Brief aan mijn vriend te Meerstad
Zuidstad, 17 Sept. 1955.
Beste Jan,
De vacanties zijn voorbij en vrijwel iedereen is weer aan zijn werk. Ik moet toch beginnen je m'n compliment te maken over jullie prestaties te Meerstad ten aanzien van de bouw van enige lokaliteiten voor verenigingen en catechisaties. Gelden zijn bijeengezameld, allen die werken wilden en konden zijn aan de slag gegaan in de avonduren, de dominee bleef niet achter om een overal aan te trekken, evenmin als de president kerkvoogd en samen braken ze het oude huis af en bouwden een mooie nieuw gebouw op. Dat is nog eens samenwerken in eendracht, zodat een resultaat werd bereikt, dat anders zo niet onmogelijk, dan toch in elk geval veel moeilijker bereikt zou zijn gev/orden. Op deze wijze werd de band met de kerk versterkt en een gevoel van saamhorigheid aangekweekt.
Er is toch wel een belangrijk klimaatverschil tussen onze woonplaatsen. Dat viel me nu ook weer op in deze vacantie. Je kunt hier van die typische dingen meemaken en lezen. Eén van die dingen is de beoordeling en beschouwing in R.K. kringen van het priesterschap.
De Katechismus der Nederlandse Bisdommen vertelt er dit over: Christus heeft de priesterlijke macht in zijn Kerk gegeven aan zijn Apostelen en aan hun opvolgers en medehelpers. Christus zelf is en blijft de eeuwige Hogepriester, maar Hij doet al zijn priesters delen in zijn eeuwig Priesterschap. De H. Kerk oefent de priesterlijke macht uit door het H. Misoffer op te dragen, de Sacramenten toe te dienen, door te wijden en te zegenen en door uit naam van de gelovigen te bidden. Het H. Priesterschap is het Sacrament, dat aan degenen, die daartoe geroepen zijn, de macht verleent om het Priesterschap van Christus voort te zetten. Alleen de bisschop kan het H. Priesterschap toedienen. Door het H. Priesterschap ontvangt de wijdeling: een eeuwigdurend merkteken, waardoor hij deelachtig wordt aan het H. Priesterschap van Christus ; vermeerdering van heiligmakende genade en genade van bijstand, om een goed dienaar van Christus en de H. Kerk te zijn.
Calvijn merkt hiertegen op : Maar het is allerminst nodig, dat voor Christus, die onsterfelijk is, een plaatsvervanger wordt gesteld. Daarom is Hij door de Vader aangewezen tot Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek : opdat Hij een eeuwigblijvend priesterschap zou bekleden. Degenen nu, die dagelijks offeren, moeten noodzakelijk priesters aanstellen om die offers te verrichten, en die priesters moeten ze stellen in de plaats van Christus als zijn opvolgers en plaatsvervangers. En door dat in de plaats stellen beroven ze niet alleen Christus van zijn eer en ontnemen ze Hem het voorrecht van zijn eeuwig priesterschap, maar ook trachten ze Hem van de rechterhand des Vaders te verdrijven, alwaar Hij niet onsterfelijk kan zitten zonder tevens eeuwig Priester te blijven. En laat hen niet aanvoeren, dat hun offerpriesters niet gesteld worden in plaats van Christus, alsof die gestorven was, maar dat zij slechts helpers zijn van zijn eeuwig priesterschap, hetgeen daarom nog niet ophoudt te 'bestaan. Want door de woorden van de apostel (Hebr. 7 vs. 23) worden ze te sterk in het nauw gebracht, dan dat ze zo zouden kunnen ontsnappen : immers hij zegt, dat meer anderen priester zijn geworden, omdat ze door de dood verhinderd werden altijd te blijven. Dus is Christus, die niet door de dood verhinderd wordt, de enige Priester en heeft Hij geen ambtgenoten nodig.
Nu is het merkwaardig, te lezen hoe niet theologen in r.k. bladen over het priesterschap spreken ; laat ik je hiervan eens een voorbeeld geven, dat mij trof. De taak van de priester, zo schreef een journalist, is gericht op de eeuwigheid, is gericht op het eeuwig heil der onsterfelijke zielen; zijn taak is het, de menselijke ziel, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, steeds meer op het Goddelijk model te doen gelijken, zoveel op God te doen gelijken, dat ze waardig bevonden worden in der eeuwigheid zich in Gods liefde en tegenwoordigheid te verheugen, van aangezicht tot aangezicht.
Dit is een huiveringwekkend verantwoordelijke taak; dit werk is van een niet te schatten waarde en er over te schrijven is een erkennen van de onmacht, de hoogheid van het Priesterschap slechts ook maar te benaderen.
Bij de Kerkvaders lezen wij herhaaldelijk, wanneer zij schrijven over de Hoogheid van het Priesterschap, dat de Priesters uitverkoren zijn ver boven de Engelen; zei de H. Franciscus niet dat hij, wanneer hij een engel en een priester tegenkwam, eerst de priester zou groeten ?
Het is van heel groot belang te denken aan de priester als aan de uitdeler van de Goddelijke genadegaven, hem te zien als de uitverkorene, die dagelijks het offer van Christus op het altaar mag vernieuwen ; die dagelijks Christus' avondmaalswoorden mag herhalen en mag meewerken aan de altijddurende tegenwoordigheid van Christus Eucharisticus ; de priester, op wiens woord het brood en de wijn worden veranderd in het H. Lichaam en Bloed van Christus.
De priester, die in het H. Doopsel ons van de smetten der erfzonde vrij maakt en ons maakt tot Kind van God, die de macht heeft te binden en te ontbinden, die in de biecht de relatie tussen God en ons weer herstelt.
Deze journalistieke peroraties tonen ons een overschatting van de priester en het resultaat van de verschillende ketterijen, die in de r.k. kerk geleerd worden. Dit verklaart ook de devote houding, die in deze kringen vaak ten opzichte van het priesterschap wordt aangetroffen. Wie de Heidelberger enigermate kent, zal het niet moeilijk vallen daarin de nodige contra-argumenten te vinden tegenover hetgeen hier beweerd werd.
Ik heb echter de indruk, dat veelal r.k. zich niet bewust zijn van de scherpe tegenstellingen in de geloofsovertuiging van protestanten en r.k. Een goede kennis vertelde me het volgende waaruit, dit wel blijkt. In een gemengde vereniging, waarvan het ledental echter overwegend r.k. is, was een der vooraanstaande r.k. leden overleden. Hij werd op een vergadering der vereniging herdacht en er werd voorgesteld en besloten op kosten der vereniging enige missen voor zijn zielerust te laten lezen. , , Och", zo werd er gezegd, , , dit is nog het énige, wat we voor hem kunnen doen". Mijn zegsman was stom van verbazing geweest. Het drong 'blijkbaar niet tot deze brave lieden door, dat het absurd is van protestantse leden te verlangen, dat ook zij bijdragen aan dit lezen van missen, terwijl zij dit naar hun eigen overtuiging niet alleen volkomen waardeloos moeten achten, in verband met het gestelde doel, maar óok geheel in strijd met hun eigen overtuiging. Doch laat ik het er ditmaal weer bij laten. Met vriendelijke groeten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's