CRISIS DER ZENDING
I
De Zending vraagt aan de Kerk in het vaderland steeds om meeleven. Zij behoort gedragen te worden door de voorbede en de offers van onze gemeenten. Voor dit meeleven is het nuttig, als wij op de hoogte zijn van de omstandigheden, waarin de Zendingsarbeiders overzee verkeren en de moeilijkheden waarmee zij te kampen hebben. Een trouw gemeentelid weet meestal wel iets over de Schriftuurlijke grondslag der Zending en heeft ook wel gehoord over de gevaren, waaraan zij in practijk blootstaat. Maar hoe de huidige situatie in 'n Oosterse Staat, zoals Indonesië thans wil zijn, er precies uitziet, is minder bekend. In enkele artikelen willen wij pogen daarvoor begrip te wekken om een bewust meeleven, waaraan de Zending zo'n behoefte heeft, te bevorderen.
Een levende Kerk is Zendingskerk. Hieraan houden wij vast, al verwerpen wij de theorieën over het apostolaat, die tegenwoordig in de Ned. Hervormde Kerk druk worden besproken. Immers wie lééft in het ware geloof, mag zichzelf niet in het middelpunt zetten, alleen voor eigen noden en vreugden aandacht hebben, maar moet in 't licht der Schrift wijder zien en liefde tonen voor de grote werken Gods, die ook in het heden openbaar worden tot aan de einden der aarde. Dat verrijkt ook het persoonlijk leven. Helaas bestaat er in dit opzicht een grote schuld en een schrijnend gebrek onder ons. Hoevelen zijn er, die enkel op eigen geestelijk belang bedacht zijn en dientengevolge een armelijk en schraal leven leiden, zo er al van een waar geloof sprake is. Waren er meer, die de vrijheid der kinderen Gods kenden, dan zou er ook meer brandende liefde zijn voor de zaak des Konings. Wie van zichzelf is verlost, betoont, Tiaar de oude zegswijze, een rijke „gunning" van het heil aan anderen. Dan doen wij ook de Zending niet tekort.
Gewoonlijk zien wij het huidige Indonesië, waarbinnen ons Zendingsterrein ligt, te eenzijdig in z'n historisch gegroeide betrekking tot ons eigen land en ons werelddeel. Dan maken wij gemakkelijk de fout om tal van feiten, die zich daarginds voordoen, te verklaren vanuit Nederlands standpunt alleen. Echter doen wij aan de feiten pas recht, als wij Indonesië zien binnen Aziatisch verband. Het neemt een werkzaam aandeel aan de koortsachtige ontwikkeling van 't ontwakende Oosten. En het stond trouwens alle voorgaande eeuwen reeds in nauwe betrekking met de landen uit z'n Oosterse omgeving en onderging de invloeden daarvan lang voordat Jan Pietersz. Coen het Hollandse gezag op Java vestigde. Ook tijdens het tijdperk van de Nederlandse koloniale macht zijn die andere invloeden nooit uitgeschakeld geweest. En thans keren zij in versterkte mate weer terug. Dit moeten we in rekening brengen om de positie van de hedendaagse Zending te begrijpen.
Een sprekend voorbeeld: in Maart 1947 werd te Nieuw Delhi een enorme conferentie gehouden. Daar waren 32 Oosterse landen tezamen, die ongeveer de helft der gehele wereldbevolking vertegenwoordigden! Azië was daar zelfstandig. Al die landen, ondanks veel onderlinge conflicten, hadden één gezamenlijk kenmerk: men richtte zich daar in '47 tégen het Westen, dat men aanduidde als koloniaal, kapitalistisch en imperialistisch ! Dit heeft ons zeer veel te zeggen.
