Eduard Böhl
I
Voordat wij voor de theologie van bovengenoemde dogmaticus enige aandacht vragen, is 't goed hem eerst even aan u voor te stellen. Het gaat hier om een theoloog, die zeer nauw verwant is met Kohlbrugge, niet alleen doordat hij met diens dochter was gehuwd, maar ook, doordat zijn gedachten hem geleid hebben bij zijn dogmatische arbeid. Van de kring van vrienden van Kohlbrugge was hij tot zijn dood in 1903 de gewaardeerde leider, De correspondentie, die onderling tweemaal per jaar gevoerd werd, is bewaard gebleven en daaruit blijkt, dat Böhl gezien werd als degene, die in deze kring een gezaghebbend woord spreken kon.
Daarom, wie zich in Kohlbrugge verdiepen wil — en dat is zeker een nuttige bezigheid —kan Böhl's werken niet ongelezen laten liggen. Vooral zijn discussie met A. Kuyper, over de erfzonde en de vraag of die ook aan Christus toegerekend werd, is belangrijk geworden en is bestudering zeker waard.
Maar eerst in het kort iets over zijn levensgang. Hij werd geboren in 1836 uit een koopmansfamilie in Hamburg. Al spoedig bleek, dat voor deze hoogbegaafde jongeling de weg lag in de beoefening van de wetenschap. Zijn ouders hadden graag gezien, dat hij via de studie in de rechten een regeringsbaan gezocht had, maar zijn hart trok hem naar de theologie. In 1856 kwam hij naar Halle, waar, mede door de lessen van Tholuck, een drukbezochte universiteit was. Hij vond daar de vrienden, die een grote geestelijke invloed op zijn denken zouden uitoefenen : Locher, Kunzli (met wie hij zijn leven lang een drukke en interessante correspondentie heeft gevoerd) , Wolfensberger, Johner. Met dezen behoorde hij al spoedig tot de kring van leerlingen van de fijngevoelige Johannes Wichelhaus, een leerling van Kohlbruge, die in Halle meer veracht was dan geacht; een geleerd en vroom man, wiens werken, hoewel zeer schaars verkrijgbaar, heel wat meer waard zijn dan die van zovele z.g. grote theologen. In 1856 bezocht hij voor de eerste keer Kohlbrugge in Elberfeld, aan wie hij zich zeker niet voetstoots heeft overgegeven. Uit de correspondentie met Kunzli blijkt, dat hij zijn bezwaren pas langzamerhand heeft overwonnen. Toch werd Kohlbrugge de man, die de richting van zijn denken beslissend heeft beïnvloed. In 1875 (twee maanden na zijn dood), schrijft Böhl over Kohlbrugge : , , er is sedert eeuwen geen theoloog geweest, die zoveel geleden, zoveel goddelijke antwoorden en uitreddingen ervaren heeft, als deze man en aan wie God verleend heeft zo helder en levenwekkend van zijn ervaringen te getuigen. Voor velen was hij een profeet, voor anderen een steen des aanstoots, op allen maakte hij de indruk van het ongewone".
Zeker hield Böhl oog voor Kohlbrugge's zwakke punten, toch is hij nooit bewust van hem afgeweken.
Nadat Wichelhaus in 1858 was overleden, studeerde Böhl in Erlarigen, vooral in de Oosterse talen bij Franz Delitzsch. In 1860 schreef hij een Latijnse verklaring van Jesaja 24—27. Even tevoren was hij overgegaan tot de gereformeerde belijdenis.
Zo lag zijn weg eerst op het terrein van de O. Testamentische wetenschap. Daarin gaf hij in deze jaren college in Bazel in streng conservatieve zin : in die tijd een ongehoord en „belachelijk" waagstuk. Hij schrijft ('62) zijn : Twaalf Messiaanse psalmen". Nog altijd een lezenswaardig boek, waarin hij koos voor de typologische opvatting van de christologie van het O. Testament. In een voortgaande reeks , , typen" krijgt de belofte steeds meer gestalte, totdat in Christus de volle vervulling optreedt. Zo worden de Messiaanse teksten niet direct op Christus betrokken, maar allereerst op het type, dus eerst in hun historisch raam gezien en aangewezen, hoe voor Israël in deze schaduwen de zaak zelf reeds lag, en dan verklaard, hoe dit zijn volle vervulling kreeg in de Christus. Deze typologische uitleg, die wij — zoals bekend, — ook bij Kohlbrugge vinden, is bijzonder verhelderend en verrijkend. Tot goed begrip zij opgemerkt, dat wij Kohlbrugge geen allegorese mogen verwijten, zelfs niet als hij over de tabernakel en haar gereedschappen spreekt. Hij bedrijft typologie, waarin de typen gezien worden als de afbeelding van de wordende Christus in het O. Testament. Ik meen, dat wij met deze visie ook nu nog onze winst zullen kunnen doen en dat zij onze prediking over het O. Testament bijzonder kan stimuleren.
