De Dordtse Leerregels
En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil; door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus de Gekruisigde.Want hoe zullen zij in Hem geloven, van welke zij niet gehoord hebben ? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt ? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden ? (Rom. 10:14, 15).
Hoofdstuk I artikel 3.
Eerst hebben de Leerregels uitgesproken, dat de Almachtige vrij was geweest om iedere zondaar in 't verderf te laten liggen. Vervolgens hebben zij ons gewezen op de enige weg des behouds n.l. Christus. God heeft de mensheid niet willen laten liggen in de zonde en vervloeking. Hier is nog geen woord van uitverkiezing. Dit is een verschil met Karl Barth. Ook deze erkent de zwaarte van de toorn Gods, die op het mensdom ligt. Maar nu is deze hele schuldige mensheid uitverkoren om zalig te worden. Alle mensen zijn in Christus verkoren tot zaligheid. God heeft beslist, dat ieder mens zalig zou worden. Hoe zondig een mens ook is, hij is in Christus begrepen, ook zonder bekering en geloof. Men zou kunnen proberen om Barth zó weer te geven, dat volgens hem alle mensen zalig worden omdat zij door de uitverkiezing in Christus zijn ingelijfd, 't Is van belang, het verschil op te merken tussen de onderwijzing van de Heid. Catechismus en de leer van Barth. Volgens de Schrift worden alleen zij zalig, die Christus door een waar geloof zijn ingelijfd. Zo krijgt het geloof een heel andere betekenis. Dat kan men in de Leerregels merken. Daar valt een zwaar accent op de noodzakelijkheid dat de mensen tot het geloof worden gebracht. Christus is bij Barth voor de uitverkorenen en in de Leerregels voor de gelovigen. De geoefende lezers weten wel, hoever Barth hierin gaat. Hij weet natuurlijk van de vele malen, dat in de H. Schrift over het geloof gesproken wordt. Toch acht hij het ongeloof een onmogelijkheid. Levensgevaarlijk inderdaad, maar gelukkig onmogelijk. Brunner heeft een aardig beeld voor deze leer van Barth, dat alle mensen door de uitverkiezing 'behouden zijn. Het schijnt, alsof wij mensen op een oceaan varen in een geweldig stormweer, zodat wij ieder ogenblik dreigen te verdrinken. In werkelijkheid echter zijn wij in zeer ondiep water, waarin men eenvoudig niet verdrinken kan. Alleen, wij mensen weten het niet. Wij zijn allemaal uitverkoren tot de zaligheid, maar wij weten het nog niet allemaal. Daarom is de prediking nodig, opdat ieder er kennis van zou nemen dat alles voor de eeuwigheid in orde is. Bij Barth heeft God beslist, dat wij allemaal zalig zullen worden. Welk mens zou nu verloren kunnen gaan? Het is een wonderlijk oppervlakkige prediking die Barth zijn volgelingen wil doen brengen. De H. Schrift spreekt veel ernstiger over de mogelijkheid en werkelijkheid van het ongeloof. Het geloof is daar ook heel wat anders dan kennis nemen van het gegeven feit, dat wij allemaal verlost zijn. Bij, een prediker uit de school van Barth kan de kerk gesloten worden voor de kerkelijken. Immers gered en behouden is iedereen, dat staat vast. De prediking is geen machtige worsteling om zondaren te bewegen tot het geloof. Het gaat veel meer om een onbijbelse wiskunde, waarvan stelling I luidt: God heeft alle mensen tot de' zaligheid uitverkoren in Christus. Stelling II: Iedere kerkganger, hoe hij ook leeft of denkt, houde het daarvoor, dat God hem zeker zal maken zal. Stelling III: Ieder moet voor zichzelf uitmaken hoe hij moet leven. Stelling IV: De kerken behoeven alleen diensten te houden om de buitenkerkelijken bovenstaande stellingen te leren.
