De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk I, art. 4.Die dit evangelie niet geloven, op die blijft de toorn Gods. Maar die het aannemen, en de Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen, die worden door Hem van de toorn Gods en van het verderf verlost, en met het eeuwige leven begiftigd. (Joh. 3 vs. 36 ; Marc. 16 vs. 16).
Ook in dit artikel wordt nog niet over de uitverkiezing gesproken. De noodzakelijkheid van het geloof wordt nog eens aangeduid en de gevolgen van ongeloof en geloof getekend. Het geloof is onmisbaar. Hoewei het geen waardigheid heeft, is het desniettemin onmisbaar.
, , Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen". Zonder geloof is er niet anders dan de toorn Gods. Dat staat duidelijk in Joh. 3 vs. 36. Het wordt wel eens zó voorgesteld, dat een zondaar alleen door zijn ongeloof verloren gaat. Dat klopt niet. Een gevallen Adamskind gaat niet verloren door en na zijn betoning van ongeloof, doch is en ligt verloren vóór de prediking van het evangelie tot hem komt. Daarom lezen we in Joh. 3 VS. 36 : , , Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven ; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem". In overeenstemming hiermee zeggen onze Leerregels : , , Die dit Evangelie niet aannemen, op die blijft de toorn Gods". Wanneer is deze toorn er op gekomen? Grosheide schrijft in zijn commentaar op Joh. 3 vs. 36 : , .Ongehoorzaamheid in het Paradijs bracht de toorn Gods over de mens. Wordt de prediking van Jezus niet in het geloof aanvaard, dan blijft de toorn". Volgens de Heilige Schrift ligt de toorn Gods op alle mensen. Men kan gerust zeggen, dat zij ontbrand is door de zondeval van Adam. In het vonnis dat God uitspreekt in Genesis 3, komt de toorn Gods openbaar. Daarover klaagt Psalm 90 : , , Want wij vergaan door Uw toorn". Het Woordenboek, dat naar G. Kittel heet, zegt van de toorn Gods : , , Boven dit alles uit vinden wij in het O. Testament de verkondiging van de heerschappij van Gods toorn over alle mensenleven. Het Oude Testament verklaart de moeite en de vergankelijkheid van het leven uit de toorn Gods, die een gevolg is van de overmoed des mensen en de schuld die deswege op hen drukt. Vanaf de val van de eerste mens (Gen. 2—3) loopt deze lijn door de oudste geschiedenis over de eerste broedermoord (Gen. 4), de toenemende verdorvenheid des mensen (Gen. 6—8) en hun hemelbestormende plannen (Gen. 11), tenslotte tot de uitspraak : , , Want wij vergaan door Uw toorn en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt". Dit woord vindt zijn grond in de verwijzing naar de schuld des mensen : , , Gij stelt onze ongerechtigheden voor U". Men vergelijke ook Job 14 VS. 1—4 : , , De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust Wie zal een reine geven uit een onreine". Bijgevolg staat alle leven der mensen als een leven der zonde onder de steeds werkzame toorn Gods". Wat is de grond van de toorn Gods ?
Dat de mens God veracht. Hij is van God afgevallen en de duivel toegevallen. Paulus toont in Romeinen 1—3 aan, dat de ganse wereld, Joden en heidenen, onder de toorn Go.ds staat. De toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel. Niemand is niet door de toorn Gods getroffen. Men kan er alleen maar van verlost worden, nooit van nature vrij van zijn. De toorn Gods rust op elk vanwege elks overtreding van Gods heilige wet. Vervolgens wordt zij groter door het ongeloof en de verwerping van Christus. Het ongeloof brengt ons dus niet onder Gods toorn, maar betekent dat wij er onder blijven en onze verdoemenis en gericht zwaarder maken. Calvijn merkt bij Joh. 3 VS. 36 op : „Het mishaagt mij niet hetgeen Augustinus zegt, dat hij het woordeke blijven gebruikt, om ons te verstaan te geven, dat wij van ons moeders lichaam af den dood toegeëigend zijn, aangezien wij allen als kinderen des toorns geboren worden. Tenminste laat ik zodanige toespeling gaarne toe, zo verre wij slechts weten, dat dit de natuurlijke en eenvoudige zin is, dewelke ik gezegd heb, dat n.l. op alle ongelovigen de dood alzo ligt, en hen bedrukt en overstelpt, dat zij hem nimmermeer kunnen ontgaan. En voorwaar, hoewel de verworpenen van nature al verdoemd zijn, zo halen zij nochtans zichzelf door hun ongehoorzaamheid een nieuwe dood op de hals" Dus alleen het geloof kan ons zalig maken. Wij liggen verloren en uit die verlorenheid kan alleen het geloof ons bevrijden. Het eeuwig besluit Gods bevrijdt ons zonder meer niet. De komst van Christus op aarde bevrijdt ons zonder meer niet. De prediking van het evangelie bevrijdt ons zonder meer niet.
