Herderlijk Schrijven
Achtergronden van het
Prof. Dr J. Sevcrijn
Zoals wij reeds gemeld hebben, heeft prof. van Ruler onder bovenstaande titel geschreven over het Herderlijk Schrijven.
Hij schrijft (op pag. 3) : , , De beoordeling en waardering van dit stuk, waarin , , de omvangrijkste reformatorische kerk , , in ons vaderland ingrijpt in de politiek- culturele discussie, welke vooral door het mandement van de rooms-katholieke bisschoppen een enigszins verwoed karakter had gekregen, is binnen- en buiten de Hervormde Kerk zeer verdeeld en tegenstrijdig uitgevallen. In de Hervormde Kerk zelf is de spanning er niet onaanzienlijk door toegenomen. Naar bulten heeft zij in de niet-confessionele klrngen er, naar het schijnt, een goede beurt mee gemaakt. (Cursivering van mij, S.). Het applaus is, naar mijn inzicht, althans ietwat zorgwekkend. Ten aanzien van de confessionele kringen echter dreigt grotere verwijdering te ontstaan."
Prof. van Ruler deelt verder mede, dat hij geen aandeel heeft gehad in de voorbereiding of samenstelling. Hij staat dus vrij tegenover dit stuk en wil het niet verdedigen, maar vleit zich met de illusie enige olie op de golven te werpen '(blz. 3).
Voorts wil hij de aandacht vestigen op 4 centrale gezichtspunten :
1. De Hervormde Kerk worstelt met haar interne situatie en haar externe positie.
2. Men is bezig met de verwerking van het moderne gegeven van de vrije organisatie, de vereniging en de partij.
3. Men is in het onklare over de kwestie van de verhouding van de schepping en het rijk Gods.
4. Men laat de verhouding van de Kerk en de Staat schieten (blz. 3 v.).
Wij willen aan ieder van deze punten enige opmerkingen verbinden naar aanleiding van prof. van Ruler's betoog.
Wat het eerste punt aangaat, over die stelling zijn wij het eens en wij menen, dat prof. van Ruler het meesterlijk typeert, als hij de gang van de kerk in die worsteling een , , dronkemansgang" noemt (blz. 5). Het beeld is juist.
Wij kunnen het echter geenszins met deze schrijver eens zijn, als hij deze dronkemansgang hoogste pneumatische wijslieid noemt, een gang, die de Kerk van Christus in de moderne tijd geboden, ja, van Godswege geboden zou zijn.
Als prof. Van Ruler dit meent, en dat zal hij zeker menen, dan kan hij zich toch niet zo radicaal vrij maken van dit Herderlijk Schrijven, althans niet van de zigzaghouding, die hij daarin waarneemt, maar heeft hij ook wel enige relatie met de dronkemansgang, welke hij voor hoogste pneumatische wijsheid houdt.
Ook in zijn bijdragen kan men een zelfde onzekere houding, b.v. ten aanzien van de belijdenis aantreffen. In het kader van zijn uitspraak over de hoogste peumatische wijsheid kan dat passen en wil daarvan wellicht ook een vrucht wezen.
Wij houden ons echter overtuigd, dat de mensen, die zulk een dronkemansgang beminnen, de kerk meer schade berokkenen dan voordeel brengen, omdat wij ten enenmale weerspreken moeten dat „deze zigzaglijn aan de ware kerk van Christus in de moderne tijd van Godswege geboden is".
Daartegenover stellen wij, dat de verhouding kerk en wereld, als door de herderlijke brief gesteld, in het licht der Heilige Schrift geoordeeld is. Zij wordt gedragen door beschouwingen, die door Gods Woord niet worden geleerd.
Indien het juist ware de relatie tot de wereld zó te stellen als in de herderlijke brief wordt gedaan en de gemeente van Christus een solidariteit met de wereld, als hier wordt bevolen, behoorde te aanvaarden, zou het martelaarschap tegen de Christus en Zijn Kerk getuigen en tegen al de Zijnen, die om Zijnentwil smaadheid hebben geleden en gedood zijn.
Immers het applaus van niet-confessionele zijde, dat ook in Van Ruler's oog wat zorgwekkend is, kan een onfeilbare aanwijzing zijn, dat zulk een Christendom als in 't herderlijk schrijven wordt aangediend de ergernis der wereld heeft weggenomen, die zich wreekt in vervolging, kwelling, verdrukking en doding dergenen, die het Evangelie van Christus verkondigen en aanhangen.
