DIE POOLSE JONGEN
Feuilleton
DOOR JAC. OVEREEM
—Ik begrijp je, Michel. Maar je weet mijn omstandigheid.
Michel dacht na. Hij had er al zoveel over nagedacht.
Jozeph Tomkiewis was in Engeland. Als hij nog bestond was het moeilijk vol te houden dat hij voor haar bestond. Was daar niet het ijzeren gordijn, waar niemand door heen drong? Hoe lang was het al geleden, dat hij van haar was weggegaan ?
— Hoeveel jaren is Jozeph nu al weg, Clauda ? vroeg hij. Hij wist het zelf ook wel.
Clauda dacht na. 1939—1947, acht jaren.
— Ongeveer acht jaar. Reken zelf maar uit. — Zou je denken dat hij door het ijzeren gordijn zou komen ?
— Ik geloof het niet, Michel. — Bovendien, hij is officier in het leger van Generaal Andersen. Op desertie staat de doodstraf. Het is practisch uitgesloten dat je hem ooit weer terug zult zien. Clauda keek Michel aan. Zij geloofde precies wat hij zei en dat niet om hem, maar zij had haar man allang opgegeven. Door al de omstandigheden leek het haar uitgesloten. Jozeph Tomkiewis bestond voor haar niet meer. En om Gods ordeningen dacht ze niet. Een kleine overreding van Michel Broga en zij zou Clauda Broga heten. Zo zij nog enige hoop had kunnen koesteren, dat haar man terug zou keren, ze zou hierin niet bewilligd hebben. Michel schoof zijn stoel naderbij.
— Clauda, zei hij en hij legde zijn hand op haar arm, — zou je 't met mij durven wagen?
— Michel, antwoordde ze en nu lag er een trilling in haar stem, ik ken je al zo lang. Ik heb je gadegeslagen in voor- en tegenspoed, ook ben je niet zonder die bekoring, die bij veel boeren niet gevonden wordt, je hebt iets dat mij boeit, dat mij aantrekt. Ik durf het niet alleen, maar ik wil het graag met je wagen.
Michel lachte nu luidkeels. En dit lachen, was als van een jongen, die een uitbundig genoegen beleeft.
Clauda werd er niet verlegen van, want ze moest zelf ook lachen om de bijzondere wending in dit levensspel.
Ze zou Michel eensdeels bij de schouders willen grijpen en hem eens flink door elkaar schudden, anderdeels was het lachen gemotiveerd, want het was iets feestelijks nu.
Het leek wel of ze tien jaar jonger was. Ze had iets blozends en alle zorgenrimpels waren van haar gezicht verdwenen.
Maar Mika Tomkiewis, die poolse jongen, droomde van zijn vader, die daar ergens heel ver weg, in Engeland was. Hij had 't gewaagd de reis te ondernemen. Want een vader te hebben en zulk één, als de zijne, en hem niet te kennen, dat was onhoudbaar.
Temidden van gevaren, zocht hij zich een weg door de verschillende landen, totdat hij stuitte op het ijzeren gordijn. Maar ook daar wist hij doorheen te dringen. Want hij moest zijn vader zien en bij hem blijven.
De volgende morgen was hij vroeg wakker. En hij vertelde de droom aan z'n moeder.
— Wie weet, Mika ! Als je wat ouder bent! Wie weet! Van mij mag je, hoor ! Sinds die dag broeide Mika Tomkiewis op dit grootse plan.
In 't vroege voorjaar trouwden Michel en Clauda. De sneeuwklokjes bloeiden en de koekoek riep. Zijn lokroep klonk ver over de heemden.
Niemand kon blijer zijn geweest, dan vader Broga. Hij hield zeker zoveel van Clauda als Michel, maar anders, misschien wel beter. En dat het eigenlijk helemaal niet goed was, drong niet tot hem door.
Voor Michel was hij er zelfs zeer verheugd om. De jongen had nooit naar een meisje omgezien, en geen vrouw in huis, is toch niets waard.
Van nu en voortaan moesten Jolchi en Mika vader tegen Michel zeggen. Dat ging Jolchi wondergoed af, maar Mika was niet zo welgezind.
— Mijn vader, zei hij, is in Engeland! En hoewel hij zich ogenschijnlijk schikte in zijn lot; de gedachte aan z'n eigen vader liet hem niet meer los. Die zoon van vader Broga was zijn vader niet!!
Overigens was hij een vrolijke jongen. Hij leerde voor zijn genoegen. Netelige vraagstukken had hij niet. Maar als hij een verloren ogenblikje alleen zat te prakkezeren, dan was het over z'n vader.
Michel begreep dat heel goed. Daarom mocht hij Jolchi veel beter lijden. Jolchi was gek met hem en hij met Jolchi.
Maar Mika bleef voor hem een vreemd jong. Schrander en gewiekst, maar het zou nooit zijn jongen worden.
Daar kwam bij dat er een broertje werd geboren. Over deze ene was Michel Broga meer verblijd, dan over de twee anderen. Het was voor hem een feestdag, zoals hij nog nooit had beleefd. Het kind heette natuurlijk naar zijn grootvader, Pedro.
En op de Zondag, dat het in het kleine kerkje werd gedoopt, was hij diep onder de indruk. Hij had nooit geweten, dat een mens zó rijk kon zijn. Hij, Michel, was vader.
Clauda was hem voorgekomen als een koningin en het kleine ventje als eenprins.
Ja, Michel Broga beleefde het wel met héél zijn ziel. En ook de preek van de dominé zou hij niet makkelijk vergeten. Het ging over de doop van de kamerling van de koningin der Moren.
Nu, ook zijn kleine man was dan gedoopt.
Zo ging het leven verder op de kleine boerderij. De zaken gingen vooruit. Michel bouwde er een schuur bij. Hij wilde meer varkens gaan houden. Er was veel vraag naar. Hij was ook bezig een nieuw stuk land in cultuur te brengen. Jolchi hielp hem al flink in het werk. Diens handen stonden goed.
Vader Broga zag hoe zijn zoon een wit goedje strooide over het weiland. Dat moest zogenaamd de groei bevorderen. Hij moest het eerst nog eens zien.
No. 32
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's