dan pastoraal zijn, omdat zij op persoonlijk geloof gericht is en de maatstaf der Heilige Schrift op het persoonlijke geloofsleven aanlegt.
Wat men , , tijdloos" of modern in die prediking wil noemen, kunnen wij laten rusten.
De mens van alle tijden is zondaar voor God, en hij weet het niet, en wil het ook niet zijn. Die mens van alle tijden heeft nodig daaraan ontdekt te worden, zal hij uitzien naar verlossing en bereid worden om het Evangelie van de Gekruiste te ontvangen en als een kracht Gods tot zaligheid te verstaan.
Dat is niet tijdloos, maar voor alle tijden.
Wij zien, dat het alweer aankomt op het persoonlijk karakter des geloofs en wel van het geloof der Schriften, het geloof, dat de heiligen is overgeleverd.
Dr. B. gevoelt het eigenlijk wel, waar de moeilijkheid voor hem en de zijnen zit, zoals punt 4 duidelijk doet zien:
, , Blijft dan: de verschillende verhouding tot de belijdenisgeschriften", ('t Is zo jammer, dat die belijdenisgeschriften voor dr. B. blijkbaar slechts geschriften zijn. in wezen gaat het niet over een verschillende houding tot de belijdenisgeschriften, maar tot de belijdenis, welke daarin ligt).
, , Gaan wij onze eigen wegen, in gemeenschap met het belijden der vaderen, of moeten we tot hen terug om met hen in overeenstemming te gaan belijden? " zo vraagt hij.
Er is dus wel verschil tussen in gemeenschap en in overeenstemming. Want in overeenstemming eist terug tot de belijdenis der vaderen, en in gemeenschap geeft vrijheid tot „eigen wegen". Dat is een gemeenschap, die wij niet verstaan, want de , , eigen wegen" der midden-orthodoxie zouden zeker niet de wegen der vaderen zijn geweest, zomin als de theologie van deze eigen wegen de theologie der vaderen zou zijn geweest.
Het wreekt zich dan ook niet zozeer, dat de Geref. Bond geen geschoolde theologen heeft, die met dr. B. in de hedendaagse vragen duiken. Maar het wreekt zich, dat de mannen van de midden-orthodoxie de belijdenis der vaderen hebben verlaten en ingeruild voor een theologie, die van het waarachtige leven der kerk vervreemd is en de nood der kerk met de dag groter maakt. '
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's