Ja, maar wanneer alleen de gelovigen zalig worden, betekent dit dan niet, dat God de Heere Zijn Zoon geeft en de mens het geloof? Dit synergisme komt voor in sommiger prediking ; het is ons allen bekend. Maar in de reformatorische geloofsleer zult ge het niet vinden. Daar krijgt het geloof zijn Schriftuurlijke plaats, maar niet als een gewrocht des mensen. Het geloof is daar ten volle een gave Gods, een werk Gods. De inwendige roeping met zijn verlichting van het verstand en overbuiging van de wil, werkt het geloof. Maar de inwendige krachtdadige roeping, dat machtige werk van de Heilige Geest, is dan ook voor elk nodig om tot het geloof te komen. Dit hebben de Reformatoren met kracht vastgehouden.
Bij Calvijn kan men 't telkens weer vinden, dat alleen zij tot het geloof komen, die door God verlicht worden. Tegenwoordig zijn er echter heel wat , , gereformeerden", die wel van het geloof spreken, maar zelden of nooit van de noodzakelijkheid dezer verlichting. Zij noemen zich wel zonen van Calvijn, doch zijn het niet. Doch hier moeten wij later nog wel op terug komen. Nu gaat het om de beslissende betekenis van het geloof in Christus. Hier ligt ook zo'n kenmerkend verschil tussen de Barthiaanse leer en de Leerregels, Barth is wel juist weergegeven, als Van Niftrik schrijft: , , Wij zullen dus niet zeggen, dat alle mensen zalig worden. Wij zullen wél zeggen, dat alle mensen in Christus verkoren zijn. De vraag is alleen of zij dit geloven". De lezer ziet, welk een verschillende opvatting van geloven hieruit spreekt. De een zegt: men moet een waarheid geloven, een stelling n.l., dat wij allemaal uitverkoren zijn. De Schrift zegt en dus ook de Leerregels : Wij moeten in Christus geloven. Hij moet door het geloof in ons wonen. (Efeze 3 VS. 17).
Geloof aan waarheden noemen wij een historisch geloof. Maar nu komt er nog wat. Hebben deze verkondigers der blijde boodschap tot allerhoogste doel een bepaalde waarheid te doen geloven? Dat zij verre. Zij roepen de mensen tot bekering. Dat is heel wat anders. Misschien dat het deze of gene verwondert, dat hier de bekering vooropstaat. Dat kan wezen om de belangrijkheid en noodzakelijkheid der bekering te onderstrepen. Daar zijn predikers, die het geloof als het een en het al beschouwen. Dat is heel goed, als het gaat om de tegenstelling: geloof of werken. Wij worden door het geloof gerechtvaardigd zonder de werken der wet.
Doch laat niemand menen, dat het er alleen op aankomst de rechtvaardigmaking of de uitverkiezing te geloven. Met grote nadruk klinkt door het evangelie de noodzakelijkheid der bekering. Men heeft dan ook wel gezegd, dat de bekering in de prediking van Christus en de Apostelen het centrale punt is. De Heere Jezus heeft dan ook gezegd: , , Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering". Hij heeft gepredikt: Bekeert u. , , Overal bijna bindt Christus het de mensen, tot wie Hij spreekt, op het hart, dat heel hun geestes- en levenshouding anders, totaal en radicaal anders moet worden, willen zij in het Koninkrijk der hemelen kunnen ingaan". Terecht is in de Reformatie en daarna bij de gereformeerde schrijvers met nadruk de eis gesteld, dat er met de mens iets gebeuren moet. De dogmatiek heeft alles in vakjes willen opbergen. Een vakje voor wedergeboorte, een vakje voor bekering, een vakje voor geloof, een vakje voor heiligmaking. Die vakjestaai is echter niet Schriftuurlijk. In de Schrift gaat het om die geweldige verandering, die met vele namen wordt genoemd, omdat die grote zaak van de totale levensvernieuwing vele zijden heeft. Doch afgezien van de belangrijkheid der bekering, die niet minder is dan de belangrijkheid van het geloof, is de volgorde in de Leerregels de Schriftuurlijke volgorde. Ik wil er gaarne enkele voorbeelden van geven. In Hand. 20 vs. 21 lezen we, dat Paulus in Efeze betuigd heeft aan Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus. Ik meen te mogen zeggen, dat God de Heere, als Hij mensen bekeert, gemeenlijk deze volgorde houdt. Eerst leren wij bukken voor God, de heilige en rechtvaardige Rechter. Voor Hem wordt ons hart door schuldbesef getroffen en verslagen. Daarna volgt het geloof in Christus. Grosheide schrijft in zijn Kommentaar bij bovengenoemde tekst: „Bekering is steeds het eerste, dat gepredikt wordt. Die bekering is tot God. Voor de Joden in de zin van waarlijk, voor de heidenen in de zin van voor het eerst tot God gaan".
