HOE TE DENKEN OVER....?
II.
In zoverre met verzekering niet anders wordt bedoeld dan een vorm van voorzorg, komt mij voor dat in het voorafgaande artikel genoegzaam is aangetoond, dat een Christen daarvan gebruik kan maken. Ik wil niet zeggen, dat iedere „verzekering" zich daaronder zonder meer laat rangschikken, en dat iedere die van verzekering gebruik maakt, het in deze gezindheid doet, maar er zijn gebeurlijkheden in het leven, die voorzorg vragen, zoals uit de gegeven voorbeelden uit de Heilige Schrift blijkt (leuning op het dak en de stotige os). Men kan dat toch geen verzoeken van God noemen, aangezien Hij deze dingen zelf gebiedt. Het is veeleer verzoeken, als men zegt: Wat kan mij gebeuren ?
Zo leidt ook de voorzorg voor zijn huis en zijn huishouding een verstandig man tot spaarzaamheid, opdat hij in dagen van werkeloosheid, ziekte en ongeval wat heeft. Men zou een verzekering ook onder het gezichtspunt van sparen kunnen zien, alleen dan valt de nadruk vooral op de gezamenlijke premiebetalers. Deze vormen, zonder dat dit een alszodanig georganiseerde, of uit het leven opkomende gemeenschap is, toch een gemeenschap van premiebetalers. Zodra een der premiebetalers schade heeft, wordt deze vergoed uit de gemeenschappelijk bijeengebrachte kas. Het kan zijn, dat men deze schade rijkelijk aan premies betaald heeft, maar het kan ook zijn, dat deze het door de verzekerde betaalde bedrag aan premies verre overtreft. In dit geval hebben dus alle andere premiebetalers, zonder dat zij het weten, medebetaald.
Dit is één der hoofdeigenschappen van iedere verzekering, waartegen iemand ook bezwaar zou kunnen hebben. Anderen vinden dat nu juist zo bij uitstek mooi.
Ieder betaalt zijn premie en als iemand zijn huis en inboedel kwijt raakt, of daaraan grote schade oploopt door brand of stormgetij, wordt hij geholpen door onbekenden, die ook zelf daarvan geen weet hebben. Hier kan de linkerhand niet weten, wat de rechterhand doet. Ideaal, zullen sommigen zeggen, terwijl anderen juist bezwaar maken dat hij door onbekenden wordt geholpen.
Toch zit er in die gemeenschap iets, dat wij niet zo maar moeten voorbijgaan. Denk eens aan het huisgezin. Dat is ook een gemeenschap, een echte gemeenschap, uit de huwelijksorde gegroeid en daarom een van God geordineerde gemeenschap.
In deze gemeenschap heerst de wet, dat de moeiten, bezwaren, lasten en tegenspoed van één lid worden gedragen en opgevangen door het gezin. Zo behoort het ook. Dat is de zede van het huisgezin, omdat het is een lichaam met hoofd en leden.
Daarboven zouden wij kunnen noemen de familie, ook een gemeenschap van natuurlijke orde.
Het zou wel voortreffelijk zijn, als de familie als geheel niet alleen bij machte was, maar dan ook gezind was, om als één der geziimen, tot de familie behorende, in nood kwam, al te gader te hulp te snellen als vanzelfsprekende zede, waaraan niemand zich mag ontrekken.
Het ergste is echter niet, dat vele families, toch niet zó welgesteld zijn, dat zulks niet boven het gemeenschappelijk vermogen ging, neen, het ergste is, dat men in vele gevallen toch de bereidheid en genegenheid vergeefs zou zoeken, ook al was er vermogen. Er wordt wel veel gepraat over naastenliefde, maar de Heere God zou niet zulk een nadruk op het gebod hebben gelegd, als wij het trachtten te volbrengen. Doch anders dan uit vrees voor straf is de gehoorzaamheid vaak weinig. Wij zijn zondaren.
Een iets gemakkelijker vorm is wel eens in zwang geweest bij onze Hollandse kooplieden, om gezamenlijk het risico te dragen in de gevaren, die de zeevaart medebrenigt. Mogelijk is daaruit het verzekeringsstelsel geboren. Het was n.l. zo, dat kooplieden in één kamer of gezelschap verenigd, zich gezamenlijk borg stelden voor de schade van één hunner. Een schip kon vergaan, of worden gekaapt. Kijk, zulk een gemeenschap is wel niet natuurlijk, maar heeft toch een goede grond van kameraadschap.
Het ware voortreffelijk, als wij op die wijze gemeenschappen van bedrijf of arbeid, ja, zo mogelijk gemeenschappen van gelijke geestelijke gezindheid vormden om elkanders lasten te dragen. Dergelijke voorzorg zou inderdaad 't woord in practijk brengen, dat ons door Christus bevolen is : Draagt elkanders lasten.
Zulk een wijze van doen zou geen verdere aanbeveling nodig hebben, als de mensen het maar deden.
Thans is dit voorbeeld mogelijk alleen nuttig, als een aanwijzing, hoe het verzekeringsstelsel wel steunt op de hulp van velen, die echter geen ander verband hebben dan dat zij ieder hun premie storten in dezelfde bus, niet om een ander te helpen, niet om elkanders lasten te dragen, maar om zelf geholpen te zijn, als hun iets overkomt.
Ziedaar het verschil, dat voor sommigen ook een bezwaar is. Men ziet, het zedelijk beginsel ontbreekt er aan. Dat is de zwakke kant. Sommigen trachten die weg te nemen, of althans enigermate, door een onderlinge verzekering te stichten. Dit is dus weer een benadering van de boven gegeven voorbeelden.
