EEN HEERLIJKE BELIJDENIS
........ en dat (Israël) zal zeggen: o, mijn God!" Hosea 2 vs. 22 slot
„ en dat (Israël) zal zeggen: o, mijn God!" Hosea 2 vs. 22 slot
De heerlijke belijdenis van Israël, waarover wij samen een ogenblik willen nadenken, ligt besloten in de laatste drie woorden van de tekst: „o, mijn God!" Een erg korte belijdenis anders, zegt ge misschien. Inderdaad, maar toch houden we staande dat ze niettemin heerlijk is. En dit heerlijke zit hem welbeschouwd in slechts één woord, het middelste: mijn. Laat men dit weg, dan blijft er van de belijdenis slechts over een uitroep, die ik in mijn leven veel vaker heb horen gebruiken als stopwoord, als vloek, dan als een zucht tot de Heere. Hoe anders wordt dit, wanneer we zeggen: o, mijn God. Zeker, ook dit kan men bezigen als vloek. Maar me dunkt toch niet zó makkelijk. Het woordje , , mijn" belet dit enigermate. O, mijn God, kan toch alleen komen uit de mond van een veranderd mens, dat voelen we allen. Natuurlijk kan óok een onbekeerde dit wel op de lippen nemen, maar de waarheid spreekt hij dan zeker niet. Maar gemeend en in al zijn volheid gekend, kan deze belijdenis alleen door de ware gelovigen geuit worden.
Zo bleek ons reeds iets van het grote gewicht dezer belijdenis. Ook het tekstverband werpt hier trouwens een duidelijk licht op, want let er eens op waar onze tekst staat: helemaal op het eind van hoofdstuk 2. En dat hoofdstuk 2 van Hosea is zéér rijk. Ons wordt hier getekend een volslagen afgeweken Israël, maar óok een God, Die dit afgedoolde volk door allerlei bemoeienissen weer terug brengt. Ge moet het maar eens nalezen, 't Zou heerlijk zijn, als ge er iets van uzelf in terugvond. Maar weet ge wat nu zo merkwaardig is ? Het einde van heel dit geweldige, veel bewogen hoofdstuk, datgene waar heel de bemoeienis van de trouwe Verbondsgod met Zijn afgedwaalde volk op uitloopt, is de zo op het oog simpele belijdenis van de tekst. Maar we voelen uit dit alles al wel dat deze belijdenis zo simpel niet is, als ze wel lijkt. Neen, blijkens het tekstverband hebben we hier te doen met het einddoel van al Gods bemoeienis met een zondaar. Het kan lang duren eer hij zo ver is, er kan geweldig veel aan vooraf moeten gaan, ook ons teksthoofdstuk leert het, maar : de zondaar zal zover moeten komen. Anders gezegd, gij, die dit leest, zult zover moeten komen door genade, dat ge het uit de grond van uw ziel met onze tekst zeggen en belijden kunt: o, mijn God! Daar wil de Heere u hebben. Eerder is Hij niet tevreden. Eerder is het ook niet goed.
We hebben hier blijkens het verband dus wel te doen met een zeer belangrijke belijdenis. Immers, de Heere rust niet, voor Hij Zijn volk daar heeft, hoe lang het ook moge duren eer het zover is en hoe diep de weg er heen ook zij. Dan pas is het zoals de Heere 't hebben wil.
Maar wat houdt het dan in, tot de Heere te mogen zeggen: o, mijn God? Let wél, wij bedoelen dus niet het uitspreken van deze drie woorden alleen met de lippen, dat komt wellicht nogal eens voor, maar heeft de minste waarde niet. Of men zou kunnen zeggen: negatieve waarde, want degene, die zich hieraan bezondigt, verzwaart nog zijn oordeel. Neen, wij hebben het oog op iemand, die werkelijk met hart en ziel op goede grond tot de Heere kan zeggen, o, mijn God ! Welnu, wat houdt bij zulkeen deze belijdenis nu in ? Waarom is hij zo gelukkig als hij het zeggen mag ? Wel, waarlijk te mogen zeggen tot de Heere : mijn God, houdt allereerst in, dat er een band tussen Hem en de ziel bestaat. Dit is juist het kenmerk van een levend geloof : die band. Velen geloven ook tegenwoordig nog wel in het bestaan van een God, maar alleen met hun verstand. We noemen dit het historisch geloof. Van de zoeven genoemde band is hierbij geen sprake. Inwendig liggen ze nog volkomen tegen God in, houden Hem zoveel mogelijk op een afstand. Zo doet immers de mens van nature ? Komt de Heere nu dit alles op Zijn tijd en wijze radicaal te veranderen, dan ontstaat daar uiteindelijk een gevoel van verbondenheid met die God, zich uitend hierin, dat zulkeen gaat zeggen : mijn God! We kunnen er slechts met een enkel woord over spreken, maar ik hoop dat ge begrijpt, wat de bedoeling is.
