De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„BEREIDT DE WEG DES HEEREN”!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„BEREIDT DE WEG DES HEEREN”!

10 minuten leestijd

GELIJK GESCHREVEN STAAT IN HET BOEK DER WOORDEN VAN DE PROFEET JESAJA : DE STEM VAN EEN, DIE ROEPT IN DE WOESTIJN : BEREIDT DE WEG DES HEEREN, MAAKT RECHT ZIJN PADEN. (Lukas 3 vers 4).

Johannes de Doper, we kunnen hem met een gerust hart noemen de Adventsprediker bij uitnemendheid. En wanneer deze Adventsprediker in de Adventstijd niet aan het woord zou komen, zo zijn boodschap niet met alle ernst en klem zou worden doorgegeven, het zou niet goed zijn. Toch willen velen maar liever dat hij zwijgt. Want hij is zo somber, vindt men. Hij verduistert zo 't Evangelie der genade, vindt men. Er zijn n.l. van die mensen, die alleen maar van genade willen horen. Voor die genade behoeft blijkbaar in het hart der mensen geen plaats te worden gemaakt. Het is te verstaan, dat zulke mensen Johannes de Doper maar liever het zwijgen willen opleggen en ook allen, die zijn prediking doorgeven.

Wat zullen we hiervan zeggen ?

Dit zullen we ervan zeggen, dat die mensen zich blijkbaar nog nooit gerealiseerd hebben, dat het Evangelie pas Evangelie voor ons wordt, wanneer we eerst door de Wet boetvaardigen, werkelijk boetvaardigen geworden zijn.

Dit zullen we ervan zeggen, dat, dat tot die mensen blijkbaar nog nooit is doorgedrongen, dat de dauw van Gods genade alleen maar neerdaalt in de diepte, waar ze echter overal neerzijgt en niets overslaat; dat boven de kribbe van Bethlehem als met vurige letters geschreven staat: , , God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen schenkt Hij genade". Dit zullen we ervan zeggen, dat die mensen nog nooit goed blijken beseft te hebben dat ontroering zonder beroering, die 't merg raakt, slechts oppervlakkig is en als een morgenwolk, die schielijk verdampt in het rijzend zonlicht.

We moeten intussen ook op iets anders wijzen. Daar zijn óok mensen, die 't verschrikkelijk zouden vinden, wanneer te allen tijde en in het bijzonder ook in de Adventstijd, Johannes de Doper niet aan- het woord zou komen. Maar ondertussen —. Ja, wat ondertussen ? Ondertussen zijn ze gelijk een hond, die rustig ligt te slapen in de smidse van zijn baas, terwijl deze de mokerhamer dreunend op het aambeeld laat neerkomen, zodat de vuurvonken naar alle kanten spatten. Van verontrusting, van boetvaardigheid wordt bij hen niet het minste spoor aan­ getroffen. Wat is ook dat erg, héél erg. Laten degenen, die zo zijn en die wellicht vanuit de hoogte op dat ander soort mensen neerzien, dat wèl beseffen !

Lezer, wanneer in deze Adventstijd en als ook in deze Adventsmeditatie Johannes de Doper aan 't woord komt en zijn woord wordt doorgegeven, dat dan niemand óf geërgerd óf onaandoenlijk en onbewogen zijn boodschap, zijn appèl verwerpe.

Die boodschap, dat appèl komt, kort samengevat, hierop neer: „Bereidt de weg des Heeren". Vandaar dat we gewend zijn Johannes te noemen de wegbereider des Heeren.

Om deze beeldspraak te verstaan, moeten we denken aan de minder gunstige toestand van de wegen in het vroegere Oosten. Daarom ging aan de komst van een vorstelijk bezoeker een heraut, een wegbereider vooraf om de bevolking op te wekken de weg voor de hoge bezoeker te bereiden. Zulk een vorst moest immers langs een gebaande weg kunnen reizen en zo op hem passende wijze worden ontvangen.

