De Apocriefe Boeken
II.
De inhoud.
Het is niet zo heel eenvoudig, om in kort bestek de inhoud van de apocriefe boeken weer te geven. We moeten ons daarom beperkingen opleggen, al is de stof ook interessant en al blijkt bij 't lezen van deze boeken, hoe zij op allerlei plaatsen afwijken van de heilige canonieke geschriften van de Bijbel.
We moeten evenwel een poging wagen, waarbij we gemakshalve de volgorde nemen, die aangegeven is in art. 6 van de Ned. Geloofsbelijdenis.
Eerst dan
Het derde boek, Ezra.
Dit geschrift blijkt samengesteld te zijn uit verschillende gedeelten van enkele bijbelboeken, en wel uit 2 Kronieken 35 en 36 en uit onderdelen van alle hoofdstukken van het canonieke boek Ezra. Het begint met het verhaal van het Paasfeest onder koning Josia, zoals dit verhaald wordt in 2 Kron. 35 en het eindigt met de wetsvoorlezing door Ezra, waartoe overgenomen is wat er staat in Nehemia 7 vs. 73 tot hfdst. 8 vs. 13, en dan breekt de draad van het derde boek Ezra af, midden in een zin. Het enige verschil tussen dit boek en de gedeelten uit de canonieke boeken, die we noemden, bestaat in een verhaal, dat zich afspeelt aan het hof van Koning Darius, waar enkele pages, jongelingen van de lijfwacht, na een feest, als de koning reeds slaapt, elkaar een raadsel opgeven, n.l. wie de sterkste zou zijn. De een zegt: de wijn, de ander: de koning, de derde (dat was Zerubbabel) geeft als antwoord : de vrouwen zijn de sterkste, maar boven alles uit gaat de kracht der waarheid. De andere morgen moeten zij voor de koning komen om hun antwoordden te verdedigen, waarbij Zerubbabel zegt: berispelijk is de wijn, berispelijk is de koning, berispelijk zijn de vrouwen, berispelijk alle mensenkinderen en hun werken, waaraan de waarheid niet kleeft, maar de waarheid blijft, zij heerst in eeuwigheid, bij haar is geen aanneming des persoons, haar oordeel is nooit onrechtvaardig, haar komt de macht toe. Geloofd zij de God der waarheid! Dit , , derde boek van Ezra" is oorspronkelijk in het Grieks geschreven en het bestond reeds in de tijd van Flavius Josefus. Het zal ontstaan zijn omstreeks het begin van onze jaartelling of kort daarvoor.
Het vierde boek, Ezra.
Dit geschrift, dat uitvoerig is en zich af en toe tot poëtische hoogten verheft, bevat wel een soort samenvatting en weergave van wat er na de val van Jeruzalem leefde onder de Joden aan gedachten en verwachtingen omtrent de eindtijd en het godsgericht. Het boek worstelt met vragen aangaande lijden en rechtvaardigheid. Het is een geschrift, dat op naam gesteld is van een vroeger levend persoon, die groot aanzien genoot, in dit geval Ezra, een ondergeschoven geschrift dus. In het laatste hoofdstuk staat te lezen, hoe Ezra voor zijn dood op zijn gebed genade ontvangt om alle heilige schriften, die door de verwoesting van de tempel verbrand zijn, weer samen te stellen. Dit gebed wordt verhoord: de Allerhoogste beveelt hem vijf met name genoemde snelschrijvers te nemen, die gedurende veertig dagen, waarin Ezra onafgebroken sprak, alles noteerden wat uit zijn mond voortkwam. Van deze boeken moest hij er 70 geheim houden om daaruit alleen de wijzen van het volk te onderwijzen, terwijl de andere (klaarblijkelijk zijn hiermee de boeken van ons Oude Testament bedoeld) ter beschikking moesten komen, opdat zowel waardigen als onwaardigen ze zouden kunnen lezen. Op dit eigenaardige verhaal komen we later bij de canongeschiedenis terug.
Het boek Tobias.
