De Sabbat SLOT
Een korte bespreking volgt tenslotte omtrent hetgeen God in het vierde gebod gebiedt, als Hij eist de sabbat te gedenken, die te heiligen en daarop geen werk te doen. Het gedenken bestond in een naarstige en zorgvuldige waarneming van die dag (á Marck t.a.p. pag. 326). Het heiligen niet in een blote rust, maar in afzondering van de Sabbatdag tot de dienst van God. Deze dienst had twee delen. Hij was openbaar en bijzonder. Tot de openbare dienst behoorde de heilige samenroeping des volks (Lev. 23 : 3J, lezing en aanhoring der Wet (Hand. 15 : 21), Gemeenschappelijke gebeden (Jes. 56 : 7). Godsdienstige liederen (Psalm 92 : 1). Plechtstatige zegeningen (Num. 6 : 23). Het doen van geschenken (Ex. 23 : 15 en 2 Kon. 12:9 en 10) en het brengen van offers (Num. 28 : 9).
Tot deze bijzondere dienst was vereist vooreerst een behoorlijke bereiding tot de openbare dienst door allerlei werken van ongeveinsde godsvrucht, die op deze gehele dag ook boven andere dagen moesten worden betracht. Ten andere een zeer strenge rust van al het werk der zes vorige dagen, d.i. alle slaafs werk, dat niet noodzakelijk is en van de dienst Gods aftrekt. Ook zelfs het allergeringste. Genoemd worden : het bakken en zieden der spijs (Ex. 16 : 23), het uitgaan buiten de godsdienst (Ex. 16 : 29), het aansteken van vuur in enige woning (Ex. 35 : 3), het hout lezen (Num. 15 : 32), het treden van persen, het uitbrengen van garven, het aanvoeren en verkopen van eetwaren (Neh. 13 : 15—17).
Vrijgelaten daarentegen waren de werken van godsdienst, liefde, noodzaak en eerbaarheid (Matth. 12 : 3, 5, 7 ; Luk 13 : 14, 15).
Overtreders werden gestraft met de dood. (Ex. vers 14, 15).
Tot deze rust waren gehouden alle Israëlieten, zonder onderscheid van geslacht, ouderdom of staat; ook de vreemdeling, en zelfs het vee moest rusten (Ex. 23 : 12). Voor dit laatste was de rust bedoeld als een weldaad en voorts vloeide het rusten van het vee voort uit het rusten van de mensen. In deze rust en heiliging bestond de volkomen onderhouding van de sabbat. (Zie á Marck t.a.p. blz. 326—328). Voor zover nu die volstrekte rust de ware rust, door Christus aan te brengen, afbeeldde, is zij vervallen, maar voor zover zij plaats maakt voor de dienst van God en een verkwikking is voor de mens en voor het vee, is zij gebleven, á Marck tekent aan, dat nu de rust zo streng niet meer vereist wordt als eertijds met opzicht op een volkomen dag van 24 uur of op de' allergeringste en ons anders in dè dienst Gods niet belettende werken, of op de straf des doods tegen de overtreders, daar de dag geen kracht van afschaduwende voorbetekenis meer heeft en zelf geen deel van, maar hulpmiddel tot de godsdienst is. (t.a.p. blz. 335).
Maar wel moet ook thans gerust worden van alle dagelijkse werk, wat ons op de andere dagen geoorloofd en betamelijk is, terwijl altijd geoorloofd blijven alle werken van godsdienst, liefde, noodzaak en eerbaarheid. Voornamelijk moet men rusten van alle boze daden volgens de tekst Jes. 58 : 13 en 14, die luidt: , , Indien gij uw voet van de sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heilige dag; en indien gij de sabbat noemt een verlustiging, opdat de Heere geheiligd worde, Die te eren is ; en indien gij Die eert, dat gij uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt; dan zult gij u verlustigen in de Heere, en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en Ik zal u spijzigen met de erve van uw vader Jacob ; want de mond des Heeren heeft het gesproken".
Voorts bestaat de openbare dienst God's op Zondag in een openbare betrachting van Gods Woord, de uitstorting der gebeden, het zingen van psalmen, het gebruik van de Bondszegelen ende uitreiking van liefdegiften. In het bijzonder dient de Christen voorts de Zondag door te brengen met stichtelijke overdenkingen, samensprekingen en behoorlijke voornemens vóór en na de openbare dienst, (t.a.p. blz. 335).
De Heidelbergse Catechismus doet in Zondag 38 ook duidelijk uitkomen, dat de Dag des Heeren in de dienst van God moet worden doorgebracht door ons, dewijl hij daarvoor is gegeven. Hij wijst op tweeërlei sabbat. Daar is eerst de uiterlijke, waartoe behoort het naarstig komen tot de gemeente Gods, om Gods Woord te horen, het gebruiken der Sacramenten, het openlijk aanroepen van God de Heere en het doen van christelijke handreiking aan de armen. Maar daarnaast staat de innerlijke sabbat met zijn rusten van de werken der zonde, en zijn overgave aan de Heere, opdat Hij Zijn werk in ons doe door Zijn Geest, door welke dingen wij in dit leven, de eeuwige sabbat aanvangen. Hoe meer wij van deze innerlijke sabbat mogerr genieten, hoe meer de uiterlijke, zijn oogmerk bereikt, maar hoe beter ook de uiterlijke sabbat wordt besteed.