Door het geloof alleen, sola fide.
In de genoemde tekst. Joh. 3 vs. 36, wordt ongeloof ongehoorzaamheid genoemd. Dan is geloof gehoorzaamheid. Geloof wil dus niet zeggen, dat iemand bijzonder godsdienstig is of een geweldig groot Godsvertrouwen heeft. Geloof is nooit een natuurlijke eigenschap.
Daar zijn wel bijzonder godsdienstige mensen, ook mannen en vrouwen, die schijnbaar nooit wankelen en altijd door vertrouwen. Maar zulken zijn daarmee nog geen gelovigen in de zin van de Bijbel. Geloof is gehoorzaamheid. Het is een buigen voor de openbaring Gods. Het is geen gehoorzaamheid aan de Wet des Heeren, hoewel deze gehoorzaamheid er onmiddellijk mee samenhangt. Het is gehoorzaamheid aan het evangelie. Dat drukten de ouden uit, door bij de inwendige roeping van een overbuiging des harten te spreken. Men is daarom fout, als men het geloof een sprong noemt, Een sprong zou betekenen, dat het de uiterste krachtsinspanning van een mens zou zijn, waarmee hij zich heenslingert over het ravijn des doods naar de veilige overkant, zich overgevende in Gods handen. Het geloof is veelmeer het omgekeerde van een sprong des mensen. Die sprong, dat zich over willen geven, dat zich aan God of aan Christus toevertrouwen, kan wel eens het laatste zijn wat de mens nog denkt te kunnen doen om behouden te worden.
Hoe wordt hij nu zalig? Niet door deze sprong, want daarmee komt hij nooit verder dan midden in 't kokende water. Maar als hij dan dreigt te verdrinken, wordt hij van Christus Jezus gegrepen. Wij kennen het woord van de apostel Paulus : , , waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben".
Artikel 4 spreekt van , , de Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen". Wat is dat en hoe komen wij daartoe ? Die vraag, het zal ieder duidelijk zijn, is van het allergrootste belang. Het is niet genoeg, dat wij over het geloof schrijven of lezen, wij moeten het waarachtige en levende geloof hebben. Ik vrees, dat er menige predikant en professor zal zijn, die in zijn leven veel over het geloof geschreven en gesproken heeft en die in de dag der dagen zal blijken geen mosterdzaadje van het waarachtige en levende geloof te bezitten. Ieder van ons zal in zijn hart gevoelen, dat het een wonder zal zijn als het met ons anders is. Het gevaar is groot, dat wij anderen gepredikt hebbende, zelf verwerpelijk zullen bevonden worden, zoals de apostel Paulus in 1 Cor. 9 vs. 27 zegt. Grosheide merkt hierbij op : , , Zijn ambt, het openlijk verkondigen van het evangelie, doet hem de weg des heils zo goed kennen. Daarom moet hij zich als Christen te beter trainen. Vreselijk zou het zijn, indien de oefening des geloofs ontbrak. want dan zou hij, ondanks zijn prediken, de proef niet doorstaan, de kans lopen om door God verworpen te worden". Het zou niet minder vreselijk zijn, als het waarchtige en levende geloof ontbrak en niet alleen de oefening. Paulus stelt de mogelijkheid, dat hij verwerpelijk, d, i. niet echt bevonden zal worden. Wat is dat: , , Jezus met een waarachtig en zaligmakend geloof omhelzen" ?