Hierin worden de lotgevallen beschreven van een zekere Tobit of Tobias, een Israëliet uit het rijk der tien stammen. In dit oorspronkelijk in het Grieks geschreven boek vertelt Tobit over zijn wetsgetrouw leven. Weggevoerd in ballingschap, betoonde hij grote barmhartigheid. Hij gaf voedsel aan hongerigen en zijn kleren deelde hij met de naakten. Wie gedood was door de overheerser en niet begraven, werd zo mogelijk door Tobit teraardebesteld. Om deze reden nam de koning van de Assyriërs hem al zijn goederen af. Zelf vluchtte hij. Zijn enige bezit bestond toen nog uit tien talenten zilver, die hij vroeger eens in bewaring had gegeven aan een zekere Rhage in Medië. Toen hij later blind geworden was, zond hij zijn zoon om deze talenten te halen, die op deze reis een geneesmiddel vond voor de blindheid van zijn vader. Het boek vermeldt ten slotte een lofzang van Tobit.
Het boek Judith.
In 't vorige boek (Tobit) ligt de strekking om te vermanen, dat men door zich ver te houden van afgodendienst en door de voorschriften der wet nauwkeurig te onderhouden, verzekerd kan zijn van de goddelijke bescherming, zodat de vijandelijke macht niets vermag. Deze gedachte wordt in het boek Judith ingekleed in een verzonnen verhaal, waarin allerlei historische personen optreden, zoals Nebukadnezar, die hij nota bene koning van Ninevé laat zijn en Artaxerxes (de Artasastha van Ezra 7). In de stad Bethulië woonde een schone Joodse weduwe. Toen bij een belegering van de stad door de Assyrische veldheer Holofernes wegens watergebrek tot overgave moest worden besloten, bood Judith zich aan om uitkomst te verschaffen. Met een dienstmaagd begaf zij zich naar het vijandelijke leger onder voorwendsel te willen overlopen. Zij zag kans de veldheer te bekoren en hem na een onmatig feest het hoofd af te slaan, dat zij in een zak meenam naar haar stad. De belegerden waagden een uitval naar het onthutste vijanderlijke leger, dat verslagen werd. Dit is duidelijk een onhistorisch geschrift.
Het boek der Wijsheid.
Dit boek wordt ook genoemd : de Wijsheid van Salomo. De schrijver, die zijn boek op naam van koning Salomo gesteld heeft, toont een ruime kennis te bezitten van de Griekse taal en de Griekse wijsbegeerte uit de laatste eeuwen voor Christus. Echter blijkt hij niet tot afval van Israels godsdienst en tot vrijdenkerij gekomen te zijn, maar hij bewijst de ernst en de ijver van het Jodendom. De schrijver dient zich vooral in hfdst. 7 tot 9 aan als de koning van de tempelbouw, Salomo dus. Uit de inhoud blijkt, dat dit niet mogelijk is en dat we ook bij dit geschrift dus te doen hebben met een pseudepigrafisch boek, een boek, dat op naam gesteld is van een beroemd persoon, terwijl de eigenlijke schrijver zich verborgen houdt. Het is een vrij uitvoerig geschrift, waarin eerst getekend wordt de strijd, die de goddelijke wijsheid heeft te voeren met de goddeloze wijsheid van de wereld en de overwinning van hen, die zich aan de wijsheid Gods toevertrouwen. Het richt zich voornamelijk tot aanzienlijke en leidinggevende persoonlijkheden van Joodse oorsprong, die machtsposities waren gaan innemen, maar door beïnvloeding van heidense wijsbegeerte tot afval kwamen. De overgebleven godvrezenden, de hij rechtvaardigen noemt. waren hierover bedroefd en beschaamd. Hij treedt deze machtigen als profeet Gods tegemoet en brengt hun onder het oog het einde der goddelozen en het einde der rechtvaardigen. Vervolgens houdt hij deze regeringspersonen de vermaning voor om het verwerven der wijsheid na te streven en wijst hen op hun dure verantwoordelijkheid. Na een tekening van de wijsheid en hoe deze koning zelf tot haar gekomen is, besluit dit deel met het gebed van Salomo om deze wijsheid. Het derde deel geeft de wonderen aan, die deze wijsheid in Israels geschiedenis bewerkt heeft: van Adam tot Mozes, bij de doortocht door de Rode Zee, in de woestijnreis, waartegenover de dwaasheid der heidenen wordt beschreven, die de wijsheid verlieten en natuurkrachten en afgodsbeelden er voor in de plaats stelden. Hoewel niet vrij van dwalingen, bevat dit boek ook vele schone waarheden.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's