Ziet, als we daarop letten, dan zal het ons duidelijk zijn, wat het zeggen wil, dat Johannes de Doper de wegbereider des Heeren genoemd wordt. Dat betekent, dat hij onder Israël opgetreden is om de komst van de grote Koning aan te kondigen en om het volk op te roepen om voor Hem, maar dan in figuurlijke en geestelijke zin, een weg te banen en aldus Hem een waardige ontvangst te bereiden. Met de scherpziende blik van een profeet had Johannes immers ontwaard, dat de mensen van zijn tijd helemaal niet gereed waren voor de ontvangst van de Messias en dat van gebaande wegen onder Israël voor de komende Verlosser geen sprake was. Israël toch lag verzonken in ongerechtigheid en eigengerechtigheid. En daarom, waar de grote Koning nu in aantocht was, daar roept hij met alle macht uit: , , Bereidt de weg des Heeren".

Lezer, weldra is het weer Kerstfeest. En nu zal het er niet in de eerste plaats op aankomen, dat we een gezellig en prettig Kerstfeest hebben, maar dat we een gezegend Kerstfeest vieren. Zal dit evenwel het geval zijn, dan geldt ook voor ons, dat we in de Adventsdagen de weg moeten bereiden. Of denkt ge, dat dit voor u niet nodig is, omdat bij u die gebaande weg er wel is ? Weet het: van nature niet en ook na ontvangen genade, is het er vaak nog zover vandaan. O, neemt het dan ter harte, als ge in deze Adventsdagen wordt opgewekt om de weg naar uw hart voor Christus te bereiden.

De weg moet bereid. Maar hoe ? Allereerst door de bergen en heuvelen te vernederen. Ziet, de geboren Zaligmaker is bereid, gaarne bereid om te zegenen en te zaligen, om met Zijn vertroosting en schuldvergeving het menselijk hart binnen te rijden, maar eerst moeten de bergen van hoogmoed en de heuvelen van zelfgenoegzaamheid geslecht. De Adventstijd roept ons tot verootmoediging, tot vernedering, 't Eerst nodige om een Kerstzegen te ontvangen is, dat we klein worden in onze eigen ogen, dat we een levende kennis van onze grote schuld voor God hebben en dat we in de gebogen zondaarsgestalte boetvaardig leren knielen. Bergen en heuvelen moeten vernederd worden.

O zeker, het doet pijn, als de arm der almacht en der gerechtigheid het houweel zwaait om alle zelfgenoegzaamheid weg te hakken en het trotse zondaarshart te verbreken. Het kost tranen, wanneer de scherpe snede van de spade der ontdekking ons door de ziel snijdt om alle hoogheid af te graven en af te steken. En toch is het nodig, dat we zo in onze inbeeldingen gesloopt en met de grond gelijk gemaakt worden, toch is het nodig, dat we, inplaats van als bergtoppen de hoogte in te boren, met een verslagen geest uit de diepten van ellende leren roepen. Rijken worden immers bij de geboren Zaligmaker ledig weggezonden, maar armen met Zijn goederen vervuld. O, zij het dan onze bede met de vrome dichter Jan Luijken:

Wanneer de hemel geeft de zegen,

Van ene schone zomerregen,

Dan vloeit die gaaf wel overal,

Maar al was hoog is en verheven,

Daar komt het water afgedreven,

En vloeit in 't allerlaagste dal.

Dat is wat schoons om mij te leren,

Zo vloeit de milde Geest des Heeren In 't ned'rig en ootmoedig hert.

O, ned'righeid, zo hoog te roemen,

Wat draagt uw grond toch schone bloemen.

Och, dat mijn berg een diepte werd".

Bij die vernedering der bergen en heuvelen echter moet 't niet blijven. Zeker, Johannes de Doper trachtte bij zijn hoorders allereerst het slapend zondebesef wakker te roepen door hen toe te roepen : , , Gij adderengebroedsel, wie heeft u aangewezen te vlieden van de toekomende toom ? Brengt dan vruchten voorts des geloofs en der bekering waardig. En meent niet bij uzelven te zeggen : Wij hebben Abraham tot een vader, want Ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. En ook is airede de bijl aan de wortel der bomen gelegd. Alle boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen", Johannes predikte scherpelijk de Wet. Hij zette de boetebazuin aan de lippen. En aldus heeft elk prediker te doen, want terecht is gezegd : , , Als de Wet wordt vertrapt, wordt het Evangelie verslapt". Maar Johannes had ook een bemoedigend woord voor de kleinen. Hij bracht ook de fluit van het Evangelie aan de lippen en ontlokte daaraan parelende klanken. En wee de prediker, die hem hierin niet volgt, die alléén de Wet en niet het Evangelie predikt. Hij laat de verbrijzelde zielen verkommeren.

