De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CRISIS DER ZENDING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CRISIS DER ZENDING

7 minuten leestijd

III

Onze huidige zending heeft zich ernstig rekenschap te geven van die stroming in Indonesië, die men het nationalisme noemt. Daarmee komt zij elke dag in aanraking. Vorige maal wezen wij reeds op de opkomst er van. Wanneer wij nu op het nationalisme nader ingaan, moeten wij bedenken, dat de verhoudingen daarginds anders liggen dan bij ons. Hier in Europa zien wij, dat de burgers van een bepaalde staat tezamen één nationale eenheid vormen, door één nationaal verband bijeen gehouden worden. In Indonesië is dat geheel anders. Daar zijn de verschillen binnen de bevolking van het uitgebreide eilandenrijk veel te groot, wat betreft afkomst, taal, ontwikkeling enz., dan dat men één nationale, homogene staat zou kunnen vormen. Toch hebben al die uiteenlopende groepen van de bevolking der Republiek een punt van overeenkomst, n.l. datgene wat men wel aanduidt als : zelfexpressie. De Indonesiërs willen uit­drukking geven aan hun eigen wezen en hun eigen specifieke vermogens. Zij verlangen hun eigen kunnen te verwerkelijken, hun eigen verantwoordelijkheid te dragen en volgens eigen principes en initiatieven te handelen. Dikwijls leidt dat tegenwoordig, in deze jaren van overgang, tot een zekere zelfoverschatting, die in de practijk grote fouten tengevolge heeft. Maar dat risico draagt men om doelbewust te streven naar een toekomst, waarin men onafhankelijk zal kunnen zijn. Elke vorm van Westerse voogdij, hoe goed desnoods ook bedoeld, schudt men van zich af. Want deze voogdij gaat immers altijd nog teveel uit van de gedachte, dat het Westen superieur staat boven het Oosten. Echter die tijd is voorbij. Vroeger zagen wij op de lagere school het nikkertje op de zendingsbus dankbaar knikken bij iedere cent, die wij er in mochten doen. Zo is de verhouding thans niet meer.

Het nationalisme maakt zeer strijdlustig, vooral hen, die aan Westerse scholen of universiteiten hebben gestudeerd. Zij zweven tussen twee werelden. Losgeslagen van de oude tradities van hun omgeving en familie, leven zij in een geestelijke leegte. Want het Westen gaf aan deze mensen geen nieuwe geestelijk-zedelijke basis mee. Zij vonden er meer de houding van het schouder ophalen dan een vaste godsdienstige overtuiging. Zij hoorden van ons vaker een belijdenis van geestelijke armoede en onwetendheid, zo in de trant van : wat kan een mens van God en van eventuele hogere werkelijkheden weten ? , dan dat zij de kracht van het geloof der Schriften ontmoetten. Ja, dikwijls namen zij de moderne atheïstische levensbeschouwing mee terug, om die in het Oosten als dé wijsheid te propageren.

Deze mensen worden de leiders in de strijd voor een nieuw nationaal bestaan, voor politieke zelfstandigheid, voor een sterke eigen cultuur. Waar het oude niet meer houdbaar blijkt in deze tijd zoekt men op een nieuwe wijze zichzelf te worden en te zijn. Strijd en revolutie zijn de slagwoorden, die opgeld doen in pamfletten, kranten en boeken. Het woord perdjoangan = strijd, ontbreekt in geen enkele toespraak of redevoering. Men strijdt voor allen en alles, voor volksontwikkeling en welvaart, voor de arbeiders en voor de jeugd, voor de opbloei van het staatkundig en maatschappelijk leven. Een ander woord : merdèka = vrijheid, heeft eveneens een fascinerende klank voor een volk, dat volgens de huidige inzichten zich eeuwenlang gekluisterd heeft gevoeld. En men acht politieke onafhankelijkheid de eerste voorwaarde voor verdergaande ontplooiing. Soekarno noemde in een van zijn toespraken deze onafhankelijkheid „de gouden brug, die naar de vrijheid leidt".

Men verweert zich ook nadrukkelijk tegen de gedachte van een voorzichtig van bovenaf geleide opvoeding tot zelfstandigheid. Dit vindt men een gebed zonder eind. Men vindt het ook te verdacht, omdat er zo licht Westers eigenbelang bij onderkruipt. Waarom, vraagt de nationalist, blijft er dan toch telkens nog financiële winst naar hét Westen toevloeien, en onttrekt men dusdoende levenssappen aan het Oosten? Dat de verhoudingen, ook in economisch opzicht, hier wel zeer gecompliceerd zijn en dat er in een goede samenwerking met het Westen veel voordeel voor het Oosten kan liggen, weigeren bepaalde extreme figuren in te zien. Daarnaast zijn er echter elementen, die hier reeëler en zakelijker over denken, zoals b. v. Mohammed Hatta. De vraag in hoeverre samenwerking met het Westen gewenst is, blijkt een grote twistappel tussen de Indonesische partijen.

