WAT WIL MEN BEREIKEN?
Prof. Van Ruler meent met grote ernst de vraag te moeten stellen : „Wat wil men op de duur eigenlijk met de Christelijke organisaties bereiken? "
Diezelfde vraag zouden wij kunnen richten tot de mannen, die verantwoordelijk zijn voor het Herderlijk Schrijven en tot hen, die het met dit Schrijven eens zijn.
Wat wilt gij met uw doorbraak-ideeën op de duur bereiken?
Er is zelfs aanleiding om dit aan alle voorstanders van de nieuwe koers, zoals die nu enige jaren gevaren wordt, te vragen.
Wat wilt gij op de duur bereiken ?
Wij stellen die vraag echter niet, omdat wij onze mening omtrent een en ander gevormd hebben.
Bovendien heeft prof. Van Ruler zelf reeds op enkele waardevolle werkingen der Christelijke organisaties gewezen : , , Er is niet alleen de bewarende en de beschermende invloed van de Christelijke organisaties op de mensen, waardoor deze bijeengehouden, voor de kerk bewaard en in een geheel van Christelijke denkbeelden en gewoonten worden vastgehouden, Maar nog veel belangrijker is, in principieel opzicht, de gedachte, dat de Christelijke organisaties ook vormen van overleg van christenen zijn, waarin zij gezamenlijk zoeken naar de levensvorm van uit het evangelie (of liever naar het Woord)", (blz. 13 V.).
Mij dunkt, dat in deze zinsneden een en ander op het credit der Christelijke organisaties wordt gezet, dat op zichzelf reeds van grote betekenis is en waarbij de doorbraak-practijk verre achterblijft, om van tegengestelde invloeden maar te zwijgen.
Met prof. Van Ruler zijn wij van oordeel, dat men in de leidende Hervormde kringen voor deze dingen geen serieuze aandacht heeft. (blz. 14).
Nu de vraag van prof. Van Ruler : „Wat willen die Christelijke organisaties op de duur bereiken ? "
Een aparte Christelijke cultuur?
Of ligt de eigenlijke doelstelling in de Christelijke Staat?
Prof. Van Ruler wenst op dat punt meer licht vanwege de Christelijke organisaties.
Zijn geschrift zal in deze kringen zeker worden gelezen, zodat daarop wel enig wederwoord zal volgen. Naar onze mening moet hij in de richting van een aparte Christelijke cultuur en van een Christelijke Staat toch niet al te veel verwachten.
Immers een , , aparte Christelijke cultuur" zal als zodanig in deze bedeling, noch op algemeenheid, noch op enige volkomenheid kunnen hopen.
Christelijke cultuur, cultuur naar het Woord, moet in de eerste plaats de mens aangaan, cultuur van de mens zijn, opdat hij op een volkomene wijze aan zijn bestemming beantwoordt, zodat heel zijn leven daarmede ook in overeenstemming is.
Dat nu is het werk van de hemelse Landman. Het is de zonde van de mens, dat hij zijn eigen cultuur en deze naar zijn eigen smaak heeft ter hand genomen, hetgeen ook zijn oordeel is. Derhalve zijn alle cultuurverwachtingen van de mens uit beschaamd en veroordeeld.
Doch God, die de mens niet aan zich zelf overgelaten heeft, heeft in Christus een nieuwe mens geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.
Christelijke cultuur is strikt genomen de cultuur van de nieuwe mens, door de gemeenschap met Christus. Christelijke cultuur in eigenlijke zin is geloofsoefening en nieuwe gehoorzaamheid.
En hoewel de nieuwe mens in Christus door het geloof gekend wordt, zo is en blijft hier op aarde alles ten dele.
In eigenlijke zin is de Christelijke cultuur dus een geestelijk werk, hetwelk God door Zijn Woord en Geest werkt, waaraan derhalve de arbeid in het Evangelie dienstbaar is. De apostel Paulus spreekt over deze arbeid in echte cultuur-termen : planten en nathouden, maar het is God, die de wasdom geeft. En Christus zegt: , , Ik ben de ware Wijnstok en. Mijn Vader is de Landman". (Joh. 15 VS. 1).