Het is dan ook volkomen in strijd met het waarachtige leven met Christus, waarvan de gemeenschap Zijns lijdens meer is dan een klank en aan de gehoorzaamheid verbonden is. Vgl. Matth. 20 VS. 23 : Mijn drinkbeker zult gij wel drinken en met de doop, waarmede Ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden En het getuigenis der apostelen en profeten demonstreert de waarheid van dit woord.
En geldt dat ook niet tot op zekere hoogte van de leden van Christus' lichaam al zijn zij geen apostelen ? Joh. 16 VS. 33 : 7n de wereld zult gij verdrukking hebben.
Van Ruler spreekt van de ware Kerk in verband met de dronkemansgang, doch als er één ding kan worden genoemd, dat kenmerkend is voor de ware Kerk, dan is het zeker de gemeenschap met Christus' lijden en met Zijn opstanding. Waar blijft nu deze gemeenschap des lijdens als de door de herderlijke brief voorgestelde solidariteitsverhoudlng met de wereld de juiste zou zijn ?
Een Christen-zijn als hier wordt aanbevolen, heeft geen verdrukking te vrezen en heeft geen behoefte aan het woord van de Christus: Hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.
Klaarblijkelijk heeft de speelsheid, waaraan prof. Van Ruler zich zo gaarne overgeeft, hem parten gespeeld, toen hij zo schreef. Er is geen enkele grond in 't Christelijk geloof, dat naar de Schrift is, waarom de Kerk des Heeren In de moderne tijd anders zou staan tegenover de wereld als in de dagen der apostelen.
Interne situatie en externe positie.
, , De Hervormde Kerk worstelt met haar interne situatie en externe positie". Ik geloof, dat dit wel zo is. En ik geloof ook, dat die twee en nu en in het verleden, dus in heel de , , lange en verwarde geschiedenis" der Hervormde Kerk zodanig samenhangen, dat haar uitwendige positie door haar inwendige situatie beheerst wordt.
Zeker, zij hebben gelijk, die beweren, dat de tot de Hervormde Kerk behorende volksgroepen van overlang gewend zijn politiek, sociaal en cultureel verschillend te kiezen, en de geschiedenis kan dan ook bewijzen dat de inwendige positie door de inwendige situatie der kerk beheerst wordt. Dat treedt ook in aanleiding en motivering van dat verschillend kiezen aan de dag.
Hieruit zou onmiddellijk de conclusie moeten volgen, dat de leiding der kerk zich allereerst en voornamelijk met de inwendige situatie van de kerk zou moeten bemoeien en haar zorgen besteden aan haar correctie en zuivering.
En nu herhalen wij, wat dezerzijds reeds zo vaak aan het adres der leiding werd geuit, dat zij daarmede wel bezig is, maar dat haar methode ten enenmale onkerkelijk is en daarom geen hoop kan geven op een welslagen in de sanering van het kerkelijk leven.
Wat prof. Van Ruler nu in dit verband gaat zeggen, kan slechts de mening bevestigen, dat hij ook behoort onder degenen, die een verkeerde, wijl niet-kerkelijke methode voorstaan.
Hij zegt n.l., dat het een typisch kerkelijke taak is, de velen, n.l. die verschillende volksgroepen, bijeen te houden. Ik ontken ten stelligste, dat typische van de kerkelijke taak. De taak der kerk kan zelfs niet zijn volksgroepen bijeen te houden, die niet gebonden zijn door één geloof, één doop, éen Heere, m.a.w. door dezelfde geloofsbelijdenis.
Door de geloofsbelijdenis worden tegelijk de eenheid en gemeenschap der kerkelijke saamleving bepaald en de ruimte, die er volgens prof. Van Ruler behoort te zijn. Hij zegt immers : „Er behoort in het lichaam van Christus ruimte te zijn", (blz. 5). Hij kan dit ook al weer niet zó bedoelen, als hij schrijft, want over het Lichaam van Christus heeft prof. Van Ruler even weinig te zeggen als wie ter wereld ook, maar het gaat over de kerk als openbaring van het Lichaam van Christus op aarde.