Sedert het doorwerkend kerkelijk verval is de onderlinge hulp, het dragen van elkanders lasten, voorheen veelal aan de bereidheid der gemeente overgelaten, — waarvan intussen schone voorbeelden en talrijke te noemen zouden zijn, — ook in verval geraakt. In ieder geval is de kerk met name in de negentiende eeuw in gebreke gebleven en heeft zij het overgelaten aan het particulier initiatief en aan het opkomende socialisme, dat de nooddruftigen en ontevredenen uit de maatschappij wist te vergaderen om langs politieke weg de sociale zorg tot een staatseis te maken. In die weg werd naar de bereids ingeburgerde vorm van verzekering gegrepen.
Zullen wij nu de man veroordelen, die meent, dat hij de voorzorg, welke hij schuldig is te treffen, tracht te nemen in de vorm van verzekering, omdat een voortreffelijker vorm ontbreekt?
Die man is niet vermogend en kan ook niet zóveel overleggen, dat hij uit eigen bezit de schade kan dekken, die misschien door derden hem wordt aangedaan. Wil men dan, dat hij niets doet en zijn vrouw en kinderen, voor welker zorg hij verantwoordelijk is, aan lijden en armoede bloot stelt?
Iemand spreekt van geloof. Goed, die dat geloof heeft, bewijze dat en veroordele hem niet, die dat geloof mist. En als iemand zegt: gij moogt niet verzekeren, is hij bereid en bij machte de lasten van die man te dragen, of naar behoren mede te dragen, als hij in nood komt ?
Men moet niet vergeten, dat een persoon alleen gemakkelijker allerlei voorzorg kan nalaten en dragen wat over hem komt, maar voor huisvaders en huismoeders is dat wat anders, want die zijn ook verantwoordelijk voor anderen, terwijl het niet altijd mogelijk is mede voor die anderen voldoende voorzorgen te treffen zonder gebruik te maken van een verzekeringsinstelling. En nog eens, Denk aan de gezindheid ! De man, die zegt, al mijn risico's zijn gedekt, mij kan niets gebeuren, is reeds veroordeeld vanwege deze hoogmoedige en goddeloze gezindheid.
Het is met zovele dingen in deze wereld zó, dat de mensen zich moeite maken met de vraag, mag ik daarvan gebruik maken, of niet, terwijl zij vergeten dat die vraag veelal niet aan de orde is, wijl het gaat om de vraag : Hoe zullen wij daarvan gebruik maken ? Op welke wijze ? In welke gezindheid ? In welke situatie ?
Men kan uit overwegingen van gevaar, met het oog op zijn gezin en andere betrekkingen het standpunt innemen, dat men zonder noodzaak geen gebruik maakt van de luchtvaart. En het kan gebeuren, dat de man, die op dat standpunt staat, in omstandigheden komt, zodat de nood dringt, en hij met vrijmoedigheid en met een bede tot God om behouden overtocht, in het vliegtuig stapt.
Men kan voor dergelijke zaken geen algemene regel stellen. Maar wij hebben te bedenken, en dat ten allen tijde en onder alle omstandigheden, dat wij met de levende God van doen hebben, die rekenschap van al ons doen en laten vraagt.
Derhalve moeten wij onderscheid maken tussen de middelen en het gebruik daarvan; op het gebruik of misbruik komt het aan!
Daarmede is eigenlijk de leefregel gegeven : de middelen, die God geeft, gebruiken, doch in de gezindheid, welke ons tegenover God en onze naasten past. d.w.z. in onderworpenheid aan de allerhoogste Koning, en zó, dat wij om Zijn gunst kunnen en mogen vragen.
Als wij dat goed verstaan, zal daarin een antwoord zijn gegeven op vele vragen. Kunnen wij met een goed geweten Zijn gunst afsmeken over het gebruik der middelen en wegen, die wij willen aanwenden ?
De vrager zal ook zelf wel opmerken, dat het plaatsen van een , , bliksemafleider" op een huis of gebouw, ook valt onder het gebruik van een middel, dat ons beschermen kan tegen het hemelvuur. Mag de strijder een schild gebruiken ? Mag ik dijken aanleggen langs de rivieren ? Mag ik mij beschermen tegen de koude, tegen de regen, etc. ?
Dergelijke vragen kunnen wij nog veel meer opwerpen, om te doen zien, dat wij het in talloos vele gevallen heel gewoon vinden ons leven te beschermen en het kwaad of schadelijke gevolgen trachten af te weren.
Enerzijds mocht dit wel eens een aanleiding zijn om het niet zo gewoon te vinden en er bij stil te staan, dat wij door zoveel gevaren en bezwaren worden bedreigd, hetwelk niet zonder oorzaak is, aangezien wij het leven in de hof van Eden hebben verbeurd vanwege onze zonde.
Anderzijds moest het ons de ogen openen voor de onvolprezen goedheid Gods die de mens niet heeft overgegeven aan al die ellende, maar ons nog kennis, vernuft en middelen schenkt om ons te beschermen tegen zovele gevaren, dié ons bedreigen. En Hij zelf gebiedt ons ook te waken over ons leven in het gebod: Gij zult niet doodslaan. En nog heerlijker heeft Hij Zijn liefde geopenbaard in de overgave van Zijn Eniggeborene, om in Hem een toegang te openen tot Zijn eeuwige heerlijkheid voor een wederhorig en wederstrevend kroost.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's