DIE POOLSE JONGEN
Feuilleton
DOOR JAC. OVEREEM
Deze begonnen de dagen ook verschrikkelijk lang te vallen. Hij kon ze niet van een bepaald aantal dagen aftellen. Het was alledag weer hetzelfde. Nooit eens iets anders. Hij zat op de stromatras en peinsde voor de zoveelste maal over een ontvluchting. Maar er was geen mogelijkheid voor te vinden.
De meest zorg had hij over z'n Moeder. Zij zou zich geen raad weten, nu hij al maar weg bleef.
Hij wilde de cipier niet vragen, een berichtje naar z'n Moeder te sturen. Geen enkele gunst wilde hij van z'n tyrannen vragen. Liever lijden, dan deze lieden om een gunst te bedelen. Nooit!
Wild flikkerden dan z'n ogen, wanneer hij over 't lage onrecht dacht. Hij had niemand kwaad gedaan. Louter uit willekeur, had men hem hier in dit hok gestopt.
Enkele dagen geleden was hij 's morgens wakker geworden met een pijnlijke plek in de zijde.
Wat was het geval ?
Hij had nog steeds zijn dolkmes onder zijn broek gedragen.
Een hele tijd had hij het schitterende dolkmes zitten bekijken. Toen kwam hij op een idee. Uit een hard stuk hout een beeltenis snijden. En kop van een hond of zoiets. Toen hij er even over gepeinsd had, dacht hij aan het kerkje van Joegvallee. Een aandenken voor Moeder, als hij naar Engeland was en daar waarschijnlijk zou blijven.
Het was vandaag de vierde dag. Hoe lang zou het nog duren ?
Hij boog zich onder de stromatras, lichtte toen het hele geval op en trok er een plankje onder uit. Bij de tralies van het raampje bekeek hij 't hout. Het leek wel accacia. Het was hard als een spijker.
Onmiddellijk ging hij op de strozak zitten en begon te snijden.
Het beeld van het kerkje van Joegvallee bleef hem voor zijn geest staan tot in de kleinste bizonderheden. De gotische stijl van de ramen en de verweerde steunberen, 't Typische torentje en de wijde deuren.
Z'n ijver was onbegrensd, 't Had hem voortdurend te pakken. Hij vergat de ellende van de cel. Al zijn zorgen, waarmede hij de eerste dagen boordevol ge zeten had, werden nu opgelost in de inspanning, die tegelijk ontspanning was. Het gebeurde meermalen, dat de cipier hem het brood bracht, zonder dat hij het merkte.
Toen hij twee dagen bezig was, begon het al op het kerkje te lijken.
Dan keurde hij het op een afstand en toen opeens ontdekte hij voor het eerst zijn eigen kunst, 't Was iets heel moois.
Nog één dag, dan zou het klaar zijn. Dus nog één dag in de cel! En hij zou zo graag de eerste dag er al uit geweest zijn!
Dat kwam, omdat hij de verveling had overwonnen door dit ingespannen werk. Hij was nu toch maar blij, dat hij op dit idee gekomen was.
Toen hij het snijwerk nog eens bekeek, meende hij, dat er een hand naar greep. Alsof 't werkelijkheid was, haalde Mika het snel naar zich toe.
Hij keek de cel rond. Er was niets te zien.
Verbeelding was 't, anders niet.
Even peinsde hij.
Toch was er een hand, die het hem zeker afhandig zou maken.
Gelijk men hem geheel ten onrechte, uit machtswellust gegrepen had en in de gevangenis stopte, zo zou er ook een grijphand zijn, die hem zijn kerkje zou ontnemen.
No. 38
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's