CHRISTEN-ZIJN
in de Nederlandse samenleving
III.
„Grote woorden", zo zegt de herderlijke brief. Ik wil heel niet zeggen, dat in deze brief geen grote woorden voorkomen.
Wat moet men b.v. denken bij een zinsnede als deze : , , Omdat wij in deze wijze-van-zijn gesteld zijn, ervaren wij zo scherp het verschil tussen geloof en godsdienst, tussen gehoorzaamheid, ook met ons verstand, een wereldbeschouwing, tussen het staan in Christus' dienst en het aanhangen van een levensbeschouwing"'(blz. 8).
Zie, wij ontkomen niet aan de indruk, dat dit terecht grote woorden worden genoemd. In ieder geval klinkt het nog al zelfverzekerd om geen ander woord te gebruiken.
, , Omdat wij" — zijn dat de briefschrijvers óf sluiten zij daarbij allen in, die er ook zo over denken? Of slaat dat op alle mensen? , , Wij zijn in deze wijze van-zijn gesteld". Volgens de onderhavige paragraaf moet dat betekenen: , , wij leven in persoonlijke gemeenschap met Jezus Christus, wij stellen ons onder het gezag van Zijn Woord en Geest, wij richten ons vertrouwen, enz. enz." (Vgl. blz. 7).
Als dat nu dezelfde mensen zijn die , .Fundamenten en Perspectieven" hebben opgesteld en , , de Leer aangaande de Heilige Schrift", of althans dezelfde mensen, die daarvoor verantwoordelijk zijn, krijgt men toch een vreemde indruk van dat , , stellen onder het gezag van Zijn Woord en Geest" en van die , , gehoorzaamheid ook met het verstand" van deze mannen.
Wereldbeschouwing schijnt intussen voor hen onder ongehoorzaamheid te vallen, terwijl het aanhangen van een levensbeschouwing volgens de hier geboden critiek in tegenstelling wordt gezet met in Christus' dienst te staan.
Overigens is de voorgestelde , , wijzevan-zijn" weinig vast en zeker. , , Zij is vrucht van genade" wordt er gezegd, , , maar wij vergeten steeds weer die genade". (blz. 8 v.).
, , Ons christen-zijn is geen vanzelfsprekendheid, maar een voorrecht en , , een gave, en daarom dan ook een roeping en een opdracht. Deze roeping is, „om anders te leven, anders te lijden, , , anders te oordelen dan ons van nature „het best zou afgaan" (blz. 9).
Gaan hier eigenlijk niet twee gedachtenwerelden door een? Zeker, wij erkennen, dat , , door een waar geloof Christus ingelijfd zijn" geen vanzelfsprekende zaak, maar genadegave Gods is. Wij erkennen ook, dat zulk een geloof werkzaam is en dus strijd voert tegen de oude Adam. En toch moeten wij betwijfelen, of de stellers van de zo even genoemde zinsnede daarmede hetzelfde bedoelen als de door ons gebezigde uitdrukkingen die vrijwel aan de Catechismus ontleend zijn. (Vr. en antw. 20 en Vr. en antw. 88).
Bedoelt de herderlijke brief niet een andere tegenstelling dan de Catechismus ? Ik heb het gevoel, dat de spreekwijze van de herderlijke brief niet het oog heeft op de tegenstelling geloof en ongeloof, op die van een oude en een nieuwe mens in hetzelfde persoonlijke leven.
De wijze van uitdrukking doet veeleer denken aan een natuurlijke wijze van zijn, die wij met de geboorte meekrijgen en een bestaanswijze, een Christen-zijn, waarin wij allen door genade gesteld zijn, hoewel allen het niet zien en niet geloven.
En als zij het zien en weten, vergeten zij het steeds weer. Bedoelt men zoiets niet, waarom zegt men het dan zo anders dan de Schrift ?
De schrijvers van de herderlijke brief houden ons ten goede, maar ons gevoelen wordt bevestigd in het volgende van de paragraaf Solidariteit.
, , Wij zouden echter dat anders-zijn volkomen misverstaan, als wij niet zagen, dat dit onze gemeenscjiap met de wereld niet opheft, maar juist op een diepe wijze insluit", (blz, 9). Deze zinsnede toont aan, dat het anders-zijn toch wel wat anders bedoelt dan de zo even genoemde vragen van de Catechismus.
Hoe kan het geloof van de discipelen des Heeren gemeenschap met de wereld insluiten, als Christus zegt, dat zij van de wereld niet zijn? Ik heb hun Uw Woord gegeven, en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben. (Joh. 17 vs. 14).
De herderlijke brief maakt nu een sprong. Het in de wereld zijn van gelovigen — heet het nu — is meer dan alleen maar een plaats en betekent een roeping. Deze roeping wordt echter ten onrechte uit navolging van de Christus verklaard. Dat staat niet in Joh. 17 vs. 18 en óok niet in Matth. 28 vs. 19. Deze plaatsen spreken van goddelijke zending en bevel.
