ALS HET GRAS
In de morgenstond bloeit het, en het verandert. Des avonds wordt het afgesneden, en verdort. Psalm 90 : 6.
Oudejaarsoverdenking
Morgenstond en avond zijn als een levende symboliek, waardoor heel het leven bepaald wordt.
ledere dag spreekt de taal van de morgen en de avond. Is de dageraad niet als een moederschoot, waaruit de dag geboren wordt, als het licht voortschiet uit de nevelen van de nacht en gestalte geeft aan wat voor het oog verborgen was. Een frisse dauw fonkelt aan de ontluikende knoppen, de koele adem van de ochtend ritselt door het hout en een glans van nieuwheid straalt over de groene weiden van onder de opstijgende morgendamp.
Het is alles nieuw en heeft iets van het ongerepte.
En te avond, als alles moe is van de arbeid en haakt naar rust, gaat het oud en bestoven onder verdwijnende in de verborgenheid van de nacht.
Men kan niet zeggen, dat iedere dag een herhaling op korte termijn is van de wisseling der jaargetijden. Zo is het niet. .
En toch is er iets van overeenkomst tussen de lente, die door een wondere macht een nieuwe wereld doet ontluiken uit de verkleuming van de winter en de somberheid van het gevorderd najaar, als de zon laag nog een enkele droefgeestige straal werpt over de drassige velden. Het is toch ook wisseling van licht en duisternis, van leven .en ondergang.
Doch klaarder, aangrijpender en gevoeliger spreekt deze profetie van de tijd ons aan, als wij die op ons zelf toepassen. Of wordt de ons toegemeten tijd van zeventig, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren niet gezien onder het beeld van de jaargetijden ?
De bovenaangehaalde psalm versnelt het tempo, in het licht van de eeuwigheid Gods tot de loop van één dag.
Als het gras. In de morgenstond bloeit het, en het verandert, des avonds wordt het afgesneden en het verdort.
Dat is een beeld van ons aardse leven. Duizend jaren in Uwe ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is (vers 4). Wat betekent zeventig, tachtig jaar bij duizend en hoe vallen zij in het niet bij de Eeuwige.
Met jachtschepen gaan onze dagen voorbij en hoe ouder men wordt, hoe meer men bezig is met velerlei zorg en bezigheid op deze aarde, hoe sneller zij voorbijgaan.
In onze dagen wordt het tempo bovendien al maar opgevoerd. Tot aan het begin van de vorige eeuw beschikten de mensen over geen sneller vervoermiddel dan een paard. Thans razen de sneltreinen met ver over de honderd kilometer per uur, de auto doet daarvoor niet onder, om van de straaljagers, die sneller gaan dan het geluid, maar niet te spreken.
De versnelling van de verkeersmiddelen en de gemakkelijke communicatie door telefoon en radio hebben het ganse leven nog sneller gemaakt. Het tempo is schier niet bij te houden. Dit wreekt zich reeds in de ondermijning van het zenuwgestel bij zovelen en het zal zich nog meer wreken, als de mensheid doorgaat met de snelheid op te voeren.
Hoevelen zijn reeds zo afgestompt in de snelheidsmanie, dat zij onbekwaam zijn om zelfs bij de ernst van deze dingen stil te staan. En als wij doorgaan op deze wijze, zal de grote meerderheid van ons geslacht opsmelten in een massamens, in wien ook de laatste rest van religie en persoonlijkheid zal zijn verschrompeld en wiens slavengestalte geen weerga zal vinden in de ergste slavernij, die de mensheid heeft gekend.
Reeds bij het oude traditionele tempo ging zo menigeen aan de ernst des levens voorbij en was het voor hen een vaak weldadige ervaring een wijle stilgezet te worden bij de prediking van de voortijlende tijd in het licht der eeuwigheid.
Voor deze weldadige ervaring hebben heel veel mensen geen tijd meer.
Geen tijd voor het gezin, geen tijd voor de gemeenschappelijke maaltijd, geen tijd voor de Bijbel, geen tijd voor gebed, omdat men alleen maar voortjaagt in de jacht van de tijd.
Velen zijn het kwijt in hun levensjacht dat alles een bestemde tijd heeft. Alles zijn bestemde tijd! Dat geeft rust in ons leven.
Wij geen meester over de tijd en de tijd geen meester over ons. Alles heeft zijn bestemde tijd en alles heeft daarom zijn tijd. Ook de mens. En onze tijden zijn in Gods hand.