Bekend is het verhaal van een beroemd prediker, die op zekere Zondag een briefje op de kanselbijbel vond, waarop geschreven stond : , , Wij wilden Jezus wel zien". De hoorders, die de Heere vreesden, hadden n.l. het gebrek van de prediker ontdekt. Hij predikte te weinig Christus en daarom verzochten ze om verandering in de dienst des Woords. En toen ze na korte tijd verandering in de prediking ontdekten, gaven ze hiervan kennis door weer een briefje op de kanselbijbel te leggen, waarop nu geschreven : , , De discipelen dan waren verblijd als ze de Heere zagen". Johannes de Doper had zulk een briefje echter niet nodig, want met uitgestrekte hand op Christus wijzend, riep hij uit: , , Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt".

Nu gaat evenwel ootmoedigheid zo licht gepaard met twijfelmoedigheid. Voor de bergen der hoogmoed en de heuvelen der twijfelmoedigheid komen zo gemakkelijk in de plaats de dalen der ingezonkenheid, der twijfelzucht. Zou de genade ook voor mij zijn ? Zou mijn schuld niet te zwaar, mijn zonden niet te vele zijn ? Daarom klinkt ook de Adventsroep van Johannes, dat alle dal gevuld moet worden. Dat wil zeggen, dat al die benepen gedachten over Gods barmhartigheid moeten oprijzen tot de hoogten der ontfermingen Gods. De Adventstijd roept ons niet slechts tot verootmoediging, tot vernedering, maar óok tot een vertrouwend uitzien naar de Heere, in de vaste overtuiging, dat Zijn hulp zal blijken en dat Hij de kleinen niet over het hoofd ziet. Zij het dan onze bede : , , Ik geloof, Heere, - kom mijn ongelovigheid te hulp !"

Wegbereiding bestaat tenslotte ook in een recht maken van wat krom is. Dat houdt in dat ons schuldbesef geen woordenpraal, maar heilige ernst moet wezen en dat ons oprijzend verlangen naar Christus het stempel der waarachtigheid moet dragen. En dit zal moeten uitkomen uit een haten en vlieden van de zonde en een breken met de ongerechtigheid en ook daarin, dat we het in onze ellende niet kunnen uithouden. De Adventstijd roept ons tot verootmoediging, tot geloof, maar óok tot oprechtheid en waarheid. Want God ziet — ook op het Kerstfeest — naar waarheid in het binnenste en de oprechten alleen gaat daarop het licht op in de duisternis.

, , Bereidt de weg des Heeren". Lezer, dat houdt veel in. De geestelijke wegenbouw is niet eenvoudig, is geen sinecure. Maar weet u, wat zo heerlijk is voor degenen, die verstaan enerzijds, hoe nodig ze is en anderzijds, dat ze daartoe van zichzelf onbekwaam zijn ? Dat er een God is. Die wil geven wat Hij beveelt. Dat er een God is. Die maar heeft te spreken, te gebieden en het staat er. 'Tot Hem dan opgezien, onmachtige in uzelf en de weg bereid op de wijze der gewone wegwerkers, dat v/il zeggen : knielend, biddend.

, , Bereidt de weg des Heeren". Zij deze stem van Johannes in deze Adventsdagen voor ons niet als die eens roepende in de woestijn. Maar dat we er naar luisteren en haar ter harte nemen. Alleen in die weg kan en zal het Kerstfeest voor ons worden, zodat op dat feest het niet alleen klinkt van onze lippen, maar het óok opwelt uit ons hart, als wordt gezongen:

„Lof zij de God van Israël, De Heer', Die aan Zijn erfvolk dacht, En, door Zijn liefderijk bestel, Verlossing heeft teweeggebracht; Een hoorn des heils heeft opgerecht, 't Geen David's huis was toegezegd. Dat wil Hij ons nu schenken, Gelijk Gods trouw van 's aardrijks ochtendstond, Door der profeten wijze mond. Zich hiertoe aan de vaderen verbond".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

„BEREIDT DE WEG DES HEEREN”!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's