De vraag, wat al en wat niet geoorloofd is op Zondag, wordt het beste beantwoord, als wij zeggen dat ons leven op de Rustdag een openbaring moet zijn van de sabbatsrust des harten. Wanneer wij in dit licht beschouwen de wijze, waarop wij de Dag des Heeren gemeenlijk zien doorbrengen, dan moeten wij met Brake! klagen over de ontheiliging van Gods dag, die in onze dagen zeker nog veel algemener en schandelijker is dan in zijn tijd. Hij zegt, dat zij zich hieraan schuldig maken, die door ongehoorzaamheid of versmading van de privilegiën de afzondering van de sabbat niet erkennen ; die er een werkdag van maken door datgene te doen, waardoor men geld of tijd wint, die er een marktdag of een plezierdag van maken, die er een zondedag van maken door drinken etc, ; die er een ezels dag van maken door een enkele kerkgang te doen en dan. verder de dag lui en ledig door te brengen (denk ook aan de langslapers, die in het geheel niet ter kerk gaan) ; of die. de sabbat verwerpen, tegensprek en, anderen er van aftrekken of hen, die de dag wèl waarnemen, erom bespotten.
'En wie denkt in onze tijd niet aan hen in dit verband, die de Zondag doorbrengen met sport, uitgaan, vissen, kamperen, duiven vangen e.d. ? En aan dezulken, die in de herberg zitten bij drank en spel, of de heilige dag in bioscoop of theater, in allerlei wereldse en zondige varmakelijkheden slijten ?
Maar is alles dan in orde als men zich van deze dingen heeft afgekeerd en een trouw kerkbezoeker is ? Het is wederom Brakel, die ons toont in welke deugden de sabbat van het 4e gebod door ons moet v/orden gevierd.
Handelende over de betrachting van de sabbatsheiliging zegt hij, dat de rust bestaat in een geestelijke dienst; in een verlustiging, doch niet van het zondig vlees.
Dit is heel wat anders dan het bijgelovige dienen, dat bestaat in : raak niet, smaak niet en roer niet aan, dat afkeuring verdient. De rust moet zijn een treden in Gods exempel, een heilige rust, die ons aftrekt van de aarde en ons vrolijk doet zijn in God. Zij moet worden gewijd aan het beschouwen van Gods werken, dit zoete engelenwerk. Behalve het bijwonen der vergaderingen van Gods volk in de kerk, het oefenen van milddadigheid en van de gemeenschap der heiligen, noemt hij het bezoeken van ellendigen, om hen, zo ze onbekeerd zijn, tot zonde-kennis en tot Jezus te leiden, en de bekeerden te troosten en tot lijdzaamheid in hun ellende aan te sporen. Om zulk een rust te kunnen betrachten, moet de gemeente zich tevoren bereiden.
Des Zaterdags stake men tijdig het werk om geen verhindering te geven aan de ziel, en men verzorge zijn huisgezin bij voorbaat, en make zo een overgang tot de rustdag. De voorsabbat (Mk. 15 : 42) bereidde ons voor de sabbat. Daar zij kennis en toestemming van de sabbatsplicht en een verlangen om in alle rust tot God te naderen, opdat de Dag des Heeren geen last, maar een lust zij.
En eindelijk worde het gebed opgezonden om tot het geestelijke ingespannen te zijn, opdat de traagheid des vleses de sabbatszegen niet verbindere. Na de betrachting van de rust volgt de nabetrachting. Ook deze is nodig, want nu het werk van de sabbat niet gedaan is met kerkgaan, uitrusten en ingetogenheid, is er velerlei gebrek op elke sabbat. Dit gebrek moet worden herdacht.
Bovendien moet voor het goede God worden gedankt. Het privilege, dat we hebben in de Rustdag, moet worden erkend. En de vrucht moet wezen, dat we reikhalzen naar de eeuwige rust (Hebr. 4:9). Zo verstaat Brakel de rust van de sabbat, (t.a.p. II, p. 113 e.v.v.).
Heel die dag moet in heilige rust worden doorgebracht. Maar niet in benepenheid. De strenge man keurt het niet af dat Gods kind, met inachtneming van de openbare dienst, op Zondag gaat wandelen in 't veld of in de tuinen, als het maar is om Gods werken te aanschouwen en Hem daarin te verheerlijken, om zich naar ziel en lichaam te verkwikken. Als het maar een geestelijk werk is en niet tot zonde strekt, (t.a.p. II, p. 113 e.v.v.).
Ook hier blijkt het weer, dat het er op aankomt, wat wij zijn. De kinderen des Geestes zijn sabbatskinderen. In zichzelf vleselijk en verkocht onder de zonde, zijn ze van nature onbekwaam om de sabbat te heiligen, waarom zij zich steeds hebben te beschuldigen. Maar op de dag des Heeren in de Geest zijnde, genieten zij de rust van Christus, in vergeving der zonden ; dan is het hun goed nabij God te wezen, en zetten zij hun vertrouwen op de Heere, Heere, om al Zijn werken te verkondigen.
Het is hun de voorsmaak van het eeuwige leven, dat zij eenmaal ongestoord genieten zullen, als zij hun wens verkrijgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1955
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's