CHRISTEN-ZIJN
in de Nederlandse samenleving
IV.
Kerk, Christenheid en Cultuur.
In één paragraaf van nog geen drie pagina's heeft de herderlijke brief een poging gewaagd om iets omtrent het in de titel aangegeven — op zich zelf zeer moeilijke — vraagstuk te zeggen. Het geheel is nog al verward en vreemd. Daar wordt b.v. gesproken van het kerkzijn en inplaats van één heilige, katholieke Christelijke kerk schrijft men één heilige, katholieke apostolische kerk. Handelend over het wezen van het „kerk-zijn" wordt opgemerkt, dat dit een geheim van de Heilige Geest blijft, dat wij niet doorgronden en waarover wij niet beschikken.
Heel eenvoudig, alsof het zonder tegenspraak juist ware, wordt gezegd : In de levensruimte, waarin wij solidair zijn met onze tijdgenoten, worden wij omgeven en gedragen door de éne, heilige, katholieke en , , apostolische" kerk, die wij ook aanwezig en werkzaam zien in de onaanzienlijke vormen van de gemeente, waartoe wij behoren, (blz. 11).
Men zou geneigd zijn om te vragen, of er ook nog van een kerk zou gesproken kunnen worden, als er helemaal geen leden waren. Dat de kerk geen bond of vereniging is, behoeft waarlijk niet gezegd, maar nochtans zegt de belijdenis : Een heilige vergadering der ware Christgelovigen, alle hun zaligheid verwachtende in Christus Jezus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest (art. XXVII).
Christus vergadert Zijn gemeente, Hij zendt Zijn apostelen uit. Om discipelen te maken. (Matth. 28 : 19). Handelingen 2 : 47 : De Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden.
Zeker de eenheid der kerk ligt in het éne geloof, éen doop, éen Heere. Doch die ene "heilige algemene Christelijke Kerk is tenslotte plaatselijk aanwezig en werkzaam, waar het Woord wordt gepredikt en de sacramenten worden bediend, of zoals Christus zegt: Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen Naam, daar ben ik in het midden.
Het is ook vreemd om te zeggen, dat wij in en uit de kerk leven j zoals ook de uitdrukking levensruimte in dit verband niet past. De kerk leeft in en uit het geloof in de Heere Jezus Christus, zij leeft uit het Woord. Wedergeboren door het Woord, zegt de apostel. (1 Petr. 1 VS. 23).
Als men nu gaat zeggen, dat wij leven in en uit de kerk, wordt deze tussen geschoven tussen de mensen, die uit haar worden gezegd te leven en de levende bron, de Koning der Kerk.
Indien men dan ook zegt, dat de kerk wel in de wereld, maar niet uit de wereld is, is dat tweeledig. De kerk als zodanig is uit de hemel. De Schrift spreekt van Jaruzalem, dat boven is, hetwelk is ons aller moeder. Christus zegt: „Gij zijt niet van de wereld, gelijk Ik van de wereld niet ben". (Joh. 17 : 16). Men kan dus wel zeggen, dat de kerk niet uit de wereld is. Maar, als men zegt, dat de kerk in de wereld is, dan is zij dat in de Christenen.
Zij is in de wereld, omdat Christus de Zijnen uit de wereld vergadert, terwijl zij in de wereld zijn.
De uitdrukking : „Kerk-zijn" kan dan ook alleen maar zin hebben, als het een andere uitdrukking wil wezen voor geloven in Christus, de Christus belijden, van Christus zijn, tot Zijn gemeente behoren.
Als de herderlijke brief dan ook zegt: , , Het kerk-zijn heeft een mystieke zijde, , , toegekeerd naar God, maar het heeft „evenzeer een apostolaire zijde, ver- „bonden met en gericht op de wereld, , , de cultuur", dan is deze zinsnede alleen te verstaan, als men voor , kerkzijn" gemeente van Christus of Kerk leest. (Vgl. blz. 12).
De naar de wereld gerichte zijde zonder meer cultuur te noemen is op zijn minst voorbarig. Trouwens de definitie van cultuur, welke hier wordt gegeven is rijkelijk vatbaar voor discussie en de cultuurtaken aan de kerk toegedacht — in dit tijdsgewricht en met nadruk — als de strijd voor een leefbaar bestaan en tegen de machten van de chaos voorgesteld, zijn wel bij uitstek aards gericht en weinig geestelijk.
Welk een ander geluid als het Woord des Heer en : „Zoek eerst het Koninkrijk Gods en al deze dingen zullen u worden toegeworpen" (Luk. 12:31).
Dat de hier voorgestelde cultuuropvatting van de herderlijke brief met het wezen der kerk zo zeer samenhangt, dat , , de Christelijke verantwoordelijkheid" niet allereerst in het samengaan van individuele Christenen in afzonderlijke verbanden, maar door de kerk zelf moet worden uitgedrukt, 'moet zeker betwijfeld worden.
