MODERN LEVENSGEVOEL
IX.
Religieuze herleving ?
Een existentiefilosoof zei eens tegen mij, dat het existentialisme de stoot zal geven tot een nieuwe religieuze herleving. Wij zijn de pioniers van de Christelijke Kerk, zo voegde hij er aan toe, omdat wij de ogen van de vermaterialiseerde mensen trachten te openen voor een andere wereld dan die der materie.
Alhoewel wij de existentialisten moeilijk kunnen huldigen als de wegbereiders naar de Kerk, zijn er toch wel symptomen in het existentielistisch denken aan te wijzen, die tot zulke gedachten aanleiding kunnen geven, waarbij wij dan het atheïsme van Sartre voorbij zien. Aangezien de godheid der rede voor velen van haar voetstuk is gevallen, ziet men uit naar een andere werkelijkheid, die men met een goddelijk aureool zou kunnen omgeven. De mens blijft nu eenmaal een religieus wezen en zijn religieuze grondgevoelens stuwen hem voort tot de realisering van datgene, waarnaar zijn hart hunkert, Het besef van de ongenoegzaamheid der rede doet de mens een andere weg zoeken om te vinden wat zijn innerlijke existentie vrede schenkt. Dit hunkerend religieus grondgevoel, dit , , metaphysirches Bedürfnis" is door vele existentiefilosofen als een wezenlijke trek van het mens-zijn onderkend. Bijgevolg trachten zij in hun denken hieraan een plaats te geven.
Nu moet men, om te beginnen, een scherp onderscheid maken tussen religieuze herleving en kerkelijke herleving. Religieuse herleving betekent nog niet kerkelijke herleving. Van deze laatste zijn weinig tekenen te bespeuren en het schijnt, dat de invloed der kerken op het volksleven eerder vermindert dan toeneemt. Maar deze achteruitgang betekent nog niet, dat ook de religieuze belangstelling afneemt. Ik meen te mogen zeggen uit pastorale ervaring en gezien bepaalde reacties op radiotoespraken, dat deze zelfs toeneemt. Natuurlijk vergeten wij niet, dat er een hoog percentage mensen in allerlei kringen is, dat louter leeft voor ontspanning, bioscoop en jolijt en onverschillig staat voor elk geestelijk gesprek. De benadering van deze tijdgenoten vormt wel één der grootste problemen in de kerkelijke practijk. Hoe kan men belangstelling voor het Evangelie wekken als er helemaal geen belangstelling voor het geestelijke bestaat ?
Toch is er rondom het terrein der kerken een brede zoom van mensen te bespeuren, die bezig zijn met godsdienstige en bijbelse vraagstukken. De vraag is wel eens gedaan, of er des Zondags meer personen naar de kerkdienstuitzendingen van de radio luisteren dan er mensen in de kerken zitten. De practijk der evangelisatie leert ons, dat te midden van al het materiële de 'hunkering naar , , het andere" een reële werkelijkheid is, die het bijbelwoord bevestigt, dat de mens bij , , brood" alleen niet kan leven.
In het algemeen tracht men in het moderne leven dit religieuze verlangen te grijpen onder het woord „mytisch". Met een voorbeeld zal ik trachten de inhoud van dit woord duidelijk te maken. Een landschap kan men op tweeërlei wijze beschouwen. Men kan het beschouwen, zoals een landmeter dat doet, n.l. op een geometrische manier. Hierbij speelt het verstand een grote rol en op wetenschappelijke wijze wordt het landschap in tekening gebracht. Het , , hart" staat hier geheel buiten, 't Gaat er om dat de maten zuiver zijn en dat alles rationeel verantwoord is. Hoe geheel anders is de beschouwing door de toerist van het landschap. Hierbij is 't rationele denken meer uitgeschakeld en speelt de ontroering een grote rol. Er gaat een andere sprake uit tot de mens dan een louter wetenschappelijke sprake. Het hart wordt geroerd en de mens wordt tot hogere gevoelens opgetrokken. Deze sprake, die van zo'n landschap uitgaat, zou men een , , mythische" sprake kunnen noemen.