Wat is dan eigenlijk tijd, als alle dingen en ook de mens hun tijd hebben. Er is dus orde ook in deze tijd ?
Dat is het en daarom is de tijd bestemd, daarom is de tijd (en de tijd der dingen) beperkt. Er is een grens aan de tijd en er is een grens aan de snelheid voor ons, zoals er een grens is aan de tijd voor ons.
Naarmate wij onze snelheid opvoeren, stelen wij aan onze tijd. Het kan de schijn hebben, dat wij meer beleven, doch dit is slechts schijn. De snelheid gaat ten koste van 's levens diepgang.
Wij gaan geen wijsgerige beschouwingen houden over de tijd, maar zeker is, dat de afstand tussen tijd en eeuwigheid niet zo groot is, als de mensen van deze tijd denken.
Sommigen scheppen er behagen in de distantie eeuwigheid en tijd als een onoverbrugbare kloof voor te stellen. Zij scheuren hemel en aarde uiteen, maken een scheiding tussen de eeuwige God en Zijn schepsel op aarde, alsof deze zelfs voor God een hinderpaal ware Zijn goddelijke heerschappij uit te oefenen en op het gedrag van de mens op aarde te letten.
Bewust of onbewust komt men daarmede de opgejaagde maniak van de tijd in het gevlei. Het is een gewenst argument om de stem van een opstandig geweten te smoren, dat nog een herinnering bewaart aan het ouderlijk huis, waar gebeden werd.
De moderne mens heeft geen tijd om te bidden, maar wat zou hij bidden ? God is zo ver weg voor hem.
Tijd en eeuwigheid zijn zo dicht bij elkander. Eén schrede tussen ons en de dood. Eén snik, één moment. Onze tijd is om, voorbij en wij staan voor de Eeuwige !
Wij staan voor Hem met onze tijd, met ons leven, veertig, vijftig, zestig jaar, dikwijls jonger, soms ouder.
Wij staan daar met dat stukje tijd, dat wij onze tijd waanden, maar nu blijkt het, dat het Gods tijd was en Gods tijd is, en dat wij verantwoording schuldig zijn.
Onze tijden in Gods hand. Hoe dicht is dan de tijd bij de eeuwigheid. Tijd is een betrekking der eeuwigheid.
Hoe kunnen de mensen de tijd toch zo losmaken van de eeuwigheid, alsof tijd op zich zelf ook nog wat ken zijn ?
Wij komen tot de ontdekking, dat de tijd openbaring is van eeuwige dingen, ja van de eeuwige God zelf. De dingen, die wij zien, komen op uit de dingen die wij niet zien.
Waar Gods scheppende Woord uitgaat, nemen dingen, die niet gezien worden, gestalte aan, opdat zij gezien worden. Daar ontstaat de wereld. Daar is de tijd. Daar worden de werken Gods openbaar.
Tijd, licht, leven, hebben dus iets met elkander te maken. Dat voelt de volkstaal, als zij zegt: Hij is uit de tijd, als zij bedoelt: Hij is gestorven.
Tijd is een gave Gods, het genot van het levenslicht, openbaring van Zijn scheppende almacht èn van Zijn lankmoedigheid over ons.
Van Zijn lankmoedigheid, want als wij Hem zelfs vergeten kunnen, die ons de adem geeft, en ons leven in eigen hand nemen, moet het toch wel duidelijk zijn, dat wij onverlaten en zondaren voor God zijn.
Het kan nuttig voor ons zijn daarbij eens bepaald te worden en bij de prediking van de wisseling der tijden te worden neergezet, om haar ernstige sprake te vernemen en te ontdekken, dat er slechts één schrede is tussen ons en de eeuwigheid en dat wij schuldig staan voor God.
Mogelijk, dat wij bij die ontdekking worden uitgedreven om onze Rechter om genade te bidden en deze te zoeken en te vinden in de Zoon Zijner liefde, die in deze wereld is gekomen om Gods barmhartigheid te bewijzen over een verloren wereld.
Zolang wij nog zijn, zijn wij in de tijd der genade en leven wij onder de openbaring van Zijn goddelijk welbehagen, waarin Hij een eeuwige toekomst heeft bereid voor degenen, die in de Christus de Middelaar Gods en der mensen hebben gevonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1955
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1955
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's