Wilhelmus Amesius
II.
Theoloog van het Gereformeerd Piëtisme.
Amesius was een man van streng Calvinistische belijdenis. Dat toleek wel uit zijn vastberaden strijd tegen het Remonstrantisme en uit de wijze, waarop hij zich stelde achter de besluiten van de Dordtse Synode. Toch nam hij, vooropgezet zijn onverdachte rechtzinnigheid, een geheel eigen plaats in onder zijn gereformeerde tijdgenoten. Hij had zijn eigen-aardigheden, die getuigen van een oorspronkelijke en zelfstandige geest.
Dit blijkt reeds direct uit de manier, waarop hij de taak en het doel van de theologie omschrijft. Het was veelal onder zijn tijdgenoten de gewoonte om de theologie te zien als de wetenschap, die zich bezig houdt met God en de goddelijke dingen, of ook, en dat was al beter uitgedrukt, met de door God geopenbaarde religie. Daarbij was men echter vaak terecht gekomen in de fout, dat men in de theologie datgene. wat bij Calvijn een onlosmakelijke eenheid is (n.l. de kennis des geloofs én het leven des geloofs) liet uiteen vallen in een theoretisch en een practisch deel. En in dat theoretisch deel, waarin men de eigenlijke theologie zag, ging het vooral om weten en kunnen en disputeren, dat vaak op scholastische wijze ontaardde in spitsvondig speculeren, met het gevolg dat het geheel veelal ver buiten het werkelijke leven kwam te staan.
Amesius pakt het anders aan. Bij hem is de theologie geheel en al practisch van aard. Voor hem is de theologie , , de leer om Gode te leven". Het gaat hem niet om louter weten en kennen en bewijsvoeren op zichzelf, maar om beleving, om het leven voor God, om de practijk der godzaligheid. Hier komt zijn piëtistisch standpunt duidelijk naar voren en wel in deze zin, dat hij de leer direct betrekt op het (geestelijk) leven. Want het gaat de oude, gereformeerde piëtisten wel terdege om de leer, om leer èn leven, of beter gezegd, om de geleefde en beleefde leer. Zij maken front enerzijds tegen een dorre, alleen maar verstandelijke leerheiliglieid, waarbij het geestelijk leven zelf niet aan bod komt, maar anderzijds niet minder tegen een vaag, z.g.n. practisch, vaak overgeestelijk Christendom, dat de leer verwerpt en daarmee ook niet wil weten van gebondenheid aan het Woord van God.
De theologie is voor Amesius de leer om Gode te leven. Het is wel terdege een leer. Daarmee wil Amesius ook tot uitdrukking brengen, dat de kennis van God en het leven voor God, niet iets is, wat uit 's mensen eigen hart opkomt of wat hij langs de weg van het verstand zich verwerven kan. Neen, het is een zaak van openbaring, van bekend maken door het Woord en de Geest des Heeren. Vandaar ook dat Amesius alle wijsbegeerte, die zich op haar wijze ook met deze dingen wil bezighouden en leiding wil geven aan het leven, verre van zich werpt. Hij weet van zulk een wijsbegeerte geen goed woord te zeggen. In dit'bpzicht stond Amesius nogal eenzaam in een tijd, toen velen van zijn collega's sterk bekoord werden door de wijsbegeerte van Aristoteles en van haar diensten een veelvuldig gebruik maakten.
In dit verband is het ook veelzeggend dat Amesius, in tegenstelling tot de meesten zijner tijdgenoten, in het leven van de mens, de wil belangrijker achtte dan het verstand. De laatste en diepste beslissingen vallen, volgens hem, niet in de sfeer van het verstand of de rede, maar in die van de wil. Want (het gaat om de overgave van onze wil aan de wil van God. God werkt in zijn wederbarende kracht (zelfs op physieke wijze) in op de wil en zet deze om, zodat de bekering zich gaat voltrekken en de wil, die voorheen niet wilde en zich vijandig afkeerde van God, zich weer gaat richten op God. Dan leeft de mens voor God. En , , voor God leeft men, als Gods wil de norm, Gods eer het doel en God Zelf in het binnenste de bewegende kracht is".
De theologie nu, die zich bezig houdt met dit leven voor God, handelt over ; het geestelijk leven in zijn ontstaan, zijn voortgang en zijn uitingen. De eerste en fundamentele uiting is het geloof In God door Christus. Het is een werkzaam geloof, dat zich op God richt in gehoorzaamheid. Het is de overgave van de wil aan God, als de in Christus genoegzame getrouwe Verlosser en wel een overgave vanuit diep ervaren hulpeloosheid en ellende. En dan is geloven ook vertrouwen op God, zoals Hij Zichzelf, in Christus, aan de gelovigen ontsluit. Of zoals Amesius het zo treffend uitdrukt: , , Geloven is het uitrusten van het hart in God, als de Bewerker van het leven en van de eeuwige zaligheid".
Amesius' aandacht is telkens weer gericht op datgene, wat God in de mens doet en werkt, opdat en zodat deze mens voor Hem gaat leven, We mogen dan ook niet zeggen, dat bij Amesius de mens in het centrum staat. Neen, het gaat om God, maar juist daarom ook om de mens, n.l. om de mens, zoals hij is in de handen van God, die in en aan hem werkt en hem doet leven voor Zijn aangezicht. Het voorwerp van het geloof is dan ook niet God zoals Hij „op Zichzelf" is, (daarover spraken zijn scholastieke tijdgenoten zo graag en zo veel), maar God, voor zover wij Hem ons leven wijden.
