De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dirk Gerrit (Theodori) à Brakel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dirk Gerrit (Theodori) à Brakel

7 minuten leestijd

I.

Omdat we in deze reeks schetsen over „Oude Schrijvers" een practisch doel nastreven, gaan we voorbij aan hen, die zich moeilijk voor een populaire behandeling lenen en beperken we ons tot de meer bekende auteurs.

We gaan dus voorbij aan William Ames (Guilelmus Amesius), hoewel hij in onze kerkgeschiedenis een aparte en eervolle plaats inneemt. Mogelijk halen we de geleden schade ten dele in, als we eenmaal aan Voetius toekomen, met wie Amesius in veel overeenstemt, maar van wie hij ook verschilt.

En we komen dan nu eerst toe aan de man, wiens naam boven dit artikel staat. We kunnen hem noemen : Brakel Sr., Brakel de Vader, en we moeten er dus mee rekenen, dat die ons nogal vertrouwde naam na hem is gedragen door zijn zoon Wilhelmus a Brakel, die dus Brakel Jr. verdient te heten, al wordt hij graag betiteld als : , , Vader Brakel". De zoon is 't meest bekend geworden door zijn populaire dogmatiek, de , .Redelijke Godsdienst" ; de vader was minder theoloog en meer stichtelijk schrijver.

Brakel Sr. leefde van 1608—1669. Hij overleed als predikant van Makkum. Dus hij leefde op de rand van de vestiging en de uitbouw van de gereformeerde kerk in onze landen. Dat komt al uit in zijn opleiding tot het ambt, die vermoedelijk vrij pover is geweest. Zo wordt hij wel aangeduid als één der , , duytse klerken" ; wij zouden zeggen: een dominee op Art. 8, wegens singuliere gaven.

Die heeft hij dan ook stellig wel bezeten. Dat hem daarnaast toch ook enige opleiding moet zijn ten deel gevallen, lijkt ons meer dan waarschijnlijk. Hij heeft zich tegen Doopsgezinden weten te weren op een wijze, die zonder enig vakmanschap niet mogelijk zou zijn geweest. In verband daarmee lijkt ons de overlevering wel zeer aannemelijk, dat hij kort in Franeker, aan een der toenmalige hogescholen heeft gestudeerd. En als dat waar zou zijn, dan is wel zeker, dat dit , , kort" ook , .krachtig" is geweest.

Zeker wel in verband met zijn opleiding, maar veel meer nog uit heel zijn aanleg, lijkt ons te verklaren, dat Brakel Sr. een groot mysticus is, veel sterker dan dat b.v. bij Teellinck valt waar te nemen. Of er dan verband bestaat tussen mystiek en de trap van ontwikkeling, die men bereikt heeft? Is mystiek dan niet louter een zaak van het hart?

Ten diepste wél. We zouden dat ook wel willen gebruiken, om de mystiek, die immers zovele vormen heeft, te onderscheiden. De mystiek van het hart, het van binnen uit zoeken van Gods gemeenschap, lijkt ons de warmste en diepste mystiek. Ze stelt de eeuwigheid, de Eeuwige, ver boven de tijd en de tijdelijke dingen en ze zoekt Hem, wanneer ze maar , , bij haar hart" is, overal daar, waar Hij zich vinden laat, ten beste in Zijn eeuwigblijvend Woord.

Deze mystiek noemen we een uiting van rijkdom, en dan wel waarlijk: van een rijkdom in God. Maar naast deze mystiek is er ook een andere mystiek, die veel minder een zaak van het hart en veel meer een aangelegenheid van het hoofd is. Daarom noemen we deze mystiek een uiting van armoede, d.w.z. aan werkelijke geestelijke diepte. Dat komt ten beste uit in de houding tegenover de Schrift. Elke mystiek heeft moeite met het Woord, dat vlees werd én met het Woord, dat Schrift werd. Maar naar ons besef beluistert de mystiek des harten daarin spontaan en ongekunsteld de Eeuwige dingen. Maar de mystiek van het verstand is veel meer geneigd, te gaan pluizen, en dat leidt haar licht tot een vergeestelijken van het Woord. Met een vreemd woord noemen we dat vaak: allegoriseren. Dan wordt de letterlijke , , aardse" betekenis gemakkelijk aan de kant gezet en een z.g. geestelijke en diepere zin als de ware gepresenteerd.

