De vrije organisatie
Prof. van Ruler noemt de vrije organisatie een modern gegeven (blz. 11) en in de vorm, waarin wij het vrije verenigingsleven kennen, is dat ook zo. Men zou het een kind van de Franse Revolutie kunnen noemen.
Prof. van Ruler meent verder, dat , , dlt , , modern gegeven in de oeroude (levenwekkende !) droom, welke de Hervormde Kerk nog steeds bezielt en , , haar eigenlijke raison d'etre uit- , , maakt", niet of nauwelijks past.
Als het zo gesteld wordt, allicht niet.
De vraag is echter gewettigd, of het zo juist gesteld wordt d.w.z. of heel de stelling niet staat of valt met de voorstellingen, welke prof. van Ruler aangaande de Kerk koestert. Ook is het de vraag, of het raison d'etre der Hervormde Kerk door die droom wordt uitgemaakt.
Wij kunnen dat waarlijk niet onderschrijven en zijn van oordeel, dat heel zijn visie op het kerkelijke en staatkundige leven wordt bepaald, door een historische situatie in het verleden van ons volksleven, welke voor hem als het type van een normale kerkelijke ontwikkeling schijnt te gelden, zoiets als de verwezenlijking van de droom, waarover hij spreekt. Heel de kerk en heel het volk.
Het is trouwens geen onbekende zaak, dat ons kerkelijke verleden door velen wordt geïdealiseerd. Indien men echter kennis neemt van de veel geprezen oude schrijvers, wordt men wel een beetje van zulk een droom genezen. Ook de bestudering van Comrie's Examen Tolerantiae kan ons een meer nuchter beeld geven.
Wij onderstellen geen enkel ogenblik, dat prof. van Ruler een en ander niet bekend zou zijn, en daaruit kan men begrijpen, dat zijn droom zich op andere gronden tracht te handhaven, wijl nog andere factoren in het spel zijn, o.a. die betrekking hebben op de verhouding van Kerk en Staat en niet te vergeten zijn droom omtrent de Staat zelf.
Desondanks doet het eigenaardig aan, dat de droom van de Hervoimde Kerk, zoals hij het uitdrukt, moet blijven, omdat daarin het eigenlijke raison d'etre der Hervormde Kerk zou gelegen zijn. Met die droom zou dus de Hervormde Kerk staan of vallen. Aan een realisering van die droom mag of kan blijkbaar niet worden gedacht.
Anderzijds wordt de vrije organisatie toch weer een probleem voor die kerk en prof. van Ruler vindt het , , verbluffend te zien, hoe weinig zorgen men zich na honderd jaar over de principiële vragen in verband met de vrije organisatie als zodanig maakt" (blz.' 12).
Met hem zijn wij van oordeel, dat aan de principiële vraag in het Herderlijk Schrijven weinig aandacht wordt geschonken. Dat kan echter ook betekenen, dat velen de kerk toch nog anders zien als prof. Van Ruler, tenzij zij behoren onder de , , Christenen, die als zodanig minder weet hebben van de sociale diepten van het geheim van Christus", (blz. 12).
Meen echter niet, dat prof. Van Ruler. nu strak bij de opinie blijft staan. De Kerk, zoals hij die ziet, en de vrije organisatie. Dat is een probleem. De vrije organisatie past niet bij de Kerk, Niettemin werpen de vrije organisaties vragen op, welke de Kerk zich zal hebben aan te trekken.
Zelfs komt hij voor de organisaties op, en zeer terecht, als de herderlijke brief van levensverbanden en werkverbanden, die zich in de organisaties hebben gevormd, zou willen eisen, dat zij niet gehanteerd mogen worden als middelen tot uitoefening van macht. Reeds eerder hebben wij een opmerking hieromtrent geplaatst. Prof. Van Ruler noemt het een vreemde waarschuwing van uit de wereld en ook van uit het evangelie, (blz. 14). Dat is zij ook, en de onnozelheid gekroond.
Doch nu het probleem van prof. Van Ruler, Hij heeft gelijk, dat de vrije organisatie, althans zó, in de zestiende eeuw niet voorkwam. Maar hoe stond het met de secten en partijen? Zij mogen dan niet zo georganiseerd zijn, partijen zijn er altijd geweest en secten ook. En men kan volstrekt niet beweren, dat de Kerk altijd en overal de partijen en secten bedwongen heeft en deze teruggebracht tot eenheid en gemeenschap. En in de kerk èn in de politieke verhoudingen is dit niet het geval geweest.
Had men dat ook kunnen verwachten? Neen, want weliswaar, dat de religie de sterkste sociale kracht is, maar juist daarom wordt ook de religie de sterkste factor der verdeeldheid. In het heidendom is dat niet of niet in die mate het geval, als daar, waar het Christendom verschijnt.
De heidense godsdiensten zijn elkander min of meer verwant, wijl zij tenslotte vormen van natuurdienst zijn. Vandaar, dat de heidense godsdiensten zich gemakkelijk met elkander verbinden. De goden van overwonnen volkeren worden veeltijds overgenomen met de in bezitneming van het land. Als de veroveraar een volk overwint, wordt hij geacht de goden van het volk overwonnen te hebben door de kracht van zijn eigen god. (Vgl. Jesaja 36 : 19 v.). Zo worden Bel en Nebo tezamen genoemd als de goden van het Babylonische rijk, die niet bij machte zijn geweest hun volk te redden. (Jesaja 46 : 1 en 2).
