CHRISTEN-ZIJN
in de Nederlandse samenleving
V.
De Staat
De herderlijke brief gaat in een nieuw hoofdstuk van enkele pagina's over Kerk en Staat schrijven, een onderwerp, waarover boekdelen vol geschreven zijn.
Iemand merkt op, dat een herderlijke brief geen wetenschappelijke verhandeling is. Dat is ook zo, maar een verhandeling is het toch, of zij wetenschappelijk is, laten wij maar rusten.
De eerste alinea op blz. 16 geeft al onmiddellijk aanleiding voor een paar algemene opmerkingen omtrent een woordgebruik. De brief spreekt van staat, maar hij bedoelt de Overheid. Dat is ook goed, doch dan moest de titel niet zijn Kerk en Staat. Deze moest luiden: Kerk en Overheid. De kerk heeft wat met de Overheid en de Overheid heeft wat met de kerk te maken.
Zodra de herderlijke brief over deze verhouding gaat spreken, gebruikt hij ook het woord Overheid (zie blz. 16).
Een tweede opmerking betreft een verschijnsel, dat in de laatste jaren telkens weer kan worden opgemerkt. Dat de mensen het erg druk hebben over de bedoeling Gods. De herderlijke brief doet daaraan ook mee, als hij meent, dat aan de Overheid een gewichtige rol is toegekend in Gods bedoeling met de aarde.
Vooreerst is deze uitdrukking erg vlak, maar wat weet men van Gods bedoeling met de aarde ? Dat zij voorbij gaat ? Dat zij vernieuwd wordt ? Bedoelt men dat?
De apostel Paulus sprekende over de Overheid als dienaresse Gods, vermaant tot gehoorzaamheid, tot vermijding van 't kwaad en beveelt, dat men schatting zal betalen. De apostel spreekt echter in dit verband niet van Gods bedoeling met de aarde.
De eigenaardige spreekwijze beantwoordt klaarblijkelijk meer aan de bedoeling van de mannen, die achter deze brief staan. Want enige regels verder leest men weer van de leefbaarheid van het bestaan. Van die leefbaarheid komt het op de politiek. , , En wij kunnen niet weten, wat een leefbaar bestaan is, zonder de kennis van Gods openbaring en van Zijn voornemen met deze wereld". Deze laatste kennis is toch ook vrucht van openbaring ? De alinea eindigt met , , het mens-zijn naar Gods bedoeling op aarde".
Deze taal toch is in uitdrukking en opzet toch wel heel ver verwijderd van de. Heilige Schrift. En als dit nu geloofstaal wil wezen, kunnen degenen, die dit geloof aanhangen toch moeilijk tegenspreken, dat zij op hun wijze doen, wat zij andere verwijten n.l. een beschouwing met geloof vereenzelvigen.
En wat erger is, de Schriftuurlijkheid van deze beschouwing is zoek en het schijnt wel een heel ander geloof te zijn, dat hier spreekt.
Het rationalistisch humanisme heeft God op non-activiteit gezet, maar dit is een soort humanisme, dat zich tracht te legitimeren als dienaar van de bedoeling Gods met de aarde.
Vandaar, dat het zich met , , het menszijn op aarde bezighoudt", een zaak, die 'gelovige en niet-gelovige gelijkelijk aangaat", zoals de brief opmerkt, (blz. 16).
In deze ethiek , , van de bedoeling Gods" blijft niet veel over van de vreemdelingschap op aarde. Alleen maar een beetje achterlijkheid aan de kant van de gelovigen. De niet-gelovigen schijnen meer gaven en belangstelling voor de , , leefbaarheid" te hebben.
Enige waarheid is daarin trouwens wel. De Heere Jezus Christus zegt toch in de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester, dat de kinderen dezer eeuw voorzichtiger zijn dan de kinderen des lichts in hun geslacht (Nieuwe Vert: gaan met veel meer overleg te werk) Lukas 16:8.
Dit moge dus zo zijn, maar men zal toch vergeefs zoeken naar een opdracht van Christus om te , , zoeken naar middelen en wegen om de leefbaarheid van het bestaan te verzekeren en te verhogen" (blz. 16).
Hoe geheel anders klinkt het onderwijs van de Christus zelf? Vergelijk b.v. Lukas 12 : 22 vv.: Daarom zeg Ik u : Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult. Het leven is meer dan het voedsel en het lichaam dan de kleding. .. . enz.
De hemelse Vader zorgt volgens de Heere Jezus Christus voor de , , leefbaarheid" en wij hebben de roeping om te arbeiden, want die niet arbeidt, zal ook niet eten.
Die roeping heeft Christen en niet- Christen inderdaad gelijkelijk, n.l. als mens, als kind van de gevallen Adam.