Intussen meent de herderlijke brief, dat er voor het staan van de gelovigen in de wereld geen algemeen geldende regels kunnen worden gegeven, (blz. 9).
Waarom geen algemeen geldende regels kunnen worden gegeven?
Wel, omdat de wereld niet altijd evenveel ruimte laat aan de Christgelovige.
Gij vindt dat geen reden ?
Ik ook niet, want getuigen van de Christus en de zaligheid Gods moet hij altijd en medegenoten zoeken kan hij niet laten. En, indien hij ook zijn Heere verloochent in iwakke ogenblikken, hij. heeft er geen rust bij.
Edoch, de herderlijke brief rijdt op het stokpaard van de predikers ener moderne reactie, geen algemeen geldende regels, geen vaste normen, geen onder alle omstandigheden geldende geboden Gods, geen levens- en wereldbeschouwing.
Wat vraagt de tijd. waarin de Christen thans verkeert, van hem?
Dat is een practische vraag, een vraag voor de practijk des geloofs, maar om die te stellen, behoeft men niet eerst alles af te breken, wat het geloof in de Christus der Schriften gebiedt. Men benadert ook volstrekt dit practische doel niet, als men de Christenmensen eerst poogt los te weken uit hun levens- en wereldbeschouwing, die in het geloof en naar hun beste weten op het geloof is opgebouwd.
Wie meent dat die afbraak nodig is, bedriegt zichzelf en anderen. Er is geen kwestie van, dat de ware solidariteit daardoor zou worden bevorderd en opgewekt.
Wat de herderlijke brief van de negentiende eeuw zegt (blz. 9) is waar, maar erg sober en haast armelijk.
Hij spreekt van , , verwereldlijkte cultuur, zelfbewust en trots op haar , , mondigheid". , , De mens van nu aanvaardt , zijn mondigheid als een last, zijn vrijheid als een lot, dat hij dapper hoopt , , te dragen, Maar de ondergrond van , , deze houding is veelal angst en de ge- , stalte er van is vaak het lijden van , , het bestaan".
De toepassing vertolkt wat men eigenlijk wil zeggen : , , Wij Christenen staan niet tegenover, maar naast deze mens. Wij hebben daar, naast hem, de bestemming om anders te leven, te oordelen, te handelen. Maar naast hem, hem daarmee dienend", (blz. 10),
Deze beschouwing laat aan duidelijkheid alles te wensen over. En zelfs dat naast de hier getekende mens staan, zegt weinig of niets, omdat de practijk van het leven de Christgelovige naast de niet-gelovige plaatst in kantoor, fabriek, werkplaats, overal waar mensen zijn. Wij spreken dan nog niet over de wijze, waarop de niet-gelovige zich jegens de gelovige gedraagt en hoe hij zich over zijn geloof, de Bijbel, de Kerk en over God uitlaat.
Is het nog niet veel nader ? Staat menig gelovige niet in eigen familie en zelfs in eigen huis naast die mens, waarop de herderlijke brief ons wil wijzen, wiens houding door betrokken familieleden nog wel enigszins anders wordt beoordeeld dan in de herderlijke brief?
Deze brief wil niet van levens- en wereldbeschouwing weten, maar het beeld van de mens, dat hij ons voorhoudt, is ook een beschouwelijk product. Dat element speelt ook verder een rol. „Ook , , wij geloven", zo heet het, , , dat de strijd , , tussen de heerschappij van Christus en , , de machten der duisternis het eigenlijke is, dat zin verleent aan het wereldgebeuren en aan ons handelen daarin !"
De beschouwing is nog niet ten einde : „Wij geloven ook, dat de scheiding tussen beide in dit tijdsgewricht zeer moeilijk is aan te wijzen en dat ze in het algemeen niet samenvalt met die van de aspiraties en organisaties van de Christenen en niet-Christenen in deze tijd. Wie het zo stelt, miskent de werkelijke verhoudingen, zoals zij onder Gods oordeel en Zijn geduld zijn geworden. Er is een opgestapelde angst bij velen, die Christenen heten, en er is een dringend verlangen naar geestelijke bevrijding, bij velen, die geen Christenen genoemd willen worden. „Er is een onderworpenheid aan de machten van de tijd juist in christelijke kring, die het anders-zijn verlamt. Er is een zegenrijke onrust en opstand tegen veel wat verkeerd is, bij nietchristenen, die hen opwekt om nieuwe wegen te gaan, waarvan wij het niet zouden wagen te zeggen, dat Gods welbehagen er niet op rust".
, , De Christenen behoren zich daarin te begeven om de gemeenschappelijke nood en de nieuwe mogelijkheden van „deze tijd. Zij mogen daarmee niet wachten tot de z.g. ,levensbelangen der Kerk aan de orde komen", (blz. 10).
Ziedaar een proeve. Dit zal nu wel een „visie" zijn, welke ons kan leren, dat de. herderlijke brief evenzeer steunt op levens- en wereldbeschouwelijke stellingen, mede stellingen, waardoor zijn waardering van het Christelijk geloof bepaald schijnt te worden.