Ik heb zo even gezegd, dat het geloof moeilijk met een sprong vergeleken kan worden. Boston schrijft daar in zijn „Viervoudigen Staat" zeer leerzaam over. Men zou het de beschrijving van de , , geloofssprong" kunnen noemen, als wij dit bij hem lezen : , , Nu is de tijd gekomen, wanneer de mens tussen hoop en wanhoop, voorneemt om tot Christus te gaan zoals hij is ; . en derhalve vergadert hij al de gebroken krachten van zijn ziel bijeen, beproeft om te geloven, en in zekere wijze grijpt hij Jezus Christus aan". Boston noemt dit , , een natuurlijk geloof voortgebracht door de natuurlijke sterkte van iemands eigen geest, onder een allerdrukkendste nood". Ook van dit eigen werk, van deze , .sprong", komt de Heilige Geest de onwaarde bekend maken. , , De Geest van God ontdekt overtuigende aan de zondaar zijn uiterste onvermogen om enig ding te doen, dat goed is en dus sterft hij. (Rom. 7 VS. 9). Die stem slaat krachtig door zijn ziel: Hoe kunt gij geloven ? (Joh. 5 VS. 44). Gij kunt niet meer geloven, ' dan dat gij uw hand tot de hemel zoudt strekken en Christus van daar nederbrengen. En dus ziet hij ten laatste, dat hij zichzelven niet kan helpen door werken, noch door geloven. En terwijl hij dus in verlegenheid is, ziende zichzelf waarschijnlijk weggevaagd te zullen worden met de vloed van Gods toorn, en nochtans onmachtig om zo veel als een hand uit te steken, om een tak aan te grijpen van de Boom des levens wordt hij opgenomen en ingeënt in de ware Wijnstok, de Heere Jezus Christus, hem gevende de Geest des geloofs".
Hoe gaat het dus toe met het omhelzen van de Zaligmaker Jezus ? De Wet snijdt de mens af van de natuurlijke stam. Het evangelie plant hem in de bovennatuurlijke stam.
En schoon de prediking van de Wet de weg bereidt voor den Heere ; echter is het in het Woord van het Evangelie, dat Christus en de zondaar elkander ontmoeten. Het Evangelie is de zilveren koorde, neergelaten van de hemel om verloren gaande zondaren aan land te halen Christus grijpt de zondaar, en de zondaar, gegrepen zijnde van Christus, grijpt Hem. En zo worden zij één. (Pil. 3 vs. 12).
Wat gebeurt er als Christus de zondaar, die de laatste sprong gewaagd heeft en nu in zinkende toestand verkeert in de golven van Gods toorn, grijpt door Zijn Geest en tot Zich trekt? Dan krijgt deze mens een verrukkend gezicht van Christus' uitnemendheid in de spiegel van het Evangelie. Hij ziet Hem als een volle, gepaste en gewillige Zaligmaker. Hij ontvangt een hart om Hem aan te nemen voor en in plaats van alles. De Geest des geloofs voorziet hem van voeten om tot Christus te komen en handen om Hem aan te nemen. Wat hij door de natuur niet kon doen, kan hij nu doen door de genade.
Wat gebeurt er als de zondaar, door Christus gegrepen, Christus door het geloof aangrijpt ? Hij wordt één met Christus. Hij omhelst Christus in een dadelijk geloof. Christus en de christen zijn getrouwd. Zij hebben nu allebei ja gezegd, 't Geloof is de toestemming van de ziel aan het geestelijk huwelijksverbond. Dit verbond wordt onbegrensd aangeboden aan zondaren van het menselijk geslacht. Maar het wordt voorgesteld, bevestigd en thuisgebracht tot de mens, in 't bijzonder door de Heilige Geest. Wie zó met de Heere verenigd is, is één Geest met Hem. Wat is de vrucht ? Een gelovige leeft in en voor Christus. Christus leeft in en voor de gelovige. (Gal. 2 VS. 20).
Waaraan kan ik weten of ik een waarachtig en levend geloof heb ? Dat gij tot Christus gekomen zijt met uw gehele hart en toen de rust hebt gevonden. Toen Christus uw ziel aangreep, is uw hart losgemaakt van de zonde en van het eigen ik. Het rijmpje zegt:
Hoe raak ik nog mijzelve kwijt. Om Jezus voor een eeuwigheid Recht hartelijk te lieven ?
Hier is het antwoord. Als de mens verloren ligt en Christus hem aangrijpt, raakt gij u zelf kwijt en krijgt ge Gods Wet lief.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's