Misschien mogen we in dat heerlijke , , mijn" ook nog niets anders beluisteren, n.l. de tegenstelling tot de wereld. Die heeft immers ook haar goden. Ieder mens heeft een god, d.w.z. iets of iemand waarop hij zijn vertrouwen zet. Nu stelt de wereld haar vertrouwen op allerlei afgoden. Gods volk echter op Die ene ware levende God. Van Die God mag dat volk zeggen : mijn, zulks in tegenstelling met de wereld. Aan welke kant staat gij nu, weet ge het al ?
Ja, nu raken we een teer punt, dat we echter niet mogen laten liggen. Ge zegt misschien : alles goed en wel, maar hoe is het nu mogelijk om tot die heerlijke belijdenis uit de tekst te komen? Anders gezegd : hoe kan ik daartoe komen of — bij vernieuwing komen ?
Eén ding is al aanstonds duidelijk: van onszelf uit kan het niet. Natuurlijk kunnen wij uit eigen beweging wel tot de Heere gaan zeggen : mijn God, maar waarde heeft dit dan niet. Neen, wanneer iemand waarlijk zeggen mag : mijn God, dan is dat een genadegave Gods. Een werk van de Heilige Geest. Om Christus' wil.
Dit alles zal u duidelijk zijn. Leeft er echter diep in uw ziel een sterk verlangen om ook nog eens zover te mogen komen, dan zijt ge hiermee toch nog niet tevreden. Dan wilt ge verder nog weten wat voor soort mensen de Heere hiermee begenadigt. Geeft de Schrift ons dienaangaande uitsluitsel ? Zeker, allereerst al in het tekstverband. Wie komt zover, dat hij zeggen mag tot de Heere : o, mijn God ? Israël, zeker, maar let er dan nu eens scherp op, dat dit is het totaal afgedwaalde Israël, dat moedwillig de verkeerde weg opging en de afgoden verre stelde boven de Heere hun God — en dat deswege ook de zware kastijding des Heeren kreeg te verduren —, dit zelfde volk wil de Heere brengen tot de heerlijk-zalige belijdenis : o, mijn God!
Wilt ge nog een voorbeeld uit het Nieuwe Testament? Denk dan eens aan Thomas ! De ongelovige Thomas. , De sombere, pessimistische Thomas. De eigenwijze Thomas. Zeker de zondige Thomas. En zie nu, hoe juist hij het eerst van alle discipelen door de Heere Jezus zover gebracht wordt dat hij belijden mag : mijn Heere en mijn God ! Ja, de Heere is een verrassend God, ook nu nog.
Zoudt gij zo graag ook tot de Heere zeggen: mijn God ? Voelt ge, dat dit absoluut noodzakelijk is ? Dat die band met de Heere om Christus' wil er moet zijn, want dat ge bij gemis hieraan straks voor eeuwig zult moeten omkomen ? Welnu, leer dan uit de aangehaalde voorbeelden, welk soort van mensen de Heere met deze weldaad in Christus begenadigen wil : totaal verlorenen, voor wie geen hoop meer mogelijk schijnt. Diep schuldigen. En als ge dit bedenkt mag dan niet de hoop ontstaan in uw ziel dat er ook voor u toch misschien nog een mogelijkheid is, en komt dan niet onwillekeurig in uw hart op het gebed van de dichter van Psalm 106
Geef dat mijn oog het goed' aanschouw' 't Welk Gij, uit onbezweken trouw, Uw uitverkoornen toe wilt voegen. Opdat ik U mijn Rotssteen noem! En, delend in Uws volks genoegen, Mij met Uw erfdeel blij beroem'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's