De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

12 minuten leestijd

HOOFDSTUK I, Art. 5.

De oorzaak of schuld van dit ongeloof, gelijk ook van alle andere zonden, is geenszins in God, maar in de mens. Maar het geloof in Jezus Christus, en de zaligheid door Hem, is een genadegave Gods ; gelijk geschreven is : „Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave". (Efeze 2 vs. 8). Insgelijks: , , Het is u uit genade gegeven, in Christus te geloven". (Fil. 1 VS. 29).

Artikel 4 heeft geschreven over het geloof, dat de enige weg is tot de zaligheid. Doch dat is niet geloof in algemene zin. In veel kringen wordt gesproken over een gelovig man, waarmee men dan bedoelt iemand, die gelooft dat er een Opperwezen is, die ons leven bestuurt. Ook dat is geloof, ongetwijfeld. Maar het is geen zaligmakend geloof. Dit geloof hadden vele heidenen ook. Ik heb voor mijzelf de gedachte, dat de richtingen in de kerk hun oorzaak hierin hebben, dat het natuurlijke geloof van de mens zich doorzet tegen Gods openbaring in het Woord. Neem de kerk der Reformatie in Nederland. Zij heeft haar belijdenis en haar leden, die deze belijdenis tot de hunne maken. Dit gedeelte kan men geen richting noemen. Het zijn de trouwe wettige zonen en dochteren der kerk. Of niet? Hoe moet men ze anders noemen ? Als daar de kerk is met de drie formulieren van Enigheid. Als daar velen van harte instemmen met deze catechismus en belijdenis. Als zij in gemeenschap en in overeenstemming daarmee belijden en zoeken te leven. Als de predikanten onder hen in overeenstemming en in gemeenschap met de belijdenis naar den Woorde Gods preken, catechiseren, vermanen en vertroosten, dan kan men toch moeilijk zeggen dat deze zonen der Reformatie een richting vormen! Maar die van de Belijdenis der kerk afwijken, die vormen een richting. Zeg ik het zo goed ?

Wat hebben nu die richtingen gemeen en wat is de drijvende kracht achter het ontstaan van de richtingen ? Naar mijn bescheiden mening het doorbreken van het heidendom in de kerk. Als men het woord heidendom een beetje hard vindt, kan ik het ook anders zeggen.

Het doorbreken van het natuurlijk geloof van de gevallen mens, die zich niet aan Gods Woord onderwerpt, is de drijvende kracht bij het ontstaan der richtingen. En dan is altijd het verschilpunt in de kern van de zaak te vinden.

Wat is de kern ?

Dat is het stuk van het geloof, waardoor een zondaar gerechtvaardigd en aldus zalig wordt. Wat leert de Kerk der Reformatie hiervan ? Dat geloven is een ingelijfd worden in Christus en als vrucht van deze inlijving een aannemen van Christus. De Heere Jezus Chnstus neemt door Zijn Geest eerst een zondaar aan. Hij omvat die zondaar. Hij legt die zondaar op Zijn schouders. Hij maakt die zondaar tot Zijn eigendom. Deze zon­ daar slaat de armen om Christus heen. Dat is geloven. In deze weg wordt Christus ons eigen. Op deze wijze wordt Hij ons Hoofd. Zo komt Hij in ons wonen. Dat is een persoonlijke zaak. En het is gereformeerd om dit als een persoonlijke zaak voor te stellen. Ik herinner aan de woorden van Calvijn uit het begin van het 3de boek der Institutie : „Zo moet Hij dan ons eigen worden en in ons wonen, zal Hij ons kunnen mededelen de dingen, die Hij van Zijn Vader ontvangen heeft".

Hoe ontstaat dat geloof?

Groeit het op uit de natuurlijke vermogens van de mens, die het evangelie hoort ? Volstrekt niet. Dit geloof wordt gewerkt door de Heilige Geest. Calvijn schrijft van Christus en de noodzakelijkheid van de vereniging met Hem : , , hetgeen Hij bezit, gaat ons niet aan, totdat wij aan Hem wassen en één met Hem worden. En hoewel het waarachtig is, dat wij dit door het geloof verkrijgen, nochtans dewijl wij zien dat niet alle mensen zonder onderscheid de gemeenschap van Christus, die door het Evangelie aangeboden wordt, aannemen, zo leert ons de rede zelf, dat wij hoger opklimmen en onderzoek doen moeten naar de verborgen werking des Geestes, door hetwelk het geschiedt, dat wij Christus genieten met al Zijn goederen".

