De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MODUS-VIVENDI

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MODUS-VIVENDI

7 minuten leestijd

PROF. DR. J. SEVERIJN

Als wij van de modus-vivendi spreken, wordt het voorstel der Utrechtse Hoogleraren van 1916 bedoeld. Aan dit voorstel lag de gedachte ten grondslag, dat de ingetreden verwording van het gereformeerd kerkelijk leven een stadium had bereikt, waarin de gedachte aan sanering moest worden opgegeven. Men was er op uit om historische rechten der inmiddels ontstane richtingen, die van de oude gereformeerde leer in meerdere of mindere mate vervreemd en daarvan afkerig waren, te erkennen en het voorstel bödoelde aan ieder der richtingen de gelegenheid tot vrije ontplooiing te geven.

Uitgaande van de kerkelijke situatie van het moment, kwam het voorstel er in feite op neer, dat de Hervormde Kerk werd verdeeld in zelfstandige richtingskerken; een vrijzinnige, een ethische, een confessionele en een gereformeerde kerk. Deze zouden derhalve baas in eigen kerkelijk huis zijn geworden, ieder beschikkende over de predikantsplaatsen, die zij toen ter tijd bezetten, om vandaar uit een kerkelijk gescheiden leven te gaan voeren.

Het voordeel, dat men daarin zag, is zeer begrijpelijk. Er zou een einde komen aan de strij'd der richtingen, omdat iedere richting op zichzelf werd aangewezen.

Zonder twijfel zijn verschillende bezwaren aan dit voorstel verbonden en deze zouden zeker aan de dag gekomen zijn, indien het ontwerp zou zijn aanvaard.

Om te beginnen moesten zij tegen zijn, die, vóór alles de eenheid van de Hervormde Kerk op het oog hebben, en die deze eenheid tegen de geestelijke werkelijkheid in reeds in het behoud van een eenheidsinstituut geborgen schijnen te achten.

Het grootste bezwaar echter school in de volledige boedelscheiding, die aan het voorstel gepaard ging, m.a.w. de verdeling der kerkelijke goederen over , de richtingen.

Zij die op herovering van de gehele kerk voor de gereformeerde richting bedacht, of voor de volkskerkidee geïnteresseerd waren, moesten hiertegen krachtig protesteren.

Hoewel dus alle toenmalige Hoogleraren van de theologische faculteit te Utrecht het voorstel hadden ondertekend, van de gereformeerde Hugo Visscher tot de vrijzinnige Cannegie.ter, kreeg het geen meerderheid in de Synode en werd dus afgewezen.

Ook de toenmalige leiding van de Geref. Bond, gesteund door de meerderheid der predikanten heeft zich tegen het voorstel verzet en de ontstemming van prof. Visscher op de hals gehaald.

Hoezeer de mannen van de Geref. Bond door de anderen vaak voor sectariërs en sectarisch worden uitgemaakt, o.a. door prof. Haitjema, blijkt toch ook uit deze afwijzing, dat zij het geheel der kerk niet uit het oog verliezen, ook al delen zij niet het hoogkerkelijk standpunt, dat genoemde hoogleraar verdedigt. Men kan een voorstander zijn van de plaatselijke kerk, en van haar zelfstandigheid en rechten, en nochtans het oog gevestigd houden op de kerk als geheel.

Maar juist uit dien hoofde had het Conventsvoorstel een betere waardering verdiend, omdat het niet alleen rekening hield met de plaatselijke kerk, maar ook met het geheel.

Dit voorstel kwam niet met een plan van boedelscheiding, maar pleitte voor de administratieve eenheid der kerk. Het bedoelde het aan de richtiiigen zelfstandigheid te geven, zodat, indien er een genoegzaam getal ter plaatse aanwezig was, de gereformeerden, de confessionelen, de ethischen en de vrijzinnigen met een eigen kerkelijk leven konden inzetten, onder beding, dat zij ook alle kosten van de eredienst, zoals zij die begeerde in te richten, zelf moesten betalen: het levensonderhoud van de predikant c.q. predikanten, en wat daar verder toe behoort.

Een en ander was zo opgezet, dat het gebruik van de aanwezige kerkruimte zodanig zou worden verdeeld, als nodig was om ieder der richtingskerken het gewenste aantal beurten te geven.

De kerkvoogdijen bleven in dit voorstel in haar functie en rechten, d.w.z. dat het beheer van de kerkelijke goederen onaangetast bleef. De kerkvoogdijen bleven dus ook belast met het onderhoud der gebouwen. Doch aangezien de richtingskerken — behalve dan het gebruik van kerkgebouw en catechisatie-lokaal in eigen kosten zouden voorzien, ligt het voor de hand, dat zij dit gedeelte van het beheer ook zelf moesten regelen,

De rekening van de kerkvoogdij zou uiteraard niet overal en niet altijd met een batig slot uitkomen en zou ook wel eens een tekort vertonen. Immers de kerkvoogdij zou geen andere inkomsten hebben dan van de kerkelijke goederen en fondsen, welke aan haar beheer van ouds zijn toevertrouwd.