Als Europeanen waren wij gewend de wereldgeschiedenis door een Europese bril te bekijken. De rest van de wereld boezemde ons geen belang in, dan alleen in zoverre onze Westerse cultuur er bij gebaat was. Indonesië kwam pas in het gezichtsveld omstreeks 1600, toen de Oost-Indische Compagnie z'n schepen er heen zond. Dat het eilandenrijk ook voordien reeds een lange geschiedenis had, waarin de opkomst en de ondergang van machtige Staten had plaats gevonden, waarin Oosterse zeden en gewoonten en schone culturen zich hadden gevormd, interesseerde ons niet.' Toch begingen wij zodoende een grote fout, die zich vandaag nog wreekt. Reeds wanneer men de ligging van de Indonesische archipel op de kaart bestudeert en de grote verbindingslijnen met andere delen van Azië, zoals China en India, nagaat, kan men dat opmerken.
Tegenwoordig moet het z.g. Europacentrische wereldbeeld worden losgelaten. Er vindt een diepgaande verschuiving plaats. Europa ligt zeker niet meer centraal, Amerika is niet langer te beschouwen als een verlengstuk van Europa en Azië slaapt niet meer z'n eeuwenlange slaap.
Vroeger waardeerden wij de mensen in Azië als barbaren en wilde heidenen, of, in een latere cultuurwaardering Rousseau c.s.) als natuurvolken en primitieven of, zoals heden veelal, als inlanders (en eigenlijk communisten!).
Maar met dat al als mensen, die niet als geheel volwaardig behandeld konden worden.
Thans dwingen zowel de oudheidkundige, volkenkimdige en taalkundige wetenschappen, alsook de snelle politieke ontwikkeling in het Oosten ons tot een ander inzicht. Voor een goed verstaan der huidige Zendingsarbeid is dit uiterst belangrijk.
Wijlen prof. Duyvendak, de grote Azië-kenner, heeft er eens op gewezen, dat onze wereldbeschouwing met Europa als middelpunt, veroudert, zodra wij zien, hoe het bergland van Tibet met zijn uitlopers de wereld in drie stukken verdeelt: naar het Westen toe de Voor- Aziatische wereld en de zich daarbij aansluitende cultuur van de landen om de Middellandse Zee ; Zuidwaarts India en de landen, die daardoor bevrucht zijn; Oostwaarts China en de gehele Oost-Aziatische cultuur, die daar haar oorsprong heeft genomen (toen van ons Europa nog niets bekend was). Men kan de wereldgeschiedenis bezien in 't licht van de vraag, hoe deze drie gebieden zich hebben ontwikkeld, hun culturen hebben uitgewisseld en elkander hebben beïnvloed. Ik teken hierbij terzijde aan, dat het ons als Schriftgebonden mensen interesseert, wanneer het moderne volkenkundig onderzoek steeds meer tot de conclusie komt, dat in Centraal-Azië de bakermat der mensheid gedacht moet worden.
Prof. dr. G. W. Locher, een gezaghebbend geleerde op dit gebied, werkte de gedachte van Duyvendak verder uit. Hij belicht de zeer zelfstandige ontwikkelingsgang der Aziatische volken tot de periode van de Westerse overheersing. Maar nu is het verrassende, dat deze afgebroken ontwikkelingsgang reeds aan het eind der 19e eeuw opnieuw begonnen wordt en leidt tot de feiten, waarmee wij moeten rekenen. Eerst is er in de hervatting van het eigenmachtig verloop van de Aziatische historie nog een poging tot handhaving van de eigen traditionele maatschappij in een verzet tegen vreemde invloed. Weldra gaat dat over in de strijd om een eigen bestaansvorm, waarbij de politieke en economische overheersing der Westerse machten wordt bestreden, terwijl intussen wel de overname van een belangrijk deel der Westerse cultuur als noodzakelijk en onmisbaar wordt verlangd en aanvaard.
Het wordt ons zo duidelijk, dat men op deze wijze veel beter gaat verstaan, wat het Oosten heden beweegt en waarom onze Zending met zulke geheel andere moeilijkheden dan vroeger te maken heeft.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's