Wij betwisten niet, dat er in de kerkelijke saamleving ruimte moet zijn. Onze, gereformeerde vaderen wisten van dingen, die zij in de vrijheid der kerken lieten. Dat onderstelt ruimte, maar die ruimte is niet zonder paal of perk! Het is altijd een ruimte binnen zekere grenzen, ja, binnen de grenzen der belijdenis.
Prof. Van Ruler gevoelt dat trouwens zelf wel en roept daarom de hulp in van een onderscheiding van dingen van het
rijk Gods. , , Het gaat hier (t.w. in de herderlijke „brief) om geheel andere dingen dan die, , , welke de essentie van het kerk-zijn , , betreffen, de centrale heilswaarheden. „Om de velen, die in deze laatste dingen „fundamenteel verschillen, bijeen te , houden — dat gaat voor een kerk op , , de duur niet aan. Maar tegenover de „andere dingen van het rijk Gods staat „de kerk toch steeds ietwat anders dan , , tegenover haar eigen zaken", (blz. 5).
Gij ziet, dat prof. Van Ruler zijn toevlucht moet nemen tot een tweeslachtigheid, die tamelijk verwarrend moet werken.
Het zou n.l. gaan over een typisch kerkelijke taak van het bijeenhouden. Maar dat typisch kerkelijke wordt dan allereerst afgezonderd van het essentieel kerkelijke. Men zou toch onderstellen, dat de kerk alleen kerk is krachtens dat essentiële.
De typisch kerkelijke taak van bijeenhouden gaat volgens de auteur buiten dat essentiële om, de kerk staat immers in deze taak anders dan tegenover haar eigen zaken!
Hoe kan er nu toch sprake zijn van een typisch kerkelijke taak, waar het n. b. niet over de eigen zaken van de kerk, niet over het eigenlijke kerk-zijn gaat ? Misschien is dit óok hoogste pneumatische wijsheid, maar die vermogen wij daarin dan niet te ontdekken. Dit lijkt ons intussen niet bepaald een sterk pleidooi.
En hoe een dergelijke redenering het centrale van de centrale heilswaarheden wil waarderen, als men er binnen de grenzen van het rijk Gods toch buiten kan en zelfs daartegenover anders kan gaan staan, is nogal raadselachtig.
Wat kerkelijk centraal is, is blijkbaar in het rijk Gods niet centraal.
In zoverre zou de kerk dus slechts een bijkomstigheid zijn in het rijk Gods.
Als de Hervormde Kerk nu eens haar interne situatie ging saneren, d.w.z. de eigen zaken der kerk behartigen, dan zou zij afstand moeten doen van de door prof. Van Ruler voorgestelde taak van bijeenhouden, en dan zou ook blijken, dat dit geen typisch kerkelijke taak zou zijn.
Laten wij het zo voor een ogenblik stellen.
Aan wie was dan de taak, welke de herderlijke brief nu wenst te vervullen? Deze gaat immers niet over de eigen zaken van de kerk !
Aan de leden, zelf, zult gij zeggen. Wacht even, zo vlot kan 't niet gaan. Onderscheidt prof. Van Ruler van de eigen zaken der kerk niet andere zaken van het rijk Gods ? Men krijgt de indruk, dat er in het rijk Gods eigen zaken der kerk zijn en nog andere zaken. De kerk slechts een zaak binnen het rijk Gods. Krachtens deze betrekking zou de kerk zich dus toch wel kunnen bezighouden met die andere dingen, want de kerk valt binnen het rijk Gods. Zij hoort er ook bij. Zij deelt daardoor ook in die andere dingen of belangen, al heeft zij haar eigen zaken.
Alhoewel de eerste gevolgtrekking zou zijn, dat de kerk zich dan maar met haar eigen zaken moest bemoeien en zulke herderlijke brieven achterwege laten, schijnt er toch aanleiding te kunnen zijn voor zulk een bemoeienis. Hier begint intussen iets op te lichten omtrent de achtergronden van het Herderlijk Schrijven, zoals prof. Van Ruler die ziet.
Het is echter nog niet klaar, hoe hij de verhouding van de kerk van Christus en het rijk Gods zich denkt en het wil er bij ons niet in, dat de wereld zich straffeloos maar zo los kan maken van de fundamentele heilswaarheden en dat de kerk haar daarin voorgaat.
Het is daarom van belang deze verhouding nader te leren kennen.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's