De Christelijke religie vermengt zich niet met een andere godsdienst. Zij bewijst daarin haar absoluut karakter. Daarom is haar sociale kracht zeer groot, maar daarom ook stoot zij iedere godsdienst uit, die voor haar absoluut karakter niet buigt. Doch daarin ligt een oorzaak dat verdeeldheid ontstaat, waar de vanen des Evangelies geplant worden en liet Christelijk geloof zijn intocht doet. Dat is zo in een persoon en ook in een volk.
En dat heeft de Christus heel duidelijk en nadrukkelijk gezegd, o.a. in Lukas 12 : 49 v.v.: Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen Meent gij, dat Ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde ? Neen, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid.
Het is derhalve met deze uitspraak voor ogen volstrekt niet te verwachten, dat, wanneer de Kerk in een volk openbaar wordt, deze altijd zal komen tot een het ganse volk omvattend instituut, en nog minder, dat dit de geslachten door zo zal blijven, indien ook op een periode kan gewezen worden, waarin verreweg het merendeel des volks in de Kerk was verenigd.
En als de, tegenstelling Christen en niet-Christen zelfs in het gezin en de familie doorwerkt en hier krachten in het werk komen, die boven de verwantschap des bloeds uitgaan, hoe wil men dan de partijschap in een volk, in welks midden de Christelijke Kerk gestalte verkreeg, weren ? In ieder geval kan het niet wezenlijk zijn, zijn kerkbegrip op zulk een onderstelling te gronden.
Indien de genoemde tegenstelling een scheur in het volk heeft getrokken, blijft nochtans het politek verband, dat de burgers van één Staat verenigt en een belangengemeenschap vormt, die, of men het daarmede nu eens is of niet, uit verschillend oogpunt kan worden bekeken en door Christen en niet-Christen ook verschillend bekeken wordt.
Het is echter juist deze door Christus zelf betuigde tegenstelling, welke men opzettelijk tracht te negeren!
Wij hebben slechts willen aantonen, dat het , , modern gegeven" der vrije organisatie mede in verband met de ontwikkeling van het kerkelijk leven moet worden gezien, hetgeen zijdelings ook door prof. Van Ruler wordt toegegeven. (Vgl. blz. 12J.
Wat de vragen aanbelangt, welke de vrije organisaties oproepen naar aanleiding van opmerkingen van het Christelijk Nationaal Vakverbond (zie blz. 13) ook dienaangaande valt nog wel het een en ander op te merken.
In de eerste plaats mag men de kerk evenmin een manusje van alles maken als de Staat. Beide, de Kerk en de Overheid hebben een goddelijke roeping en taak.
Het is geenszins klaar en duidelijk, dat de kerk zou behoren te doen wat de vakvereniging doet. Het tegendeel kan gemakkelijk worden aangetoond. Als het Herderlijk Schrijven zoveel nadruk op de personen legt — dit gebeurt toch zo hier en daar — dan vindt dit wellicht zijn aanleiding daarin, dat men Inziet, dat de roeping van de Christen anders ligt dan die van de Kerk. De Christen is Staatsburger en ook als zodanig geroepen tot gehoorzaamheid aan zijn Koning, de Heere Jezus Christus, wiens Koninkrijk nochtans niet van deze aarde is.
Daarin is iets van een dubbele relatie. De Christen leeft op aarde, hoewel zijn leven met Christus verborgen is bij God. Dat de aarde des Heeren is, stelt deze beide relaties onder hemels gezichtspunt.
Ten aanzien van zijn aardse leven is hij gezet op aarde als lid van het éne menselijke geslacht, als lid van een volk, in een bepaalde familie, in een bepaald gezin.
Ten aanzien van zijn leven dat met Christus verborgen is bij God, kan men zeggen, dat hij in de Kerk is gezet. De veelheid van kerkinstituten noopt er toe Kerk met een hoofdletter te schrijven. Dit verzwakt ook de door prof. Van Ruler volprezen uitdrukking van ds. P. Gerbrandij : , , In de vereniging plaats ik mij zelf — in volk, gezin en kerk wordt ik door God geplaatst".
Daarom is Kuyper's onderscheiding van instituut en organisme niet zo verwerpelijk, hoewel volstrekt niet noodzakelijk om de Christelijke organisatie te verdedigen.
Uit de gemeenschappelijke roeping der mensheid ten aanzien van dit aardse leven, kan hij naar gelegenheid en arbeid die in organisch verband met gezin en familie vervullen, maar vergeet niet, dat de roeping van man en vrouw reeds verschillend is. Het organisch of natuurlijk verband overheerst dus niet en zeker niet altijd en onder alle omstandigheden.
Waarom zouden de mensen deze roeping niet vervullen in geordende gemeenschapsvormen, b.v. als de gilden ?
En waarom zou Christen niet zijn mede-Christenen organiseren, om gemeenschappelijk te beraden en te bezinnen, hoe zij ook in het sociale en politieke leven mogen trachten de gehoorzaamheid te volbrengen, welke Christus van hen vordert?
Als de vorm van de vrije organisatie modern mag heten en met de moderne democratie samenhangt, behoeft dit op zichzelf geen reden te zijn om geen Christelijke organisatie te vormen en wat de vrijheid betreft, deze kan niet vreemd zijn aan het Evangdfee en het behoud der vrijheid is zeker veiliger bij het Christendom dan bij de democratie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's