Deze wijze van preken is onder ons ook nogal gebruikelijk. Ze lijkt dan ook zeer aanlokkelijk, zeer geestelijk en diep. Maar een man als Calvijn, die mysticus van het hart was, moest daar toch niets van hebben. Het Woord, zoals het tot ons komt als Woord van God, is al geestelijk. Wie dat geestelijke nog weer vergeestelijkt, houdt niets dan een schim en dan damp over. En dan kan ieder van ons wel weten: dat vergeestelijken komen we veel meer tegen bij lekepredikers, oefenaars, dan bij geschoolde theologen. Oefenaars kunnen zich heel vaak door vergeestelijken nog al vlot van een lastige tekst afmaken, waar de theoloog mee zit te worstelen. En dan moet ge dus toch maar goed opletten en uitmaken, of dat vergeestelijken voortkomt uit rijkdom, uit een geestelijk verstaan der dingen, dan wel uit armoede, uit gebrek aan nodige kennis van het letterlijke Woord, dat zo toch wel degelijk geestelijk moet heten.

Deze uitwijding, vrij lang en toch nog veel te kort om dit belangrijke punt voldoende aan de orde te stellen (we hopen er nog wel eens apart over te handelen), brengt ons naar de oude Brakel terug. Hij is, zo zeiden we, mysticus. We vragen nu : Hoe ? Naar het hart of naar het hoofd ? Uit rijkdom of uit verlegenheid ?

Dan aarzelen we even met het antwoord. Want van vergeestelijken van het eenvoudige, klare Woord vinden we bij hem weinig. En dat leiden we dan ook wel degelijk af uit enige opleiding, die hem een uitlegkundig-geschoold geweten heeft gegeven, dat hem in staat stelde Woord en Geest niet te vermengen, en „de toepassing van het Woord aan het hart door de Heilige Geest" goed te onderscheiden van een allegoriseren van het Woord uit verlegenheid.

Zoals we al zeiden : Brakel heeft zich met de Doopsgezinden moeten meten. Dat hebben vele van de oude theologen moeten doen. Brakel was levenslang predikant in het Noorden van ons land, waar de Doopsgezinden vrij sterk vertegenwoordigd waren, zodat daaruit die ontmoeting wel te verstaan is. Hij heeft met hen dan gedisputeerd over de menswording van de Heere Jezus Christus. De Mennonieten (zo worden ze ook genoemd) willen de Heere Jezus Christus a.h.w. vergeestelijken. Ook Zijn lichaam had volgens hen niet de werkelijke menselijke natuur, maar was een schijnlichaam, dat veeleer goddelijk bleef. En zie dan, hoe gezond mystiek Brakel blijkt te zijn : hij wil van dat vergeestelijken van het waarachtig menselijke in de Heere Jezus, dat Hem immers juist maakt tot Middelaar Gods en der mensen, helemaal niets weten. Hij toont daarin scherpte van onderscheiden en helderheid ook van hoofd, maar veel meer wat we noemden: een mystiek van 't hart. Hij begreep, dat deze schijnbaar geestelijke wijze van doen aan zijn hart de Heiland van verloren, vleselijke mensen, ontnam. Daar hebben de Menisten heel weinig van verstaan en daarom delen we hen in bij de mystieken naar het hoofd. Maar Brakel leefde uit een ander Woord en een andere Geest dan zij. Daarom scheidden de wegen.

Deze „disputatie", gedrukt in 1664, komt weinig voor. Jammer, want wat daar in dispuut was, is dat tot op vandaag gebleven.

Veel vaker komt voor, omdat het verscheidene herdrukken beleefde, het velen onzer, althans bij name wel bekende : Het geestelijk leven ende de staat eens geloovigen mensches hier op aarde., uyt Godes heylig Woordt vergadert ende bijeengebracht. 1648.

Naar we boven aanwezen, hebben we alle grond om de woorden: uit Gods heilig Woord vergaderd, ernstig te nemen. Brakel heeft het geschreven Woord in zijn geestelijke kracht gekend en het daarom letterlijk laten staan en laten gelden. We zullen dat nader aanwijzen, als we spreken over de geestelijke oefeningen, die Brakel uit het Woord put.

Voor ditmaal alleen nog dit: Dit genoemde boekje is in 1670 verschenen in een nieuwe vorm, dus omgewerkt, maar zakelijk aan het eerste gelijk. Het heet dan: De trappen des geestelijken levens en bedoelde stellig, het eerstgenoemde uit te schakelen. Dat is echter niet gebeurd : men is het eerste blijven herdrukken, mèt het tweede. Wat daar de reden van is ? Zeker wel deze, dat men ze voor twee verschillende boekjes hield. Men heeft ze dus stellig weinig gelezen en althans niet grondig!

Is het niet altijd nog waar, ook ïn onze kring, wat men van de Oude Schrijvers zegt: Veel geprezen, weinig gelezen ? Wie deze schoen past, trekke hem aan, óok al knelt hij wat pijnlijk. Die pijn gaat alleen over door te lopen en de schade in te halen !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Dirk Gerrit (Theodori) à Brakel

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's