Welke kant gaan nu de richtingen uit? Zij bestrijden het of negeren het, dat er zo'n groot wonder aan de mens gebeuren moet. De vrijzinnigen hebben meestal genoeg aan de natuurlijke vrome krachten van de mens, waarbij zij dan ook nog denken aan een algemene werking van de Heilige Geest, die in ieder is. De rechtzinnigen vertonen voorts allerlei variaties. Maar in één ding komen zij tamelijk overeen, dat zij de gedachte verre van zich werpen, dat er een wonder aan de mens gebeuren moet. Men krijgt vaak te horen : alles is gebeurd. Het is voor mij een onbegrijpelijke zaak dat men zó slecht naar de Heilige Schrift luistert. Daarin wordt de noodzakelijkheid van wedergeboorte, inlijving in Christus, openbaring van Christus, door de Geest geleid worden en dergelijke dingen, toch wel zeer duidelijk geleerd. Op dit punt echter vormen zich de richtingen en gaan zij van de Heilige Schrift en de Belijdenis af. Daarom is het noodzakelijk, dat de gemeente er telkens weer in onderwezen wordt, wat nu eigenlijk gereformeerd, d.i. volgens de Belijdenis der Kerk is.

Het komt mij voor, dat het ook noodzakelijk is dat onze predikanten zich meer dan te voren rekenschap geven van de prediking en de geloofsleer der ongereformeerde richtingen. Ik wil de aandacht vestigen op de mogelijkheid, dat men teveel leeft bij de oude leuzen, maar zich niet genoeg verdiept in de nieuwe prediking en haar gevaren. De preek zal weer meer leerrede moeten worden, niet het minst met het nog op de nieuwe en nieuwste leringen. En daarvoor is nodig, dat er gestudeerd wordt en dat men zich ernstig rekenschap geeft van het belijden der Kerk en het belijden der richtingen in de Kerk. Dit laatste niet het minst in het stuk van het geloof en deszelfs oorsprong. Dan komen we vanzelf ook tot de vraag, vanwaar het ongeloof zijn oorsprong heeft of niet heeft? Het geloof heeft zijn oorsprong in Gods besluit. De Heere heeft besloten deze en die het geloof te geven en de besluitende God voert Zijn besluit uit. Maar nu het ongeloof? Heeft God besloten in deze of die mens het ongeloof te werken? Het is mij niet bekend, dat dit ergens in de Belijdenisgeschriften geleerd wordt. God heeft niet besloten het ongeloof in iemand te werken. Hij is immers nimmer de Auteur der zonde. Hij heeft wel besloten in die of die mens het geloof niet te werken. Hij wilde hem of haar voorbijgaan. Hij heeft besloten hem of haar te laten wandelen in de wegen van hun eigen boos hart. Artikel 5 spreekt daar nog niet van, doch artikel 6 zegt dit met zoveel woorden : „Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort uit Zijn eeuwig besluit".

In artikel 5 wordt wel gesteld, dat het ongeloof een schuld van de mens Is en het geloof een gave van God. Is dit voor het menselijk denken begrijpelijk te maken ? Ik geloof van niet. De Belijdenis wil echter niet God begrijpen, maar belijden. Zij wil niet alles op ene noemer brengen en alles monistisch op één lijn brengen. Zij wil de Schrift laten spreken en naspreken. Vandaar, dat zij in artikel 5 de twee lijnen stevig vasthoudt en uit elkaar houdt: de lijn van vrije genade, volgens welke God al het goede werkt, en de lijn der menselijke verantwoordelijkheid volgens welke de mens verantwoordelijk is voor elke boze daad. De gereformeerde vaderen hebben heel goed geweten welk een spanning in het geloofsdenken en in het geloofsleven dit meebracht. Maar zij hebben deze spanning nooit op willen heffen. Wat dit opheffen betekent, kunnen wij bij prof. Karl Barth zien. Bij hem is er alleen een besluit Gods om aan alle mensen het geloof te schenken, mits zij het hebben willen. Daar komt het toch practisch bij hem op neer. Doch zo is de spanning weg. God Is gelijk voor allen. Alleen de mens maakt het onderscheid. Hoezeer moet men de ogen sluiten voor het gehele Woord Gods om dit te kunnen leren ! Onze vaderen hebben deze weg gemeden. Zij kennen niet een genade, die aan allen geschonken wordt. Dit is Pelagiaans. Bavinck schreef reeds : Het Pelagianisme zegt, dat de gratia (genade), die aan allen geschonken wordt, in zichzelf sufficiens (voldoende) is, en dat nu de wil des mensen beslist of die gratia efficax (werkzaam) zal zijn en blijven, al dan niet; bij het Pelagianisme is er dus eigenlijk geen besluit meer na dat van de universele aanbieding der genade. Van nu aan is alles overgelaten aan de beslissing van de mens. God heeft het Zijne gedaan. Hij gaf het posse (kunnen) ; de mens bezit het velle" (willen).

Tot zover Bavinck.

