De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CHRISTEN-ZIJN in de Nederlandse samenleving

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CHRISTEN-ZIJN in de Nederlandse samenleving

De weerloze kerk in de concrete situatie

9 minuten leestijd

De weerloze kerk in de concrete situatie

Prof. Dr J. Severijn

De kerk moet „op de bres staan voor de verdediging en handhaving van een staatsinrichting, waarin het recht, dat ook voor de staat van volstrekte geldigheid is, een garantie vormt voor de gelijkgerechtigdheid van de burgers en voor hun geestelijke vrijheid" (blz. 20).

Op blz. 21 staat: , , Het is de opdracht van de kerk in al haar geledingen, van de haar gegeven vrijheid gebruik te maken om met de Overheid gedurig naar het gebod Gods over ons samenleven te zoeken, opdat de Staat niet óntrouw worde aan zijn goddelijke roeping... . enz."

Afgezien van de vraag, of deze voorstellingen juist zijn, blijkt uit dergelijke zinsneden, dat ons uit de brief een merkwaardig begrip van weerloosheid tegenkomt.

Wij kunnen het met prof. Van Ruler vaak niet eens zijn, maar in zijn geschrift over de , , Achtergronden van het herderlijk schrijven", zo juist verschenen, valt menige critische noot, waarmede wij hartelijk kunnen instemmen. Zo ook over de weerloosheid, die hij op de kaak zet. (Wij hopen dit geschrift afzonderlijk te behandelen).

De concrete werkelijkheid der kerk vertoont trouwens heel weinig van het vage ideaal der weerloosheid, dat ons in de vorige bladzijden werd getekend. Hoe zou dat ook kunnen?

Veeleer het tegendeel blijkt uit verschillende handelingen en daarom kunnen dergelijke voorstellingen van de herderlijke brief weinig bevorderlijk zijn aan het gezag der Synode.

Wij betwijfelen ook ten zeerste of de moderne democratie wel de eerste vorm van staatsinrichting is, waarvoor de kerk zich moet warm maken.

Calvijn heeft zich weliswaar aan geen bepaalde vorm gebonden, maar de moderne democratie is al te zeer verwant aan de beginselen der Franse revolutie om zich te voegen onder de theocratische grondbeschouwingen van de gereformeerde religie.

In bovenstaande aanhaling wordt gesproken van „een recht, dat ook voor de staat van volstrekte geldigheid is". De uitdrukking , , een recht" is niet moedgevend. Zij maakt de , .volstrekte" betekenis van „volstrekte geldigheid ook voor de staat" tamelijk relatief en verwijdert zich klaarblijkelijk van de leer, dat het recht, dat ook voor de overheid volstrekte geldigheid heeft, is gegrond op en wordt bepaald door Gods Wet. Dat is theocratisch en een onvergankelijk normatief voor de rechten en vrijheden van het volk.

Helaas zoekt men zulk een positief geluid in het herderlijk schrijven vergeefs. Kerk en Overheid moeten zoeken naar het gebod Gods. (Zie boven). Maar aangezien geen dagelijkse Godsspraken uit de hemel worden gegeven en wij op de Heilige Schrift als Gods Woord zijn aangewezen, gaan wij veiliger door- op de Wet Gods te letten.

Van de , , goddelijke roeping , , van de Staat" gesproken", kan de Staat een roeping hebben of vervult hij een functie? Als men van goddelijke roeping gewaagt, moet men toch Overheid zeggen. Als men spreekt van Overheid en Overheden, spreekt men niet over een instituut, over een zaak of een ding, maar over de verantwoordelijke personen. Het is waarlijk een te laken invloed van modernisme om over Staat te spreken, als men Overheid bedoelt. De Overheid heeft een goddelijke roeping, zijnde Gods dienaresse.

Kan men de moderne democratie zo maar zonder meer in overeenstemming achten met die goddelijke roeping der Overheid en komen met die goddelijke roeping nu ook Gods geboden niet in het gezichtsveld ?

Maar, zoals reeds werd opgemerkt, gaat het herderlijk schrijven op zulke principiële vragen niet in. Het blijft aan de oppervlakte en sluit zich vrijwel aan bij de moderne democratie.

Zo vervolgt de herderlijke brief zijn weg zig-zag met enkele voorbeelden van wetgeving, waarmede de Overheid bezig is, en van mogelijke omstandigheden, welke de Kerk zouden kunhen nopen op te treden tegen politieke partijen.

Plotseling komt dan weer het verband tussen belijdenis en leven ten tonele, „hoewel niet onmiddellijk en niet algemeen geldend, niettemin wezenlijk". Dat is nu weer precies een zinsnede, welke in het wankele verband een goede figuur kan maken naar de klank, doch naar de inhoud allesbehalve duidelijk.

De daaropvolgende toelichting in ondersteld concrete gevallen, die zich zouden kunnen voordoen met betrekking tot de partijen, spreekt wel over gehoorzaamheid aan het gebod Gods, doch deze gehoorzaamheid wordt zó ruim gesteld, dat de herderlijke brief de overtuiging van de voor dit schrijven verantwoordelijke mannen uitspreekt, dat o.a. in ons land zich de mogelijkheid niet voordoet, dat naar het gevoelen van de ambtelijke vergaderingen der Kerk in één of meer partijen voor de gehoorzaamheid aan het gebod Gods geen plaats is. En — zo vervolgt men — niemand heeft kunnen duidelijk maken, dat , , de zakelijke verschillen, die de huidige democratische partijen gescheiden houden, samenvallen met de scheiding van hen, die aan het gebod Gods gehoorzaam en hen, die daaraan ongehoorzaam zijn", (blz. 22).