Het is derhalve de Kerk, welke bij dit goddelijk akkerwerk wordt betrokken, daarmede bezig is en daaraan dienstbaar is.
Ja maar, zegt gij, zo wordt dit woord cultuur niet bedoeld in de vraagstelling. Het gaat daarbij om de uitwerking van die geestelijke cultuur in het gewone alledaagse leven van de Christen, zolang hij in deze wereld is, zodat wij spreken van het Christelijk gezin, en de gedachte opkomt van een Christelijke maatschappij en een Christelijke Staat.
Dat is wel, maar wij wilden op de betrekkelijkheid daarvan wijzen, van uit de geestelijke werkelijkheid in Christus en het ten dele daarvan op deze aarde !
In de tweede plaats mag wel naar voren gebracht, dat wij hier in deze gevallen wereld leven, waarop de vloek der zonde rust. Dood en opstanding van Christus hebben niet alle mensenkinderen tot kinderen Gods gemaakt en hebben deze wereld niet plotseling in een Paradijs herschapen. De kinderen Gods op aarde worden wel heiligen, afgezonderden Gods, genoemd, maar zijn geen engelen op aarde. En al hun ijver om in een nieuwe gehoorzaamheid te wandelen, kan van deze aarde geen hemel m.aken.
Om al deze redenen kan men slechts tot op zekere hoogte spreken van Christelijke cultuur. Christelijke Staat, enz., omdat men met zekerheid kan zeggen, dat deze bedeling de Christelijke volmaaktheid niet zien zal.
Ook de vernieuwing of herschepping der aarde is een werk Gods, hetwelk Hij door Christus en de Heilige Geest bezig is te doen en waarin ook de opstanding van een nieuwe mens is begrepen, maar zoals gezegd, het is Gods werk, evenals de Christelijke cultuur in boven aangegeven geestelijke zin.
Wat wij Christelijke cultuur noemen en de idee van een Christelijke Staat, zijn niet anders dan invloeden van de bijzondere openbaring via een levend Christendom op het culturele en politieke leven der volkeren. Het kan trouwens niet meer zijn.
De Heilige Schrift geeft ons voorts niet de minste verwachting van een grootse uitbouw van z.g.n. Christelijke cultuur in deze wereld, bij wijze van een voortgaande stijgende lijn, welke a.h.w. een overgang bereiken zou tot de volmaaktheid.
Integendeel, zal de grootste verdrukking het deel zijn van de Christenen, die in de laatste dagen van deze aarde zullen leven. De kerk vlucht in de woestijn en de profeten worden gedood.
En aangaande de Staat ?
Dat, wat men zich denken wil bij een begrip Christelijke Staat, heeft geen toekomst, daar de Schrift leert, dat de Staat bij de voleindiging in handen zal zijn van daemonische machten als een instrument van de baarlijke anti-christ.
Alhoewel wij dus geloven, dat God bezig is met de vernieuwing van hemel en aarde, en dat het Rijk Gods is komende, en deze dingen alrede gewrocht worden, zoals de apostel Paulus klaar en duidelijk betuigt (Rom. 8 vs. 18 v.v.), achten wij het een bijzondere gunst als de glans des Evangelies hier op aarde bij tijd en wijle het ganse leven van Staat en maatschappij verlicht en een afschijnsel van de eeuwige vrede geeft in een stil en gerust leven in alle godzaligheid en eerbaarheid. (2 Tim. 2:2).
Uit een en ander kan duidelijk zijn dat wij heel anders staan tegenover de door prof. Van Ruler opgeworpen vragen naar aanleiding van de Christelijke organisaties : Wat willen zij bereiken? Een aparte Christelijke cultuur? Een Christelijke Staat ?
Ik weet niet, wat de Christelijke Vakverenigingen zullen antwoorden, doch als zij verstandig zijn, antwoorden zij op deze vragen negatief, gelijk zij afwijzend moeten staan tegen heel het Herderlijk Schrijven.
Dit schrijven is niet anders dan een verwarde voorstelling van een met zich zelf en het traditionele Christendom worstelend idealisme op de basis van de verschijnselen van vandaag.