Nu kan men opmerken, dat deze , , mythische"" sprake eigenlijk een aesthetische ontroering inhoudt. Ongetwijfeld, maar dit is het merkwaardige van het moderne denken, dat het de kunst en de aesthetische genieting beschouwt als de opening van de eeuwige waarheid. De existentiefilosofie ziet, in tegenstelling tot de rationele filosofieën, de kunst als organon van de filosofie en van de religieuze ontroering. De aesthetische en religieuze ontroering liggen dicht naast elkaar. Iemand, die door de schoonheid van een landschap getroffen wordt, is geneigd te spreken over' de , , grootheid Gods". Ja men gaat zelfs verder door op te merken, dat op die wijze God Zijn sprake. Zijn , , Chiffre"-sprake tot ons doet komen. De gewone dingen zijn voor het verstand , , gewoon", voor de religieus existerende mens zijn diezelfde dingen ongewoon, tekenen van een eeuwige werkelijkheid, waarin de fluisterende stem van de Eeuwige tot ons doordringt. En vanuit deze , , mythische" sprake tracht men de moderne mens met zijn hunkerend religieus grondgevoel een weg te wijzen, waarop deze met de problematiek der eeuwigheid in het reine zou kunnen komen. *
De vraag is, hoe wij als Christenen, die willen buigen voor de autoriteit van de Godsopenbaring, dit alles hebben te waarderen. Ongetwijfeld spreekt de H. Schrift ook over de sprake van de schepping.
Wij denken o.m. aan de natuurpsalmen, aan de poëtische gedeelten in Job en andere plaatsen. Het meest treffende is wel Ps. 19 : , , De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen. Ook in deze Psalm beschrijft de dichter hoe de hemelkoepel als het ware een sprake van de heerlijkheid Gods in zijn hart doet uitgaan. Maar, en dat is nu het verschil met de mythische filosofie van onze tijd, deze sprake is niet de sprake van een fluisterende, onbekende God, maar de sprake van Hem, Die de wet heeft gegeven. Vers 8 zegt: , , De wet des Heeren is volmaakt, zij verkwikt de ziel; de getuigenis des Heeren is betrouwbaar. zij schenkt wijsheid den onverstandige. De dichter heeft God niet leren kennen door de sprake van de natuur, maar door het onderwijs van de wet. En na dit onderwijs van de in de thora zich openbarende God ziet hij diens eer en glorie uitgespreid in de werken Zijner handen. De Gereformeerde belijdenis (art. 2) erkent een kennis Gods door de schepping, onderhouding en regering van de wereld, welke voor onze ogen is als een schoon boek, waarin alle schepselen, grote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven, n.l. Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. (Rom. 1 VS. 20). Maar deze kennis is ongenoegzaam. In de natuur ontmoeten wij God niet wezenlijk en vinden wij niet het antwoord op de zondennood van onze ziel. In de goddelijke Schriftuur heeft God Zich , , klaarder" en , , volkomener" geopenbaard. Daarin wordt de ziel verkwikt en de wijshefd aan de onverstandige geschonken. Meer dan de , , mytische" sprake van de natuur is de klare wijsheid, ons door de woorden Gods geschonken.
De benadering van de religieuze existentie door het moderne denken geeft ons wel iets te denken. Maar dit licht is een weifelend licht van een eenzame ster in de donkere nacht der problematiek.
De Godsopenbaring in Jezus Christus is , , de opgang uit de hoogte", het licht van de opgaande zon, dat de duisternis verdrijft en de worstelende mens schenkt de ware vreugde, vrede en vrijheid. Met dit bezit is de Kerk van Jezus Christus vooral in deze tijd met zijn , , mythische" religieusiteit zo onuitsprekelijk rijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's