Uit de aard der zaak houdt dit oordeel van de Herderlijke Brief samen met het eigenaardige begrip omtrent het wezen der kerk, dat meer beantwoordt aan een gekoesterd ideaal dan aan de geestelijke werkelijkheid, welke ons in de Heilige Schrift wordt geleerd, en zo nu en dan symptomen van een machtapparaat vertoont.
4. Belijdenis en Leven (blz. 13).
Volgens wat deze titel doet verwachten, zou men met recht kunnen zeggen, dat de herderlijke brief dit punt wel wat eerder had mogen aansnijden, alvorens allerlei theorieën te verkondigen of ook te onderstellen, die bezwaarlijk met de belijdenis in overeenstemming kunnen worden gebracht.
Intussen duurt de verwarring voort. Ten eerste wordt gezegd, dat , , ondanks hetgeen boven is gezegd, de kerk zelf niet op zulk een wijze de cultuur kan ingaan, dat ze de persoonlijke beslissing en houding overbodig zou maken. Het getuigenis en leven t.w. der kerk bedoelen juist deze mogelijk te maken", volgens de herderlijke brief.
Is dan het geloof en het leven van de kerk niet de vrucht van de kracht van Woord en Geest, die in haar leden werkt en hen verenigt ? Telkens wordt over de kerk gesproken, alsof deze zonder haar leden ook wat ware. Waar twee of drie vergaderd zijn in Zijn Naam, is Christus toch in het midden ! Is daar de kerk dan niet? En wat hebben deze meer nodig dan hun geloof in de levende Christus, om in de wereld van Hem te getuigen ?
Men kan verstaan, dat de enkeling zijn persoonlijk geloof toetst aan de gemeenschappelijke belijdenis, maar wat de herderlijke brief eigenlijk wil met dat , , mogelijk maken" is minstens niet duidelijk.
Verder spreekt de brief van de vraag, op welke wijze de belijdenis zich in het leven van de enkeling heeft uit te drukken, (blz. 13). Deze vraag onderstelt eenheid van belijdenis en leven. Wij weerspreken dit niet, maar over welke belijdenis gaat het eigenlijk?
Welke belijdenis de herderlijke brief voor ogen staat, wordt niet met zoveel woorden gezegd.
, , De vraag is nu, op welke wijze de belijdenis zich in het leven van de enkeling heeft uit te drukken", (blz. 13). Hier is dus sprake van de belijdenis, doch in de volgende zinsneden wordt telkens gesproken van belijdenis en van belijden. Het blijft dus onbepaald.
De herderlijke brief schijnt er veel meer belang bij te hebben de eenheid van belijdenis en leven niet al te strak te binden. Hij betreedt een beetje glad terrein, want de eenheid van belijdenis en leven raakt onmiddellijk aan het gewraakte verband van belijdenis en levens- en wereldbeschouwing.
Uit ons belijden, zegt de herderlijke brief, vloeien bepaalde overtuigingen voort en overtuigingen leiden op hun beurt tot houdingen en houdingen voeren tot gedragingen, (blz. 13/14).
Dat komt aardig uit en dus, als wij in , , ons belijden" verschillen, vloeien daaruit verschillende overtuigingen voort en deze leiden tot verschillende houdingen en gedragingen en dan krijgt men „een willekeurige variatie van standpunten".
Dat is nog al duidelijt en dan is de eenheid zoek, omdat zij aan , , ons belijden" reeds niet eigen was.
De herderlijke brief gevoelt dat ook en zegt dit toch niet te willen, maar in stede het nauw verband tussen belijden en leven ook in levens- en wereldbeschouwing en in houding en gedraging toe te geven, zoekt hij te ontkomen door een vermaning om , , eigensoortige overtuigingen en handelingen" van anderen te respecteren als een daad van onderlinge liefde.
De herderlijke brief ontziet zich zelfs niet om terwille van zijn onderstelde opvatting van de kerk en van het belijden, de dingen op de kop te zetten, alsof de mensen, die het verband tussen belijdenis en levens- en wereldbeschouwing nauwer gevoelen, , , ter wille van de eenheid der christenen op cultureel gebied, de eenheid der gemeente" zouden ondermijnen, (blz. 14).
De herderlijke brief schijnt voorbij te zien, dat het door hem ingenomen standpunt ten aanzien van het belijden der kerk een standpunt, dat van geen binding aan de belijdenis der kerk weten wil en in feite dus de belijdenis der kerk niet als zodanig erkent, met de , , eenheid der gemeente" in strijd is, ja, aan de openbaring van de eenheid der gemeente in de weg staat.
De vrijheid van beweging ten aanzien van de belijdenis der kerk, kan niet door zulk een willekeurig standpunt worden bepaald, maar deze ligt in de belijdenis zelf.
Wat voorts over het gezag der kerk wordt gezegd (blz. 14) is weinig boeiend en kan er niet toe bijdragen de eerbied voor dat gezag te versterken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's