Nadien (1864) werd Böhl beroepen naar de leerstoel voor gereformeerde dogmatiek in Wenen. Hij was toen pas 27 jaar, en was zich van de zwaarte van deze opdracht zeer wel bewust. Later zegt hij : , , een leven van de meest uitgezochte moeiten is toen begonnen". Niettemin heeft hij 35 jaar op deze voorpost van het gereformeerd protestantisme stand gehouden, ondanks veel hoon en verguizing. Hoewel een zekere bittere toon, telkens weer, zeker samenhangt met de vele moeilijkheden, die hij in Wenen heeft verduurd. Van Wenen uit mocht hij grote invloed oefenen op de (helaas weinige) gereformeerde gemeenten in Bohemen en Moravië.
Door Kohlbrugge kreeg hij ook spoedig veel contacten met Nederland. Zijn tweede vrouw was een Hollandse, baronesse van Verschuer, de moeder van prof. De Liagre Böhl uit Leiden. In 1880 bood A. Kuyper hem aan professor te worden aan de toen juist in het leven geroepen Vrije Universiteit. Uit de correspondentie blijkt dat Böhl veel moeite gehad heeft met zijn beslissing; het was zeer aanlokkelijk, maar de doleantietendenzen, die hij bij Kuyper bespeurde, weerhielden hem naar Amsterdam te komen. Deze benoeming werpt m.i. een scherp licht op het pogen van Kuyper om de , , Kohlbruggiaanse" stroming in het schuitje van de doleantie te krijgen. Zij hebben echter unaniem geweigerd, zich aan deze bootsman toe te vertrouwen. Zo bleef hij eenzaam in Wenen, waar hij zich nooit werkelijk heeft thuis gevoeld. Dat is de tragiek van zijn leven geweest, te.moeten staan op een post, waar hij zich niet werkelijk geven kon.
Hoewel bewust gereformeerd, stond hij dicht bij Luther en achtte hij hem als exegeet hoger dan Calvijn. Een van zijn laatste werken is een uitgave van Luther's 25 Psalmen, waarbij hij de hoop uitspreekt, , , dat dit, wat mij in nood en lijden goedgedaan heeft, ook mijn medepelgrims goed moge doen". De beslissingen van de synode van Dordrecht, over de verkiezing, heeft hij nooit begrepen ; hij klaagt, dat men te weinig oog gehad heeft voor de centrale betekenis van de rechtvaardiging uit het geloof. Zo stond hij ook vreemd tegenover het Nederlandse piëtisme, m.i. hoofdzakelijk, omdat hij die geestesstroming te weinig kende en die teveel vereenzelvigd heeft met het Lutherse piëtisme. Dat is jammer, want het zou zijn theologie hebben kunnen verrijken en een meer universele aanpak van zijn werken hebben medegebracht.
Als zijn hoofdwerk zag hij zelf, terecht, het in 1899 verschenen , , Von der Rechtfertigung durch den Glauben". Het was voor hem een troost in al zijn moeiten, een anker der ziel, dat goddelozen gerechtvaardigd worden.
Mede naar aanleiding van dat werk, willen wij graag enkele vragen naar voren halen en bespreken: erfzonde, vleeswording des Woords, heiliging.
„Een leer die boven alle wisselingen der dingen ons uitheft en het eeuwige leven hier beneden naar de aanvangen ons reeds doet genieten, zo'n leer verdient, ook verder het artikel, waarmee de Kerk staat of valt, genoemd te worden. Omdat zij echter veronachtzaamd wordt, is de Kerk ingezonken en alle pogingen, ook van de edelste christelijke kringen, zullen geen nut doen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1955
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1955
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's