Alleen de aan deze beschouwingen ten grondslag liggende stellingen zijn anders, dan die van de mensen, welke hij bestrijdt. Zij zijn daarom nog niet beter, maar zij zijn anders, worden gedragen door een andere opvatting aangaande de Christelijke religie. Dit alles vindt oorzaak in een andere Schriftbeschouwing dan die, welke ons door de belijdenis der Kerk geleerd wordt.
Overigens wordt hier de strijd gevoerd tegen vele mede-gelovigen", , , die in , , theorie het afstand nemen van de wereld verkondigen en die in de practijk „de antithese, de tegenstelling tussen , , Christenen en niet-Christenen als algemeen geldend beginsel zouden willen doorvoeren".
Het gaat dus feitelijk tegen z.g. Christelijke organisaties vóór de solidariteit met de niet-Christenen in de wereld. En het ligt voor de hand, dat de voorstanders van deze beschouwing de scheiding tussen Christen en niet-Christen moeten uitvagen om zulk een solidariteit te verdedigen. Dientengevolge stellen zij hun , , visie" op het leven tegen de levens- en wereldbeschouwing aan de andere kant.
Wij houden ons echter overtuigd, dat hun idee van solidariteit hemelsbreed verschilt van het door Christus in de wereld gezonden zijn en door Christus in de wereld bewaard worden. (Joh. 17).
Dat de grens tussen Christen en niet Christen bij de genoemde organisaties valt, wie heeft dat ooit beweerd ? Neen, noch in dit tijdsgewricht, noch in enig ander, kan men in deze wereld de scheiding tussen Christen en niet-Christen afbakenen door organisaties binnen en buiten de Kerk, want wij zijn geen kenners der harten en het oordeel is ons niet gegeven.
En toch is er wel iets. Het discipelschap van Christus kan zeer gevarieerd zijn. Daaronder kunnen naam-Christenen en zelfs verraders zijn. Het omvat ook een veel breder schare dan de groepen van mensen, die het discipelschap van Christus met meer of minder zorg in het openbare leven betrachten. Daaronder zijn er zeker ook die Christus door een waar geloof zijn ingelijfd en er zullen er ook zijn, van wie wellicht geldt , .Gij lieden zijt niet verre van het Koninkrijk Gods". Dat zal alles wel zo zijn en mij dunkt, dat de auteurs van de herderlijke brief dat niet zullen tegenspreken.
Maar juist daarom valt de onderscheiding van Christen en niet-Christen niet bij de Chiistelijke organisatie. Dat beweert ook niemand en de herderlijke brief moest dat ook niet zo doen voorkomen.
De door de brief genoemde antithese ligt anders en dieper. De bestreden organisaties kunnen daarvan een uitdrukking naar buiten zijn, maar de eigenlijke antithese wordt nergens zo scherp uitgedrukt als wij die uit de mond van de Christus vernemen. Daarom zij ook de Synode voorzichtig met haar uitspraken en late zich liever door het Woord van Christus leiden dan door beschouwelijke uitspraken van mensen naar aanleiding van het huidig tijdsgewricht.'
Met name op het stuk van het Christen-zijn. waarover de herderlijke brief immers gaat, worden wij door dat Woord zo ernstig tot zelfonderzoek en bezinning geroepen. Inzonderheid wij allen, die in het ambt staan, mogen dit wel ter harte nemen. Ik denk b.v. aan Christus' woorden aan het eind van de bergrede. Niet een iegelijk, die tot Mij , .zegt: Heere, Heere, zal ingaan in het , , Koninkrijk der hemelen, maar die daar , doet de wil Mijns Vaders, die in de , , hemelen is".
, , Velen zullen te dien dage tot Mij , .zeggen : Heere, Heere, hebben wij niet , , in Uw Naam geprofeteerd en in Uw , , Naam duivelen uitrfeworpen, en in Uw , , Naam vele krachten gedaan ?
, , En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: , , Ik heb u nooit gekend; gaat , , weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt". (Matth, 7 vs. 21 v.v.).
Voorts kan een Christen-zijn, dat opgaat in een solidariteit met de wereld, niet in overeenstemming zijn met de woorden, aan Johannes 17 ontleend, waarop de herderlijke brief zich o.m. beroept (zie blz. 9), juist ten behoeve van die solidariteit.
Of zegt de Christus daar niet: , , Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uwe". (Joh. 17 VS. 9).
Mogelijk zal men tegenwerpen, dat Christus weet wie de Zijnen zijn, als men althans niet wordt weerhouden door de antithese-vrees, terwijl wij immers geen kenners der harten zijn. Dit zou dus aanleiding kunnen geven om over de Zendingsroeping te gaan spreken, maar dat is wat anders dan de hier voorgestelde solidariteit.
Om nog eens op Matth. 7 terug te komen, wij zijn geen hartekenners, maar er staat ook geschreven : , , Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen", (vs, 20). Dat is voor de practijk van het leven ook van betekenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's