De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

PSALMGEZANG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PSALMGEZANG

9 minuten leestijd

IV

De liturgie moet niet alleen passen in de dienst des Woords, maar ook zelf dienst des Woords zijn. Het is mij niet goed duidelijk, hoe een uitgebreide liturgie, die soms wel twintig verzen van Psalmen en Gezangen bevat, passen kan in het raam van de preek over een bepaalde tekst. De bepaalde tekst of pericoop, die in een dienst bepreekt wordt, wil de gemeente meenemen in de door de tekst gegeven richting. In diezelfde lijn moet ook de liturgie liggen. Wordt de gemeente in de lijn van de tekst meegenomen, dan wil zij haar inbreng leveren in de dienst, begrijpelijkerwijs in diezelfde- lijn.

Een liturgie, die past bij de preek, zal de gemeente aanspreken, een die niet daarbij past, leidt de aandacht af van de preek, van de tekst. Elke liturg, die met zorg zijn liederen kiest in gehoorzaamheid aan zijn tekst, zal toegeven dat soberheid geboden is. Liturgische soberheid is trouwens een eigenschap van het Calvinisme. Om deze redenen voelen wij het meest voor een bescheidener liturgie dan men in het algemeen in onze kerk heeft aangenomen.

Dr. A. Kuyper bepleit het lezen van de te zingen Psalmen in de dienst. Aan het wèl voordragen van de verzen is volgens hem veel gelegen in de dienst. Mij lijkt dat juist. De dienaar heeft hierop zijn tijd gezeten op zijn studeerkamer, heeft de verzen gewikt en gewogen, en heeft om die en die reden die bepaalde verzen gekozen. Het gaat hem soms om het hele vers, soms speciaal om de eerste of tweede helft. Wat hem zelf betreft, zou hij dus in de dienst kunnen volstaan eenvoudig met het nummer of met de eerste, regel aange- 4L ven van de te zingen liederen. Maar voor de gemeente staat het anders. Die krijgt deze verzen voor het eerst op die Zondag voor zich geplaatst. Die moet dit werk doen, die moet zingen en moet dus wel overzien, wat zij doen gaat. De intonatie van een wel voorgedragen Psalm zal het psalmvers te meer voor haar doen leven. In de gemeente zijn ook de jongeren, vooral de kinderen, voor wie de te zingen liederen nieuw zijn. In het geheel genomen, is de kennis van de Psalmen in de gemeente niet zo groot, zodat het voorlezen in de kerk wel nodig is. Een enkele maal heeft men in de kerk zitten een blinde. Voor hem alléén zou men die dienst al willen doen. Als het ons niet gegeven is, goed te kunnen voordragen, dan is hier door oefening wel wat te bereiken.

In deze opvatting van dr. Kuyper, die zelf het woord machtig was, zit in ieder geval wat, dat onze overweging waard is. Men bepale de gemeente bij deze haar taak door goede voordracht, van de te zingen Psalmen.

Een punt van overweging is ook het al of niet zingen na de Wet en na de geloofsbelijdenis. Persoonlijk houden wij 't het liefst bij het eenvoudig en ootmoedig aanhoren van de tien woorden Gods. De meeste verootmoediging door de Wet zal slechts op een bepaalde tijd van ons leven plaats vinden. Dan zal een schuldbelijdenis uit het hart en over de lippen komen. Maar als men van Zondag tot Zondag door het lezen van de Wet tot verootmoediging wil dringen, dan is het zingen na dè Wet inderdaad te verdedigen. Dan is de keus van Psalmen in dat kader wel zó groot, dat men eenvormigheid en eentonig­heid kan mijden.

Het zingen na de twaalf geloofsartikelen lijkt mij minder juist. In naam van de gemeente heeft de liturg het geloof beleden. Men zou de Psalm na de geloofsbelijdenis kunnen zien als een amen op de geloofsbelijdenis. Maar zo'n Psalm is méér dan een amen, het is weer een gehele of gedeeltelijke herhaling van de belijdenis, in de regel wat de inhoud aangaat maar slecht aanpassend op de rijkdom van de 12 artikelen. Deze soort herhalingen dienen tot niets en verzwakken de eigenlijke liturgische handeling. Als het goed is, dan is toch het uitspreken van de belijdenis een gebeurtenis in de dienst. Het gebed met smeking, schuldbelijdenis, dankzegging en lofzegging door de voorganger, in naam van de gemeente tot God opgezonden, wordt toch ook niet door de gemeente apart onderstreept of herhaald.

Een ander punt, dat bij de opstelling van de liturgie weegt, is het al of niet hebben van een tussenzang midden in de preek. De jongere predikanten hebben meestal geen tussenzang. De dingen veranderen nogal eens. De school van Oosterzee en Van der Palm uit de vorige eeuw bepleitte het hebben van een inleiding aan de preek en evenzeer het hebben van een tussenzang, niet ter verpozing van de aandacht, maar om de gemeente temeer bij de preek te betrekken. Zo hebben wij de indeling van de dienst gekend bij de predikanten, die voor ons uitgingen in de eerste decenniën van onze eeuw. De jongere generatie ziet de inleiding tot de preek als een overbodige franje en wil de preek als dienst des Woords, .plaatsen onder de tekst, zonder meer. Daar is wat voor te zeggen. Zij wil ook de preek als één geheel zien en preekt dus af. Bij een korte preek van twintig, vijf en twintig minuten, is dat begrijpelijk, maar bij een grondige en bredere behandeling van de tekst, die vijftig minuten of een uur in beslag neemt, is het afpreken wel zwaar voor de gemeente. Men moet wel een boeiend en vooral fris talent hebben om zolang de aandacht gespannen te houden. Slechts enkelen vermogen het om vijf kwartier á anderhalf uur te spreken, zonder dat de aandacht verslapt. Bij de langere preek, die de predikanten uit onze Hervormd Gereformeerde kringen plegen te houden, is het hebben van een tussenzang wel te verdedigen. Een principiële quaestie is dit natuurlijk niet. Als men echter in énen door preekt, dan is het nog niet duidelijk, waarom men twee keer laat zingen aan het einde van de dienst, één keer voor het dankgebed en één keer er na. Laat men dan in de beide keren zingen de verhandelde stof tot zijn recht komen, of laat men beide keren de gemeente antwoorden op de preek ? Mij dacht, dat men bij de keuze voor het afpreken beter het zingen voor het dankgebed kon weglaten. Zo deed het b.v. de bekende Haagse ds. D. A. van den Bosch.