Over de Staatsopdracht of beter gezegd de taak der Overheid valt nog anders te oordelen, dan de herderlijke brief doet, tenzij deze bedoelt, dat de , , leefbaarheid" ten hoogste bevorderd wordt door de handhaving van recht en orde. Die opdracht is bovendien niet aan de Staat, want de Staat is niemand, maar aan de Overheid! Doch, indien de brief het zo bedoelt, waarom zegt hij het dan niet ? Want, wat hij nu zegt, riekt nog al naar de socialistische Staatsidee.
Deze indruk wordt geenszins weggenomen door een volgende vroomklinkende passage, die het anders staan van de Christen in deze arbeid wil toelichten. Christen , , weet, dat het gaat om het mens-zijn naar Gods bedoeling". Deze insnede schijnt althans toelichting te ontvangen in de volgende : „Hij weet van Gods bemoeienis met deze wereld in schepping, onderhouding, verzoeing, heiligingen voleinding". , , Hij weet dat de leefbaarheid van ons bestaan af hangt van deze grote daden Gods". , , Als navolger Gods mag hij op zijn bescheiden plaats in deze grote arbeid staan. Aan Gods arbeid leest hij richting en inhoud van zijn eigen taak af".
Theologisch beoordeeld, is dit een opvallend zwak stuk. Ten eerste, hoe zou iemand over schepping, onderhouding, verzoening, heiliging en voleinding enige wijze woorden kunnen spreken, anders dan dank zij de Godsopenbaring? Hoe zou de mens dan aan Gods arbeid richting en inhoud van zijn taak kunnen aflezen, als God hem ook daaromtrent niet klaar onderrichtte. En dan weer die leefbaarheid van ons bestaan! Het is, alsof ons bestaan zonder de grote daden Gods ook al iets is, dat er zonder God, zou kunnen zijn, doch door de grote daden Gods , .leefbaar" zou moeten worden gemaakt.
Dat , , leefbaar maken" neemt niet alleen een veel te grote plaats in deze beschouwingen in, maar de gedachte is welhaast absurd, als men zich rekenschap geeft van het in de Schrift telkens op de voorgrond tredende feit, dat God onze Schepper is, dat onze adem in Zijn hand is, en dat Hij alleen krachtens Zijn souverein welbehagen de gevallen mens genade bewijst en de adem des levens schenkt.
Niet minder aanvechtbaar is de uitdrukking : , , Als navolger Gods mag hij op zijn bescheiden plaats in deze grote arbeid staan", (blz. 17). De bescheidenheid, aan deze arbeid toegeschreven, kan de hoogmoedige onderstelling van in de , , leefbaarmaking van het bestaan" Gods navolger te zijn, niet goed praten. Het lijkt al weer zo, als lag het in de geest van de man, die deze uitdrukkingen heeft uitgevonden en gebruikt, dat God het bestaan geeft en de mens de taak had dit bestaan , , leefbaar" te maken en nog wel als navolger Gods !
Op grond van Rom. 2 vs. 15 wil de herderlijke brief verder verklaren, dat , , velen, die Gods bedoeling niet kennen, toch de Christen in gehoorzaamheid aan Gods bedoeling ten aanzien van het staatsie ven overtreffen".
Men zou zo onderstellen, dat de aangehaalde tekst aanleiding kan zijn om de taak der Overheid o.m. daarin bepaald te zien, dat zij Gods geboden als norm voor het zedelijk leven des volks aanhoudt, omdat zelfs de heidenen bewijzen het werk der wet in hun harten geschreven te hebben.
En wat „de gehoorzaamheid aan Gods bedoeling" aangaat, een gehoorzaamheid van iemand die de wet niet kent en van de , , bedoeling Gods" niet weet, kan men verder vergelijken bij de gehoorzaamheid van alle onbewuste schepselen aan de door God gestelde orde, maar mist de zedelijke kracht.
De Heilige Schrift werpt over deze dingen een gans ander licht. Vgl. Jesaja 28 : Zijn God onderricht hem van de wijze. Daar gaat het over de cultuur in haar grondleggende gestalte, landbouw etc. Er behoeft verder nauwelijks aan herinnerd te worden, dat kunsten en wetenschappen gaven Gods zijn.
Daarom zou van alles, wat enige aanspraak op de waardering cultuur onder de mensen mag hebben, niets terecht komen, zo de Heere God de mensen — ook goddeloze mensen — zo velerlei gaven van kunnen en kennen onthield.
Overigens mag de Christen— volgens de slotzin van deze paragraaf — zijn solidariteit in de weg van het staatkundige alleen breken (zonder die in de diepte uit het oog te verliezen), als die weg „de leefbaarheid van het bestaan naar Gods bedoeling eer zou aantasten dan bevorderen", (blz. 17).