't Is duidelijk, dat hier voor het denken geen probleem ligt. God moet wat doen en de mens moet wat doen. Klaar. Doch onze belijdenis stelt het zó : de mens is verplicht Gods geboden te houden. Hij is ook verplicht te geloven, d.i. alles los te laten om de Heere Jezus te kiezen tot profeet, priester en koning. De mens doet dit niet, wil dit niet, kan dit niet, tenzij God dit geloof in hem werkt. In sommigen werkt God dat geloof, in anderen niet. Die anderen zijn nochtans schuldig, want zij zijn zelf de oorzaak van hun ongeloof. Misschien kan het volgende voorbeeld het enigszins toelichten, hoewel voorbeelden in dezen gevaarlijk zijn, daar de verhouding tussen God en mens gans enig is en in de grond zijns gelijke in geen enkele andere verhouding heeft. Maar goed dan. Er gingen 6 boeren naar de markt. Het was een schrale tijd en zij hebben wel geld genoeg bij zich om de pacht te betalen, maar weinig over om goede sier van te maken. Dat doen zij echter toch. Zij dobbelen wat, zij drinken wat, zij knoeien wat en het einde van het lied is, dat zij met lege handen voor de notaris staan, die zeer strenge orders heeft. Ieder zal toestemmen, dat het eigen schuld van onze boeren is, dat zij hun pacht niet kunnen betalen. Maar nu laat de notaris zich vermurwen wat 2 van hen betreft. Hij leent hen de pachtsom. De andere 4 leent hij het niet. Redenen noemt hij daar niet voor. Voor die 2 is de betaling een gunst, een wonderlijke zaak. Voor de andere 4 is de niet betaling eigen schuld. Maar we kunnen de zaak ook zonder voorbeeld voorstellen. De mens is moedwillig en vrijwillig de duivel toegevallen. Hij heeft vóór de zonde en tegen God gekozen. Hij handhaaft die keuze. Hij wil niet tot God terugkeren. Hij kan ook niet terugkeren. Maar nu niet kunnen, en toch eigen schuld. Dat geeft voor het denken de spanning. Niet willen en niet kunnen, die twee zijn geheel met elkaar vermengd, zodat de onmacht des mensen een schuldige onmacht is.

Nog eens, dat niet-kunnen brengt er de spanning in. Voorts is er nog een element in de zonde van de mens, die ons denken voor onoverkomelijke moeilijkheden stelt.

Wij blijven bij artikel 5 bij de naaste oorzaak van het ongeloof des mensen staan. Calvijn deed dit ook vaak. De Dordtse Leerregels doen dat ook. Wij noemen dat de infralapsarische opvatting. Van Calvijn schrijft Bavinck : „Calvijn met name blijft dikwerf met opzet bij de naaste oorzaken van zaligheid en verderf staan, en redeneert dan op infralapsarische wijze. Een verworpene zoeke de oorzaak van zijn straf niet in Gods besluit, maar in het bederf zijner natuur, dat eigen schuld is. Verkorenen en verworpenen waren beide even schuldig, maar God is barmhartig jegens genen, rechtvaardig jegens dezen. Onder het leem, Rom. 9 : 21, zijn de gevallen mensen te verstaan, van wie God sommigen verkiest en anderen overlaat aan hun eigen ondergang. De val in Adam is de naaste oorzaak der verwerping. God haat in ons niets dan de zonde. En van deze voorstelling, dat God uit het veroordeelde nakroost van Adam sommigen heeft uitverkoren en sommigen verworpen, zegt Calvijn dat zij meer gepast is voor de christenheid en ook beter bekwaam om te stichten. Maar dit bevredigt Calvijn toch niet. De zonde moge de naaste oorzaak der verwerping zijn, zij is niet de laatste. Immers, het kan niet zo voorgesteld worden, dat God de mens zonder voorafgaand plan besloot te scheppen, dan toezag en afwachtte, wat de mens doen zou en daarna eerst, dit van te voren wetende, tot verkiezing en verwerping overging. De voorwetenschap en de toelating geven geen oplossing, want God had, de val te voren wetende, hem kunnen verhinderen ; Hij heeft hem dus vrijwillig toegelaten, wijl Hij dit goed oordeelde. Daarom is Adams val, de zonde in het algemeen en al het kwade, niet alleen door God voorzien, maar ook door Hem in zekere zin gewild en bepaald".

Ziehier de moeilijkheid voor het geloofsdenken, waar ik van sprak.

Wij hoeven er bij de uitleg van artikel 5 niet nader op in te gaan, omdat dit artikel blijft staan bij de naaste oorzaak van het ongeloof. Die naaste oorzaak ligt in de mens. Hij kiest moedwillig en vrijwillig voor het ongeloof. Het zijn de eigen woorden van de Heere Jezus : , , Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven zoudt hebben". In Luc. 7 : 30 lezen wij : „De Parizeen hebben de Raad Gods tegen zichzelf verworpen". Over die schuld van het ongeloof willen we echter graag in een volgend artikel iets zeggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's