'k Heb altijd het gevoel, dat er bij een dergelijke wijze van doen iets dubbels is in de dienst en meestal zegt mij persoonlijk dan het laatste zingen na het dankgebed niet zo veel meer. Men kan toch ook moeilijk deze beide beurten van zingen met dezelfde inhoud laden en een tweetal Psalmen zoeken uit hetzelfde vlak.

In Schotland preken de Pree Presbyterians ook af. Hun preek is in doorsnee iets langer dan de Hollandse Gereformeerde preek. Zij besluiten de dienst met een kort dankgebed en een Psalm, toepasselijk op de preek. Drie keer zingen zij in de kerkedienst. In het geheel genomen gaat het zingen in ons land toenemen in de dienst, ik dacht ten koste van de prediking. In sommige kerken laat men zelfs gemeentezang aan de dienst voorafgaan. Mij lijkt daarmee het Calvinistisch Reformatorische karakter van onze kerk niet gediend te zijn.

Tenslotte nog het hete hangijzer van de wijze van Psalmzingen. Zoals in het begin opgemerkt, kan ik dit niet van uit het oogpunt van de musicus bezien. De musicus vertelt ons veel van de geschiedenis der zangwijzen. Dat kan allemaal waar zijn. Men haalt ook Calvijn aan, als men de nieuwe wijze van zingen wil aanbevelen. Als men Calvijn aanhaalt worden wij al een beetje voorzichtig, want die goede man heeft al heel wat nieuwigheden de kerk in moeten trekken. Wij willen van hen, die zich op Calvijn beroepen, alleen dan wat aannemen, als zij zich ook in andere dingen als goede volgelingen van deze Hervormer gedragen. Voorop zij gesteld, dat het zingen op oud-rythmische wijze of nieuw-rythmische wijze niet de grondprincipia der kerk raakt. Maar ik weet niet waar het principiële begint en ophoudt. Voor het besef der gemeente, en daar moet toch een predikant ook toe behoren, loopt het principiële door alles heen. Wij worden in de kerk gehouden voor de mensen, die met alles in het achtertuig hangen. Wij zijn zo de conservatieven. Een van de kopstukken der kerk zei eens : , , Uw mensen zouden in de tijd van de Reformatie het langst Rooms gebleven zijn". Daarop zou misschien te zeggen zijn : , , Daarom wordt gij progressieven nü Rooms, om dan eigenlijk weer achter ons te gaan staan". Maar ter zake.

Het korter preken, het veranderde preken, het vlugger en luchtiger zingen bevat toch wel één doorlopende lijn. Er verandert zoveel in de kerk. De stijl verandert algeheel. En de stijl staat niet los van de inhoud.

Wordt er nu van de inhoud aan de stijl gewerkt, accoord kunnen wij daarmee gaan, maar wordt er vanuit de stijl aan de inhoud gewerkt, dan moet dit bedenkelijk worden geacht. De gemeente voelt dit aan en wij voelen het met de gemeente zo aan. Als er vanuit een nieuw ontwaken van het Gereformeerd Protestantisme allerlei dingen vernieuwd worden, dan zou dat vertrouwen wekken, maar nu zien wij het tegenovergestelde. Men kan even ernstig rythmisch zingen als niet rythmisch, maar wij zien van die ernst zo weinig. Heeft Rome, dat toch in zijn kerkzang nogal klassiek is, ook de moderne vaart aangebracht in zijn kerkzang ? Het rythmische zingen is al ver doorgedrongen en het zal wel verder doordringen. Op de scholen wordt het niet anders geleerd, uitgezonderd dan in de dorpen van een bepaalde signatuur.

'k Kan het, ondanks de talentvolle wijze van doen van sommige organisten, vooralsnog niet mooi vinden en ben altijd weer blij als ik een dorpse gemeente oud-rythmisch hoor zingen, ook al haalt men dan eens wat breed uit.

Dit zullen misschien sommige lezers wel niet met mij eens zijn. Waar het mij echter in hoofdzaak om gaat is dit, tenslotte, dat de gemeente zich bewust moet zijn, dat zij in haar Psalmgezang mag vertolken en moet vertolken het eeuwig blijvende Woord Gods. Zij mag en, als het goed is, moet klagend meezingen met de kerk van eeuwen het lied van schuldbelijden en zondenood.

Gelukkig wie daar ook in zijn zingen , , in" kan komen. Die zal de toon weten te treffen. En zij mag en moet ook zingen van de Zaligmaker der wereld: , , 0, Mijn God, Gij, Koning, ik zal U verhogen en Uwe Naam loven in eeuwigheid en altoos".

Wie dat weet te zingen, is van de kerk én nu èn eeuwig.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PSALMGEZANG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1956

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's