Dit oordeel wil dus de zakelijke verschillen van de Christelijke en niet- Christelijke partijen treffen.

De onzuiverheid van zulk een stel­ling springt niet minder in het oog als het gemis aan enige waardering voor het streven der Christelijke politieke partijen en organisaties, om in het leven van Staat en maatschappij het verband tussen belijden en leven te realiseren, hoewel het herderlijk schrijven dat verband toch wezenlijk noemt.

Als er een wezenlijk verband tussen belijden en leven is, zal er dan ook geen wezenlijk verband zijn tussen niet-belijden en leven ? En treft dat verband niet het ganse leven in al zijn organen en expressies ; in de werkingen van verstand en hart?

Wat anders kan het betekenen, dat de Heere God eist: Gij zult Mij liefhebben met geheel uw hart, met geheel uw ziel met geheel uw kracht en met geheel uw verstand? (Luc. 10 vs. 27).

Als voorts wordt beweerd, dat de Hervormde Kerk niet kan inzien, , , dat de eis om zich bij deze of gene partij aan te sluiten, kan gegrond worden op inzichten en overtuigingen, die in exclusieve zin met de belijden der Kerk en het Christen-zijn samenhangen", dan geeft deze bewering onomwonden blijk van de miskenning van het wezenlijk verband tussen belijden en leven.

Verder mag worden gevraagd, wie zijn bedoeld met Hervormde Kerk of wat men zich daarbij heeft voorgesteld? De Kerk, zoals zij reëel bestaat in gemeenten en personen? , Of de stellers van deze brief?

Immers de door deze uitgesproken mening is volkomen onjuist, als de Kerk, zoals die in den lande bestaat, wordt bedoeld. Want vele harer leden staan anders tegenover de , , doorbraak" als de herderlijke brief en men kan de mensen, die deze lezen, niet euvel duiden dat zij de leiding van de Kerk rood noemen.

Doch bovendien, zoals'gezegd, wordt de zaak theologisch geheel verkeerd gesteld.

Ondanks het woord van de Christus, dat de boom aan zijn vrucht gekend wordt, zal de Christgelovige zich wachten om te oordelen over de geestelijke staat van een mens. Als in Christus vergeving is voor de grootste der zondaren, wie is de mens, dat hij iemand zou uitsluiten, want wij zijn geen kenners der harten en God is de Vrijmachtige, die doet naar Zijn welbehagen.

Maar daarom is het ook een slag in de lucht om al of niet aansluiting bij een politieke partij met het belijden der Kerk en het Christen-zijn te verbinden, alsof iemand, die zich bij een Christelijke partij voegt. Christen, en die zich bij een niet-Christelijke partij voegt, daarom niet-Christen zou zijn. Over het hart oordelen wij niet.

-Doch nu nog een andere kant. De herderlijke brief schijnt inzichten en overtuigingen in de aangehaalde zinsnede zo maar los van het belijden, wij, zeggen hier bij voorkeur van de belijdenis, te maken.

Is dat wel juist, of redeneert de herderlijke brief ook niet uit inzichten en overtuigingen, die met het belijden van degenen, die deze hebben opgesteld, en is het schier lijdelijk verzet tegen de Christelijke organisaties en tegen de onderscheiding van Christen en niet- Christen, welke men daarin waarneemt, ja, ook zelf gevoelt, mogelijk gevolg van een generaliserende tendens ten aanzien van het Christen-zijn?

Daarin zou niet alleen een verklaring gegeven zijn van deze en dergelijke uitingen, maar ook van het feit, dat die brief telkens de indruk maakt zich te bewegen op het plan ener algemene religiositeit, of zoals een ander het noemt, ener natuurlijke religie.

En tenslotte, al zijn wij geen hartekenners, het verband tussen belijdenis en leven is — juist, omdat het zo wezenlijk en zo centraal is, zó nauw, dat de belijdenis gestalte wil aannemen in ons leven. En het is zó geestelijk, dat iemand, die niet belijdt, anders belijdt, onverschillig is en in zijn eigenzirmigheid niets belijdt, dat ook in zijn leven openbaart en het niemand kan kwalijk nemen, als hij daarnaar wordt beoordeeld.

Hier raken wij aan de gelijkenis van de boom en zijn vruchten. En al is het ook, dat wij hebben afgeleerd onszelf voor goede bomen te houden, omdat wij verstaan dat Christus is de goede boom, die de goede vruchten voortbrengt, gelijk Hij is het tarwegraan, dat in de aarde gezaaid is en gestorven, opdat het veel vrucht zou voortbrengen, die van Christus zijn, delen in de vrucht.

Een dier vruchten is, dat het waarachtig geloof uitdrijft tot gehoorzaamheid aan Gods geboden, bepaaldelijk ook aan de Wet Gods. Over deze Wet wordt in de herderlijke brief weinig of niet gesproken.

Met name op het gebied, waarop dit herderlijk schrijven zich beweegt, heeft de Wet Gods grote betekenis en is de erkenning daarvan een overwegend belang. En in de eis van de erkenning van de Wet Gods en van gehoorzaamheid aan de Wet, is de voornaamste voorwaarde gegeven voor de handhaving van recht en gerechtigheid, waarbij het volk welvaart.

En wat de vereenzelviging aangaat, geen Christenmens zal beweren, dat , , het doen van Gods wil kan vereenzelvigd worden met de practijk van één onzer partijen". Zó staat de zaak niet, maar het is wèl zo, dat het Christelijk geloof de keuze mede bepaalt, althans in het negatieve, n.l. dat men zich bij zekere partijen niet aansluit.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

CHRISTEN-ZIJN in de Nederlandse samenleving

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's