De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CHRISTEN-ZIJN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CHRISTEN-ZIJN

11 minuten leestijd

in de Nederlandse samenleving

II.

De herderlijke brief geeft op een bezinning omtrent het reformatorisch karakter der Hervormde Kerk niet veel uitzicht, al klaagt men over de verdeeldheid van christenen en kerkgenootschappen van „reformatorische" huize.

Veeleer schijnt de onderstelling aan dit geschrift ten grondslag te liggen, dat het reformatorisch karakter der Hervormde Kerk niet in discussie is, of behoeft te zijn. , , Het wil in de eerste plaats een poging zijn om als Kerk der reformatie (cursivering van mij, S.) een aan het Woord Gods bindende en daarom bevrijdende visie te geven op het christen-zijn in onze tijd"... (blz. 5). Het gaat er maar om, wat men onder de kwalificatie Kerk der reformatie verstaat. Wil men daaronder alleen een historisch verband met de reformatie verstaan, zodat men alle uit de reformatie voortgekomen kerkgenootschappen en denominaties onder de noemer reformatorisch brengt ondanks haar innerlijke tegenstellingen, dan wordt de zoeven genoemde onderstelling duidelijk en kan ook het woord reformatorisch worden vertaald door het woord niet-Rooms of zo men wil protestants.

Neemt men het woord reformatorisch echter in een zin, die meer principieel de innerlijke tegenstelling met de Roomse leer en de Roomse cultus op het oog heeft en op het reformerend principe zelf de nadruk legt, dan is het zeer de vraag, of het reformatorisch karakter der Hervormde Kerk niet in kwestie is.

Dan toch treedt het Schriftgeloof als het principe der Reformatie op de voorgrond : n.l. dat geloof, hetwelk de Heilige Schrift als het Woord van God ontvangt (vgl. de Ned. Geloofsbelijdenis. Artt. 3-7). Dat wil dus zeggen, dat de reformatie zich liet leiden door de religie der Schriften. Daarin ligt tevens de grond en oorzaak van het persoonlijk karakter des geloofs in onderscheiding met het Roomse standpunt. En daarmee weer hangt samen, dat de waardering der belijdenis in de reformatie een andere is geworden, omdat deze ook als persoonlijke expressie van het gemeenschappelijk geloof gaat functioneren.

Al deze dingen tezamen geven een geheel ander kerkelijk leven dan onder de Roomse cultus, juist door dit persoonlijke in het gemeenschappelijk geloof. Intussen kan men begrijpen, dat de gemeenschappelijke belijdenis in de persoonlijke binding alleen in zoverre functioneren kan, als de personen door hetzelfde geloof en dezelfde Geest des geloofs gedreven worden, door welker werking de reformatoren werden gedreven : , , Eén geloof, één doop, één Heere".

De persoonlijkheid, welke in het reformatorisch geloof zulk een beduidende rol' speelt, en welke juist in de geloofsrelatie zo krachtig opleeft, — dat moet gezegd — brengt ook gevaren met zich mede ten aanzien van de kerkelijke eenheid.

Ten eerste zal nooit kunnen worden voorkomen, zowel in de practijk der Christelijke religie in het algemeen als in die van het Protestantisme in het bijzonder, dat persoonlijke gevoelens en inzichten op stukken des geloofs in meerdere of mindere mate afwijken van de kerkelijke belijdenis. Het ligt dan ook in de aard der zaak besloten, dat zulke afwijkingen binnen zekere grenzen worden getolereerd.

De beperking binnen zekere grenzen is echter gemakkelijker geponeert dan bepaald!

Waar wordt de grens overschreden ? Men onderscheidt dan capitale of fundamentele stukken des geloofs van minder gewichtige of , , middelmatige" stukken. Over de eerste stukken kan geen onenigheid worden toegelaten, over de laatste twist men niet.

Nog eens, waar is de grens tussen fundamenteel en niet meer fundamenteel? Men kan hierop antwoorden, dat fundamenteel moet worden geacht, wat klaar en duidelijk volgens de Heilige Schrift aan het wezen van het Christelijk geloof eigen is, b.v. het geloof in de heilsfeiten.

En met nadruk moet er op gewezen, dat ook het reformatorisch Schriftgeloof tot de fundamentele stukken behoort en wel als het fundamentele stuk moet worden gewaardeerd.

Uit een en ander volgt, dat de z, g. modaliteitenkerk van nu, niet aan deze maatstaf beantwoordt en bezwaarlijk reformatorisch van karakter kan worden genoemd, al vertoont zij nog groeperingen, die dat karakter meer of minder getrouw trachten te bewaren en er voor opkomen.