Indien de kerkvoogdij ter plaatse een batig slot zou hebben, wilde het voorstel dit naar zekere regelen verdeeld hebben over de richtingskerken, gaf de rekening daarentegen een tekort, dan moest dit uit de aard der zaak door de richtingskerken naar evenredigheid worden aangezuiverd, vanwege het gemeenschappelijk gelbruik.

Het is nogal duidelijk, dat ook dit voorstel bezwaren met zich mede brengt en die zijn er ook met meer of minder recht tegen ingebracht.

Tot op zekere hoogte worden de richtingen in het administratief kerkelijk verband gesanctionneerd en wordt de kerk in richtingen opgelost? Halt! Dat is niet of slechts zeer ten dele het geval, hoezeer ook de schijn daartegen is.

Deze oplossing in richtingen draagt voor het merendeel een tijdelijk karakter en dit toezwaar wordt voor een aanzienlijk deel opgeheven door enkele nog niet genoemde merites en bepalingen van het voorstel.

Ten Ie:

De strijd der richtingen zou volmaakt afgedaan hebben. Immers iedere richting, mits sterk genoeg en bereid om een eigen predikant te onderhouden, kon zich vrij organiseren en beroep doen op het gebruik van een kerkruimte om te preken.

2e. De richtingen konden niet meer parasiteren op de anderen, maar moesten zelf bewijzen wat zij waard waren en de nodige gelden opbrengen om haar predikant(en) te onderhouden.

3e. Zou het nog al eens voorkomen dat een richting over meer gevestigde predikantsplaatsen beschikte, dan zij kon onderhouden. In dergelijke gevallen kwamen die plaatsen aan die der andere richtingen, die daartoe wel in staat waren.

Is het wonder, dat iemand, die het voorstel bestudeerd had en de kerkelijke situatie kende, zeide, dat de kerk in 10 jaar gereformeerd zou zijn, indien dit voorstel aangenomen werd ?

Zó optimistisch zijn wij niet geweest, doch het is wel duidelijk dat zulk een regeling aan die groep, die het meeste kerkt en het beste offert, zeer ten goede zou zijn gekomen en in die weg ook perspectief opende tot sanering van het kerkelijk leven als geheel.

ledere levensvatbare groep kon dan ook zijn eigen kerkorde naleven, wij de Dordtse en een ander de zijne.

Dat is alles wel mooi.

Dat was het ook, en ons gereformeerde volk was enthousiast, omdat het begon met vrijheid om zich kerkelijk in te richten naar eis van de belijdenis en — omdat men gevoelde, dat er toekomst in stak.

Dit voorstel had toen de omstandigheden mede, omdat de kerkvoogdijen onder de indruk waren van de greep der Synode naar een zijdelingse invloed op het beheer, die rechtstreeks buiten haar recht en macht lag. Wij hebben het oog op de Raad van Beheer naar aanleiding van het Reglement op de predikantstractementen.

De instelling van de ouderling-kerkvoogd is een verdere mijlpaal op deze weg der Synode. Kerkvoogdijen, die overgaan tot het ouderling-kerkvoogdschap en de daarmede saamhangende bepalingen op zich en de gemeente van toepassing maken, mogen wel bedenken, dat zij daarmede het kerkvoogdelijk beheer hebben geibracht onder de macht der Synode, hoewel zij daarover niet de minste zeggenschap had.

Intussen kan men opmerken, dat er nog wel het een en ander te zeggen valt over een modus-vivendi.

Een modus-vivendi heeft altijd vóór, dat hij een einde wil maken aan de strijd der richtingen, die steeds het karakter moet aannemen van een partijstrijd, zolang men naar de kerkelijke macht moet streven ter wille van zelfhandhaving. Ondanks al de moeite, die zij zich getroosten om de „confessionelen" daarvan vrij te pleiten, is dat ook bij hen zo.

Een modus-vivendi heeft tegen, dat zij aan de richtingen een kerkelijke plaats toekent, tot richtingskerken komt en derhalve sanctioneert, wat met de belijdenis der kerk overhoop ligt. Daarom stuit een modus-vivendi op principieel bezwaar, en kan daaraan in feite alleen practische waarde worden toegekend.

Kan derhalve de modus-vivendi verbonden worden aan een weg, die de kerk tenslotte grotendeels weer terugbrengt tot haar belijdenis, dan kan veel van het principiële bezwaar in de schaduw vallen van een betere toekomst.

Doch men begrijpt, dat men daartoe geen medewerking kan verwachten van die richtingen, die hun kerkelijke positie bedreigd zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MODUS-VIVENDI

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's