Dat schijnt nu wel erg actueel, maar is het in de grond der zaak helemaal niet, omdat het aan het wezen der dingen, waarmede het van doen heeft, niet raakt.
Daarbij komt nog, dat het zozeer nieuw wil zijn en zozeer afkerig is van wat ook maar traditioneel aandoet, dat het door angst en vrees gedreven voor z.g. verstarring, ook in verschillend opzicht van een onjuiste voorstelling der voorhanden werkelijkheid uitgaat.
Men spreekt zo haastig van verburgerlijking en verstarring, en nog haastiger worden deze termen overgenomen, doch eerlijk gezegd, bestaan die verburgerlijking en verstarring voornamelijk in het brein van degenen, die daarvoor zo beducht zijn.
Het leven is zo rijk aan vormwisseling en verscheidenheid, en het is zo krachtig, dat het heus wel door de verstarring heenbreekt. En wat de verburgerlijking aangaat, is er geen aanleiding voor de vrees, dat zulk schrijven als van deze herderlijke brief, haar eer in de hand werkt dan voorkomt ?
Het lijkt een beetje al te erg op het Christen-zijn nu, onder deze omstandigheden, in deze kerkelijke en maatschappelijk-politieke situatie.
Met de Waarheid des Evangelies, en het leven uit die Waarheid, is het heus wel een beetje anders gesteld. Inplaats van dergelijke leuzen te verheffen zal het meer nuttigheid hebben er op te letten dat het leven van de Christen niet wordt bepaald door de situatie, maar door Woord en Geest.
Het leven van de Christen staat onder alle omstandigheden onder de eis des geloofs en al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.
Wil men dat toch nog wat nader bepaald zien, met vasthouding onder alle omstandigheden, laat mij het dan zó uitdrukken : Krachtens het geloof geroepen tot een nieuwe gehoorzaamheid, zal de Christen, zolang hij in dit leven is, de strijd hebben aan te binden tegenover alle ongerechtigheid in hem en in de levenskringen en verbanden, waarin hij geplaatst is.
Strijd voeren tegen alle ongerechtigheid. Dat is zijn geloofsroeping en de toepassing van zijn geloof overal en onder alle omstandigheden.
Tegen alle ongerechtigheid, dat is tegen alles, wat in strijd is met de Wet Gods. Daarom is het de liefde van Christus, die tot die strijd dringt.
Onder het gebod der liefde tot God en de naaste wordt deze strijd gezien als een strijd naar gerechtigheid en betoning van barmhartigheid. Het spreekt vanzelf dat de gerechtigheid steeds haar maatstaf vindt in de Wet Gods.
Ziedaar de eis van het Christelijk geloof als algemeen voor alle tijden, waaronder de Christen is gezet in gezin en samenleving en waardoor ook zijn alledaagse leven wordt bepaald.
Het ligt ook voor de hand, dat de Christenen deze strijd gezamenlijk, groepsgewijze voeren naar het voorkomt, zodat de Christelijke organisatie en samenwerking onmiddellijk uit het geloof gerechtvaardigd zijn.
In het licht des geloofs is dit geen probleem, maar voor zich zelf duidelijk en eis van Christelijk leven.
Het ligt voor de hand, dat de gezamenlijke beziiming en betrachting van deze eis haar gevolgen heeft in de saamleving en gedachten wekken van Christelijke cultuur en Christelijke Staat, omdat er iets gezien wordt van het geloof, dat gestalte aanneemt in het cultureel, maatschappelijk en staatkundig leven. Het is ook heel menselijk, voor velen inspirerend en het gemeenschappelijk streven versterkend om zulke idealen te koesteren.
Men komt echter niet uit bij de theocratie, zoals prof. Van Ruler meent (blz. 13), maar de theocratie is uitgangspunt voor het geloof, dat God als de Schepper van hemel en aarde belijdt en een Middelaar, door Wien God de wereld heeft gemaakt (Hebr. 1 vers 2).
heeft gemaakt. (Hebr. 1 vs. 2).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's