Omstreeks 1940 was de verhouding tussen het toenmalige Ned. Indië en Nederland eigenlijk vastgelopen. Onze regering, destijds in Londen, was zich dat beter bewust dan wij. Vandaar de bekende regeringsverklaring uit 1942 over de toekomstige status van onze Overzeese gebiedsdelen. Maar de laatste stap naar het ginds zo begeerde zelfbewind durfde men niet te wagen, uit angst voor onze enorme financiële belangen, ook uit angst voor het optreden van verdachte exponenten van het nationalisme, zoals Soekarno.

Toen ontbrandde ook ginds de oorlog: Japan met z'n Groot-Aziatische ideologie sloeg toe en overwon. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen welk een klap het ontzag voor Westerse autoriteit en superioriteit daarmee gekregen heeft. Oosterse machten bleken sterker te kunnen zijn dan Westerse ! In de jaren daarna heeft Japan echter door z'n minderwaardig optreden als bezettende macht, zich in Indonesië zeer gehaat gemaakt.

Na 1945 waren er in heel Zuid-Oost- Azië millioenenmassa's op drift, ongecontroleerd en onbedwongbaar. Geen enkele Westerse staat kon hen beteugelen. Dit alles, gepaard met hongersnoden en armoede en epidemieën van ongekende omvang, had een onbeschrijfelijke massale ellende tengevolge.

Waar kon het gezag vandaan komen om deze toestanden meester te worden? In elk geval niet meer uit Engeland en Nederland, ook niet uit Amerika.

Wel uit Rusland ? En hoe kon een volk als het Indonesische het verlangen naar zelfregering in daden omzetten?

In die situatie greep een aantal onbetrouwbare personen, zoals elke revolutie die opwerpt, hun kans om aan de macht te komen. Onmiddellijk daarnaast stond een groep meer betrouwbare figuren, die zich krachtens studie en ontwikkeling geroepen voelden om het ideaal: Indonesië voor de Indonesiërs, na te streven. Zij kenschetsten de inheemse samenleving uit het verleden als verouderd en achterlijk. Zó wenste niemand het meer terug. Men bepleitte aanpassing aan het Westen. Maar uitsluitend terwille van gelijkwaardigheid en onafhankelijkheid. Derhalve is er thans een honger en dorst naar onderwijs op alle gebied. Het analphabetisme loopt met sprongen terug. Indonesië heeft een onverzadigbare weetgierigheid. Nationalisme is dus niet slechts liefde voor eigen beschaving, zonder meer. Het eigene wordt gewaardeerd. voorzover het dienstbaar is aan de nationale eer en de erkenning daarvan door de buitenwereld. Terwijl 25 jaar geleden het schoolbezoek van hogerhand moest worden aangemoedigd, komt men thans scholen en leerkrachten tekort. Zo zoekt men een brede ontwikkeling van de natie met een hevigheid, die wij nauwelijks kunnen aanvoelen, maar die de zending in geen geval kan en mag negeren.

In dit proces speelt, zoals bekend, het communisme een verontrustend grote rol. Het heeft invloed tot in de hoogste regeringskringen. Als wij letten op de funeste gevolgen van het kapatalistische, koloniale systeem, waarbij geestelijk belang, ook van de zending, vaak werd opgeofferd aan de macht van het geld, en als wij zien naar de ontstellende verpauperisering van grote massa's, wordt het duidelijk, dat 't communisme daarin aanknopingspunten kan vinden. Het is niet zó, dat de theorie van Karl Marx begrepen wordt. Moderne industriële begrippen, zoals b.v. de arbeidswaarde-leer, klasse-leer, uitbuitingstheorie enz., spreken nog niet aan in een overwegend agrarisch ingerichte maatschappij. Maar het communisme knoopt aan bij de rassenhaat. Ophitsende elementen en opruiende lectuur oefenen een verderfelijke werking uit. Er zouden nog meer factoren te noemen zijn, waarin de neiging openbaar wordt om de Indonesische staat een communistisch karakter te geven. Zeker is, dat hier gevaren bestaan, waardoor ons zendingswerk ernstig bedreigd kan worden. De ideeën die momenteel algemeen vanuit Moskou verspreid worden, kunnen aajuleiding geven tot een zucht om de christelijke kerken tegen te werken en te vervolgen.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

CRISIS DER ZENDING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's