Men ziet, dat deze levensbeschouwing voor de practijk nuttigheid zou kunnen hebben, indien men onder alle omstandigheden nauwkeurige kennis kon hebben van , , de bedoeling Gods" ten aanzien van de zaak, die men wenst te dienen. Men zou kennis moeten dragen van de bedoeling Gods in de concrete situatie. Zonder zulk een kennis kan deze leer in haar vaagheid slechts aanleiding geven tot willekeur en verkapte eigengereidheid. En wie kan zich beroemen op zulk een kennis van de , , bedoelingen Gods", nog afgezien van het al te menselijke van zulk een wijze van uitdrukken ?
In geen geval kan deze levensbeschouwing een verbetering heten van de als , (traditioneel" afgekeurde, welke zich richt naar de eis van Gods geboden. Men vergelijke nog eens hoe de Catechismus die eis verstaat. (Zondag 34 vv.)
Als de mens de Wet Gods voor de vervulling van zijn aardse roeping zou kunnen missen, zou God Zijn Wet, die immers des mensen levenswet is, niet hebben geopenbaard en zelfs het werk der Wet in onze harten gegeven.
Slechts misverstand of dwaasheid kunnen de mens bewegen Gods onderwijzing en duidelijke eis tot gehoorzaamheid aan Zijn geboden te verwerpen.
Van Kerkstaat, Staatskerk en nog wat.
De Kerk begeert geen aardse macht te verwerven, ('blz. 17). Accoord, de Kerk ere dat devies ook op haar eigen terrein!
De herderlijke brief gaat voort met te zeggen: , , Daarom verwerpen wij de kerkstaat, d.w.z. die vorm van samenleving, waarin de kerk zich met geweld aan de mensen en verhoudingen oplegt en de overheid als haar werktuig hanteert".
Toch is dit de diepste reden niet. Deze klinkt door in de nadere toelichting: , , Zo verduistert zij de prediking van het evangelie der genade Gods".
Dit is geenszins duidelijk, zegt gij ? Volkomen juist, want een kerk, die zelfs de overheid als werktuig hanteert, is toch zeker vrij en door wie of wat zou deze worden belemmerd in de prediking ?
Dat is het dan ook niet, maar de herderlijke brief wordt gedreven door de vrees, dat zulk een kerk aan de hoorders (let wèl, hoorders, ondersteld wordt alleen maar een gezelschap van hoorders) de „gelegenheid tot echte keuze en persoonlijke beslissing, waartoe God hen roept" zou ontnemen!
Ik kan mij begrijpen, dat iemand bezwaren heeft tegen een kerkstaat op grond van het wezen der kerk en de taak der Overheid, maar een motivering als hier gegeven wordt, kan alleen overtuigende kracht hebben voor degenen, die haar hebben opgesteld en blijkbaar niet gevoelen, dat zij op deze wijze tekort doen aan de onweerstandelijke werking van de souvereine genade Gods.
Een dienaar des Woords en ook een kerkorganisatie kan ontrouw zijn in de prediking, van de waarheid afdoen, een evangelie brengen naar eigen smaak en daardoor schade berokkenen. Dat is mogelijk en geschiedt ook. Maar geen valse kerk, geen gericht, geen macht in de wereld kan de souvereine werking van Gods Woord en Geest keren.
Door een motivering als die van de herderlijke brief wordt een liberalisme ondersteld, dat vreemd is aan het Evangelie der vrijmachtige genade Gods.
Ook geen staatskerk.
Deze nieuwe alinea kan aantonen, hoe moeilijk het is ingewikkelde zaken in een paar woorden te willen zeggen. Zo ook hier: van de staatskerk heet het : „die vorm van samenleving, waarin de Kerk zich tot een werktuig der staatsbelangen laat maken, in ruil voor aardse macht en voordeel".
Dat is toch op zijn hoogst een eenzijdige waardering, en wel van een staatskerk-situatie, die tevens een vergevorderde staat van decadentie betekent.
Daarentegen komt een kerk, zoals de herderlijke brief wil: vrij van alle aardse machten, in de practijk niet voor, want zolang zij op aarde is, is zij een strijdende kerk, en zal dat moeten zijn, omdat zij in de wereld is, maar niet van de wereld.
Deze feitelijkheid van de strijdende kerk wordt door de herderlijke brief achtergesteld bij een, die een weerloze weg door de wereld gaat. (blz. 18).
Hij bedoelt een weerloze weg, die niet lijdelijk is. , , Als weerloze is zij nochtans weerbaar".
Hoe dit in de concrete situatie van de practijk wordt voorgesteld, wordt in de volgende paragrafen uiteengezet.
Intussen houden wij ons met Calvijn aan het ideaal van de vrije kerk in de vrije staat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's