Ten tweede. De geschiedenis kan aantonen, dat telkens weer dissenties naar het gevoelen der kerkelijke instanties, die zulks te beoordelen hebben gehad, de grens van het gemeenschappelijk geloof overschreden en werden uitgewezen, soms groepsgewijze. Ook leert de ervaring, dat scheuringen ontstonden, als de kerkelijke tucht niet meer bij machte was en de kerkmensen zelf de consequenties van hun critiek op de , , kerkelijke" nalatigheid, vrijzinnigheid of onmacht trokken.

Ten derde. Het staat buiten twijfel, dat de Christelijke religie de persoonlijkheid wekt en sterkt, doch wanneer de bindende kracht van het persoonlijk geloof en de daaraan eigene tucht de persoonlijkheid gaat ontbreken, verdwijnt ook de adel der persoonlijkheid en dreigt zij tot individualisme af te zinken.

De kerk der reformatie hier te lande lijdt aan al deze kwalen tegelijk en zal daaraan ten gronde gaan, als 't proces der ontbinding, waarin zij verkeert, niet tot staan wordt gebracht door hernieuwde reformatorische kracht.

Daarom zijn wij van oordeel, dat in de allereerste plaats bezinning op het reformatorisch karakter der kerk nodig is, zal zij eenigermate opgewassen zijn tegen de taak, welke de herderlijke brief haar wil toedenken : n.l. , , een aan het „Woord Gods bindende en daarom bevrijdende visie te geven op het christen-zijn in onze tijd, waarbij wij de aandacht bijzonder richten op de vragen, die betrekking hebben op het verband , , van Kerk en cultuur. Kerk en Staat en „Kerk en maatschappij" (blz. 7).

Ieder kan proeven, dat van deze taak niets kan terecht komen als men in het onzekere verkeert omtrent het wezen der Kerk en de eisen, aan haar als openbaring van het Lichaam van Christus gesteld. De drie genoemde relatieën blijven ten enenmale nevelachtig, als men omtrent het wezen der Kerk zelf in de mist zit. En dat doet men.

Hoe verwacht men verder een visie te kunnen geven op de drie genoemde verhoudingen, en wel een aan 't Woord Gods bindende, als men telkens weer blijk geeft van zodanige opvattingen over de betekenis van het Woord Gods te hebben, dat niemand eigenlijk zou kunnen zeggen, waarin die binding zit en waaraan wij gebonden zijn?

Wij kunnen voortgaan met vragen aangaande de aangehaalde formulering van de voorgestelde taak.

Men spreekt van een , , visie op het christen-zijn in onze tijd". Wat dat bedoelt, wil in de volgende bladzijden van de herderlijke brief uiteengezet zijn.

Doch op zichzelf beschouwd is de redactie , , het Christen-zijn in onze tijd", toch op zijn minst eigenaardig, alsof Christen-zijn een zijnswijze ware, en dan nog wel een veranderlijke zijnswijze, al naar de tijd, waarin men leeft. De laatste eeuwigheidsglans schijnt hier verdwenen en daarmede het eigenlijke.

Gaan wij de betekenis van het woord Christen na, dan blijkt uit Hand. 11 vs, 26, dat de discipelen te Antiochië voor het eerst Christenen werden genoemd. Een Christen is derhalve een discipel van Christus  een leerjongen van Christus. Het discipel-zijn van Christus kan uit de aard der zaak niet onderworpen zijn aan de wisselvalligheden van de tijd, maar de wisselvalligheden der tijden zijn oorzaken, dat het discipel van Christus zijn niet in alle tijden even gemakkelijk is. Er zijn tijden van vervolging, tijden van vrijheid. En zo bedoelt de herderlijke brief klaarblijkelijk te vragen: hoe staat de Christen, dat is de discipel van Christus, tegenover de vragen van zijn tijd? En hoe staat hij dan tegenover de vragen van onze tijd?

Deze vragen kunnen echter niet al te eenzijdig naar de tijd getrokken worden zonder de hoofdzaak kwijt te raken.

Thans komt het hoofdstuk: Kerk en Cultuur aan de orde. § 1 draagt tot opschrift : Christen-zijn in onze tijd. Men wil niet beschouwen of theoretiseren, want dat zou tekort doen aan , , het meest wezenlijke van het Christelijk geloof", (blz. 7).

En dan komt het: „Christen-zijn is een „manier van „zijn", een wijze van bestaan".

„Het is niet het hebben van een beschouwing over de zin van leven en wereld.. Het is het hebben van een Heer en dan ook het zich voegen onder „Zijn heerschappij, die alles omvat".

, , Christen-zijn is leven in persoonlijke , , gemeenschap met Jezus Christus, ons , , stellen onder het gezag van Zijn Woord , , en Geest, ons vertrouwen richten op , , Zijn werkzaamheid in het heden en op , , de toekomstige openbaring van Zijn „heerlijk Rijk". Dit zijn grote woorden, , , die ver uitgaan boven de werkelijkheid „van ons dagelijkse leven en waarmede „dat leven ook telkens weer in tegen- „spraak is".

