DIE POOLSE JONGEN
Feuilleton
DOOR JAC. OVEREEM
Zo'n geuniformde meneer greep hem in de kraag. En nogal stevige ook. Losrukken zou niet baten, bovendien....
— Wat moet jij hier, vrind? was de strenge vraag.
Mika keek verschrikt achterom. Hij zat midden tussen een stel communistische politie-agenten. Dreigende ogen waren op hem gericht.
Afschuw vervulde hem.
— Wat ik hier moet? ' schreeuwde Mika. — Mijn schone vaderland bekijken !
De man die hem nog steeds bij de kraag vasthield, grijnsde diep,
— O, dacht hij, dat is een jonge nationalist. Dat kun je zo wel aan z'n ogen zien.
— Ga jij maar eens met me mee, vrindje. Dan zal ik je je schone vaderland eens laten bekijken. Dat zijn bij ons vier kale muren.
Mika's hart bonsde. Hij voelde bij intuïtie ; dat gaat niet goed. Deze politieagent van Stalin, had niet veel goeds met hem voor.
Maar hij deed toch niets geen kwaad. Hij had zelfs een bel op de fiets. Bij druk verkeer kon hij nog bellen ook.
Neen, Mika kon de tactiek van een Russische politieagent niet begrijpen.
— Kom jij maar mee, zei de man onder het voortgaan nog eens.
Mika vond het reuze bespottelijk, maar het was hier schijnbaar volle ernst.
Geduldig liep hij mee. De fiets in de hand. Die fiets was goed, daar mankeerde niets aan. En hijzelf wilde zo graag Breslau eens zien.
De agent - commandeerde Mika rechtsaf te gaan.
Een nauwe, vieze straat. En heel hoge huizen. Akelig somber schenen de ramen je aan te staren.
Hier te moeten wonen leek Mika iets verschrikkelijks. Hij de vrije, blije jongen van het wijde, zomerse land.
Het verschil van atmosfeer was ook wel groot.
— Wat wilt u eigenlijk, meneer? vroeg Mika.
— Ik wil van jou een flinke, jonge arbeider maken, die daarvoor eerst moet leren, niet zijn schone vaderland te bekijken, maar op het arbeidsbureau zich te vervoegen, om ingeschakeld te worden, in het productie-proces.
Mika stond er versteld van, dat zo'n man zulk een rede kon houden en zei niets. Hij was ook niet in staat een woord uit te brengen.
Wat wilde die man eigenlijk? Hij moest op tijd weer naar huis.
Op eens kwam de werkelijkheid op Mika aanstormen. Zou die man hem echt naar een gevangenis brengen ?
Dat was iets afschuwelijks !
Voor een brede deur hield de politieagent halt. Hij opende in die deur een kleinere deur en zei nors tegen Mika:
— Hier heb je je schone vaderland!
— Zet je fiets hier maar neer. Misschien krijg je die wel eens terug.
Hij sprak enkele woorden met een portier, die ook de cipier bleek te zijn.
Mika verstond er niet veel van. Tot nader order moest hij 't jong in bewaring houden.
De agent groette en vertrok.
Daar stond Mika Tomkiewis, geboren in Polen, oud dertien jaar. Hij was gevangene van de Russische staat.
Dat zulk een groot lichaam, zich met . zulk een klein mensenkind bemoeide. Met een jongen, die, gelijk een bloem, op het punt stond open te bloeien.
Het zijn de geheimenissen van het duistere rijk, waar het leven uitgebannen is.
Mika was te jong om de ongenade waar hij in gevallen was, te begrijpen. Willekeur is meestal in zijn oorsprong, moeilijk te definiëren.
Hij stond een ogenblik.
De cipier keek hem aan. Ook hij was dienaar van het duistere rijk.
Zonder oorzaak zou de jongen hier niet zijn gebracht. Het wemelde de laatste tijd van die kleine straatduivels. Het gezicht van de jongen leek vrij onschuldig, maar daar kon je niet veel van op aan.
No. 35
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's