Maar daarna komt het geloof in Jezus Christus". De Heere Jezus zette ook de bekering voorop volgens Marcus 1 vs. 14, 15: , , En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het evangelie van het Koninkrijk Gods, en zeggende: , , De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u en gelooft het evangelie". Als de ontroerde hoorders in Hand. 2 aan Petrus vragen : , , Wat zullen wij doen, mannen broeders ? ", zegt Petrus : , , Bekeert u". Altijd is er eerst het bukken voor God, het schuld belijden, het aanvaarden van het rechtvaardig vonnis, en dan het geloof in Christus. Men wil tegenwoordig wel eens een andere volgorde aanbevelen. Dat is tegen de belijdenis der kerk en tegen de Schrift, als men dat maar weet. God zendt Zijn boodschappers tot uitverkorenen en verworpenen om hen te roepen tot bekering en geloof. Sommigen zeggen, dat dit niet goed kan zijn want dat alle mensen dood zijn in zonde en misdaden. Dat is echter niet onze zaak. God laat roepen. Hij laat niet de wedergeborenen roepen, maar de mensen, die midden in hun zonde en vervloeking liggen. En dan gebeurt het wonder, dat de doden horen. God' roept niet de levenden, maar de doden. Niet die geloven, maar tot geloof. Wanneer komt dat geloof ? Als de Heere het verstand des mensen verlicht, anders nooit. Doch dat schept niet een nieuw evangelie, wel een nieuw horen. Uitverkorenen en verworpenen krijgen hetzelfde evangelie. Dit is noodzakelijk. God heeft het zo ingesteld. Maar de zaak eist het ook. Dat staat duidelijk in Rom. 10. Als God een zondaar het geloof in Jezus Christus schenkt, is het in de gewone weg door de prediking: gesproken of geschreven, vers gehoord of in de herinnering bewaard. Het is onmogelijk de naam van Jezus zelf te bedenken en het is ook Gods geopenbaarde wil niet, dat wij die naam zonder verkondigers door onmiddellijke openbaring zouden kennen. Veracht daarom de prediking nooit. Doch sla acht op de zuivere prediking. Want hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? In elk geval : het ware evangelie niet. Niemand kan het evangelie recht prediken, tenzij God zijn .verstand verlicht. Anders predikt hij een ander evangelie of hij spreekt het uit als een zaak, die hem vreemd is. Zo wil God met ons op menselijke wijze handelen. Het zijn mensen, .door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus, de Gekruisigde. Daar is nog geen onderscheid. Door de prediking wordt de Christus met al wat Hij verworven heeft, aangeboden.
Een mens zegt wel eens : Zou die aanbieding wel voor mij wezen ? M.a.w. zou God het wel menen ? Dat mag niet eens gevraagd worden. God is volkomen oprecht, als Hij de mensen Christus laat aanbieden. Maar uit onszelf kunnen wij nooit deze aanbieding aannemen, omdat wij in de zonde en in de ongerechtigheid willen blijven. Een mens is.in Adam de duivel toegevallen en hij wil daar blijven, ook als hij weet, dat hij naar de hel moet.
Maar als God de mens te sterk wordt, dan kan hij het tegen God niet meer uithouden en dan neemt hij Christus aan op dezelfde aanbieding, die welgemeend door een oprecht God aan allen gedaan wordt. De mens van nature echter wil in de zonde blijven. ,
Hebt u dat reeds verstaan, dat u zó diep gevallen bent? Wij hebben van nature de duisternis liever dan het licht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's