, , Daarom zijn het ook woorden, die zich tegen ons richten en waarin een  oordeel over ons bestaan ligt besloten. „Toch kunnen wij deze niet missen, , , wanneer wij ons willen hoeden voor „een gelijkschakeling van de werkelijk- , , heid van Jezus Christus, de levende „Heer, met de werkelijkheid van het , , Christendom, dat zich in allerlei vormen en gestalten in de geschiedenis , , heeft voorgedaan en zich ook in het „heden aandient in menselijke, al te „menselijke-gestalte". (blz. 7, v.).

Vermoedelijk zal dit nu een stukje , visie" wezen op het Christen-zijn.

Het is opmerkelijk, dat deze „visie", die het heeft over , , ons stellen onder het gezag van Zijn Woord en Geest", zo weinig Schriftuurlijk spreekt over het Christen-zijn, d, i. discipel van Christus zijn. Waar staat nu in de Heilige Schrift, dat wij ons vertrouwen moeten richten , , op zijn werkzaamheid in het heden" ? De Schrift stelt het vertrouwen gewoonlijk zeer persoonlijk: vertrouwen op Hem, ook vertrouwen op Gods goedertierenheid. En waar staat, dat wij ons vertrouwen moeten richten „op de toekomstige openbaring van zijn heerlijk Rijk" ?

Christus heeft beloofd, dat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden. Hij heeft gezegd, dat Hij is opgevaren tot Zijn Vader. (Joh. 20 vs. 17). Hij leert ons bidden: Uw Koninkrijk kome. (Matth. 6 vs. 10). En let dan eens op de zaligsprekingen (Matth. 5 vs. 3 v.v.) : Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Dit wordt ook gezegd van degenen, die vervolgd worden om der gerechtigheid wil.

Dat is toch wat anders.

De vraag dringt zich op, wat men eigenlijk bedoelt met „het gezag van Christus' Woord en Geest", als zelfs het geloof in de Christus niet wordt genoemd, hoewel door de Heilige Schrift zo grote nadruk wordt gelegd juist op het geloof in de Christus. Christen-zijn is toch in de eerste plaats in Christus — de Christus der Schriften — geloven. Die in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar die niet gelooft, is airede veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeborenen Zoons van God. (Joh. 3 vs. 18). Evenzo in vs. 36 : Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op Hem".

En dan wat betreft het vertrouwen richten , , op de toekomstige openbaring van zijn heerlijk Rijk". Wellicht heeft Nicodemus dat ook wel gedaan, doch de Christus zegt: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien !

Het ware te wensen, dat de herderlijke brief ook het oordeel, dat tegen ons is, meer Schriftuurlijk had uitgedrukt. Zou een herderlijke brief van de Synode niet meer ingang vinden, als zij het onderwijs van de grote Herder der schapen nauwgezetter volgde ?

Christen-zijn is in de eerste plaats discipel van Christus zijn. Hem door een waarachtig geloof ingelijfd zijn, en het doel der prediking is toch discipelen van Christus te maken en deze te leiden.

De herderlijke brief zegt, dat wij , , de , , grote woorden", die daarin gebezigd zijn, niet missen kunnen, wanneer wij ons althans willen behoeden voor een gelijkschakeling, die men schijnt te vrezen. Inderdaad kan gelijkschakeling wel eens heel onaangenaam zijn en onrecht doen aan het leven en men kan zelfs alle modaliteiten niet gelijkschakelen. n t h

De herderlijke brief vreest gelijkschakeling van de , , werkelijkheid van Jezus Christus, de levende Heer, met de werkelijkheid van het Christendom, dat zich in allerlei vormen en gestalten in de geschiedenis heeft voorgedaan". Dat die vormen en gestalten menselijk zijn, kan moeilijk tot een verwijt worden gemaakt. Hoe het zij : het Christendom is een verschijnsel onder de mensen en voor zover het Christendom echt is, uit waarachtig geloof leeft, zijn het mensen, die uit het geloof leven.

Wat een voorrecht, dat God zich op menselijke wijze heeft geopenbaard, enzich aan ons mensen te kennen geeft! En hoe zou een geschapen wezen anders dan in vormen en gestalten kennis van God en de goddelijke dingen kunnen höbben ?

Daarom zijn alle vormen en gestalten og niet gelijk te achten of gelijkelijk te verwerpen.

Intussen is een gelijkschakeling van de levende Christus, die aan de rechterhand des Vaders is, met het Christendom, dat op de aarde is, wel een heel erg vreemde onderstelling.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

CHRISTEN-ZIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's