Dit huitengewoon practische, dit gericht zijn op het leven, komt ook uit in de wijze, waarop Amesius over de praedestinatie (voorbeschikking) spreekt). Hij behandelt deze niet, zoals velen zijner tijdgenoten, aan het begin van zijn theologie, maar bij de toepassing van de verlossing. Amesius heeft geen theoretische belangstelling voor de eeuwige besluiten Gods. De praedestinatie bestaat wel van eeuwigheid, maar alleen bij de praedestinerende God. En daar moeten wij niet ijdel over speculeren. Het gaat Amesius om de practijk, om de speurbare werkingen der verkiezing in het leven. Krachtens de praedestinatie ontstaat er onder de mensen een innerlijke verscheidenheid die ook naar buiten openbaar komt. De ware gelovigen, de wedergeborenen, zijn onderscheiden van de louter natuurlijke mensen, die niet wedergeboren zijn. Dit leidt er toe, dat de mens opgeroepen wordt om na te denken over zijn eigen geestelijke toestand, om zijn positie te hepalen en voor zichzelf een antwoord te geven op de vraag, of hij nog leeft in de staat der zonde of reeds overgezet is in de staat der genade. Want het is óf het een óf het ander. De mens moet daarom aangaande zijn toestand tot zekerheid komen. Hij heeft de taak en de plicht om zijn neigingen en zijn handelingen(!) in deze richting te onderzoeken.
Om op dit punt zijn studenten te onderrichten en de mensen tot raad en steun te zijn, heeft Amesius zijn belangrijke boek „Het geweten, zijn recht en gevallen" uitgegeven. Dat is niet zomaar een casuïstiek over wat mag en wat niet mag, uitlopend in uiterst spitsvondige haafkloverijen. Integendeel.
Amesius gaat er van uit, dat de mens, als schepsel Gods, in het geweten het vermogen heeft tot zelfkennis en zelfbeoordeling. Dit geweten is echter door de zonde verduisterd en afgestompt. Wanneer God de Heere nu de mens door Zijn Woord en Geest verlicht, gaat het geweten weer goed functioneren. Nu is het Amesius, afgezien van de bijzondere gewetensgevallen in verband met het in alle gebeurtenissen des levens wandelen naar Gods wil en geboden, allereerst daarom te doen, dat het oordeel van het geweten zich richt op 's mensen staat voor Gods aangezicht, hoe hij er voor God aan toe is, of hij nog leeft in de staat der zonde, waar Gods toorn dreigt, of in de staat der genade, als kind van God en erfgenaam van het eeuwige leven.
In dit verband bespreekt Amesius verschillende (want er zijn er vele) kenmerken van de zondestaat en daarnaast van de genadestaat. Zo wil hij de gezichtspunten aangeven voor de beoordelende werkzaamheid van het geweten. Maar het is niet zijn bedoeling om te zeggen dat de gelovige tot zekerheid komt alleen door het waarnemen en optellen van verschillende kenmerken der genade. Dat is stellig bemoedigend en vertroostend. Daarbovenuit gaat echter het getuigenis van de Heilige Geest in de harten, die onmiddellijke zekerheid geeft. Het geweten wordt dan een mede-weten (con-sciëntia) met God, een mede-oordelen met Hem in Zijn eeuwige raad over onze staat voor Hem en zo een zeker zijn van onze eeuwige zaligheid en van het kindschap Gods.
Het is vooral hier, bij de bespreking van het geweten als een mede-weten, een mede-oordelen met God in Zijn eeuwige raad, dat de betekenis van Amesius, ook voor het heden, uitkomt. Met name prof. Van Ruler heeft in de laatste tijd telkens gewezen op de actuele belangrijkheid van deze gezichtspunten bij Amesius, enerzijds in verband met het gesprek en het conflict met Rome, anderzijds met het oog op de discussies rondom de humaniteit en de „mondigheid" van de moderne mens.
Bij Amesius is het zo — en dat is toch wel een van de wezenlijke kenmerken van de Reformatie — dat de mens (met zijn geweten) rechtstreeks en onmiddellijk voor God geplaatst wordt. Daar mag niets en niemand tussenkomen, dan alleen de Heere Jezus Christus. Het is uiteindelijk, in dit verband, een zaak tussen God en het mensenhart alleen. Rome wil dit niet. Daar wordt de kerk (met alles wat daarbij komt) geschoven tussen God en de mens. Daar wordt de mens in zijn vrijheid van geweten, in zijn alleen-staan voor God, aangetast (inquisitie, processie-vrijheid).
Aan de andere kant is er de moderne mens, die , , mondig" wil zijn, vrij van alle voogdij en dan ook vrij van God, om zo volop mens te zijn. Dit is echter een waan. De ware humaniteit, het eigenlijke mens-zijn wordt pas gevonden (als een gave Gods), wanneer de mens voor God mag staan, vrijgesproken in Christus, het geweten gereinigd van de zonde en met God mag meeweten van zijn eeuwige bestemming en zaligheid om zo, nu en altijd, voor God te leven.
Tenslotte zouden we nog kunnen wijzen op enkele andere bijzonderheden van Amesius, n.l. op zijn congregationalistische kerkopvatting, op zijn leer van de Heilige Schrift en van de voorbereiding der bekering. Het zou ons in dit verband te ver voeren. Ik moge besluiten in de hoop, dat we enigszins een indruk gekregen hebben van het werk en de betekenis van Amesius, als een belangrijk theoloog van het gereformeerd piëtisme.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's