Eduard Böhl
II
Zo hebben wij vorige keer Böhl aan u voorgesteld als een theoloog, die duidelijk geestverwant was van Kohlbrugge. Intussen wordt hij voor een „neo-Kohlbruggiaan" versleten, en wij zullen eerst moeten proberen er achter te komen, hoe dat komt. Als ik het goed zie is Kuyper de eerste geweest, die deze term gebruikt heeft. De verhouding tussen Kuyper en Kohlbrugge ligt nogal vreemd. Allereerst heeft Kuyper zijn waardering voor Kohlbrugge duidelijk uitgesproken; hij prijst hem als , , een rechtvaardige in zijn geslachten, een groot leraar der gerechtigheid des geloofs". Maar daar staan andere feiten tegenover. Er is n.l. een brief bewaard gebleven van H. A. J. Lütge aan de Utrechtse bankier Kol, waarin deze schrijft, dat Kuyper hem het portret van Kohlbrugge verfomfaaid heeft teruggezonden met de opmerking, dat hij dit geschenk van Lütge aan hem niet langer op prijs stelde. De verhouding was toen dus merkwaardig koeler, zo niet vijandiger geworden. Wij vragen ons af: waarom ? Kohlbrugge was in die tijd niet meer veranderd, want die was al ruim 10 jaar geleden gestorven. Of heeft de doleantie-geschiedenis hieraan bijgedragen ?
Als men de , , Herinneringen aan de tijd der Doleantie" van C. A. Lingbeek leest, komt men er wel van op de hoogte, hoe dringend Kuyper heeft geprobeerd de Amsterdamse , , Kohlbruggianen", voor zijn visie en actie te winnen. Daar was hem blijkbaar veel aan gelegen. Maar toen alle pogingen in die richting mislukten en de doleantie zonder de hulp van Lütge e.a. moest worden doorgezet, was de goede verstandhouding ineens uit. Toen werd ook de term , , neo- Kohlbruggianen" ontdekt en toen moest Böhl ineens dienen om te laten zien, hoezeer de leer der reformatie bij die , , Kohlbruggianen" in gevaar verkeert.
Ik meen op deze gronden te kunnen zeggen, dat de term , , neo-Kohlbruggianen" zwaar met kerkpolitiek geladen is en dat wij er goed aan doen deze spreekwijze niet al te lichtvaardig over te nemen. Wie Böhl onbevangen leest, komt telkens weer onder de indruk van de duidelijke overeenkomst tussen hem en zijn leermeester. Voor wie enigszins in de stof thuis is, kost het helemaal geen moeite naast alle belangrijke uitspraken van Böhl hele reeksen citaten van Kohlbrugge te leggen, waarin precies hetzelfde wordt beweerd. Zeker is er wel verschil, maar dat is van ondergeschikt belang. Böhl stond nu eenmaal op een heel andere plaats dan zijn leermeester. Kohlbrugge's kracht lag in zijn prediking ; hij was uitsluitend pastor en verkondigde aan zijn gemeente en aan zijn vele vrienden het Woord Gods. Böhl heeft nooit in het ambt gestaan, hij was de man van de wetenschap. Preken heeft hij nooit geschreven, laat staan gehouden. Natuurlijk geeft dat een andere aanpak van de vragen en kan dat gemakkelijk de indruk wekken, dat hier alles minder levendig wordt voorgedragen, maar dat is geen principieel verschil.
Wij willen nu beginnen enkele gedachten van Böhl te bespreken en kunnen niet beter doen dan eerst uw aandacht te vragen voor die over het beeld Gods, d.w.z. hoe wij volgens hem de mens moeten zien in de staat der rechtheid. Dat is immers het punt, waar alle lijnen in de leer des heils uit voort komen; wie het begin verkeerd ziet, trekt onherroepelijk alles scheef. Wie in de leer van het beeld Gods te veel waarde hecht aan de mens op zichzelf, kan in de leer der heiligmaking de mens niet meer roemloos doen rusten in de schoot van Christus, want beeld Gods en heiligmaking hangen onlosmakelijk samen.
Het is onder ons wel bekend, dat Kohlbrugge van Genesis 1 vs. 26 een enigszins andere vertaling heeft gegeven dan de gebruikelijke. Men spreekt meestal over de schepping naar Gods beeld en naar Zijn gelijkenis. Maar Kohlbrugge heeft vertaald: in Zijn beeld, naar Zijn gelijkenis. Dat is de strikt letterlijke vertaling van het oorspronkelijke en Kohlbrugge was voldoende taalgeleerde om deze vertaling te kunnen verdedigen. In elk geval ligt hierin opgesloten, dat Kohlbrugge — en op zijn voetspoor Böhl — verschil ziet tussen beeld en gelijkenis, zodat de gelijkenis afhankelijk is, een vrucht is, van het beeld Gods. Het punt, waaraan deze theologen zich hierin oriënteerden, was dat in de vernieuwing des levens hersteld wordt wat er oorspronkelijk was, maar daarna door eigen schuld verloren ging. Als een mens wedergeboren wordt, komt er niet iets heel moois voor de dag, maar wordt hij herschapen naar de oorspronkelijke bedoeling Gods. Coll. 3 vs. 10 spreekt van de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft. Zo legt de Schrift een zeer nauw verband tussen het nieuwe leven en het oorspronkelijke leven. De wedergeboorte is het herstel van het beeld Gods. Vandaar dat wij voor de uitlegging van een tekst als Gen. 1 vs. 26 plaatsen als Efeze 4 vs. 24 en Coll. 3 VS. 9 en 10 moeten raadplegen.
Het Nieuwe Testament spreekt over de nieuwe mens, een nieuw kleed, en dat moet verstaan worden als : Christus en wat Hij heeft tot stand gebracht. In zijn preek over Rom. 6 vs. 6 heeft Kohlbrugge dat duidelijk uiteengezet. Als er gezegd wordt: doet aan de nieuwe mens, dan betekent dat hetzelfde als : gelooft in de Heere Jezus Christus. Want Christus is de nieuwe mens, de mens, zoals God hem oorspronkelijk bedoelde, in schepselmatige realisering van de wil des Heeren. Daarom kan Hij in de volle zin des woords genoemd worden: het beeld Gods. Als wij naar het beeld Gods vernieuwd worden, worden wij naar Zijn beeld vernieuwd. Het gaat hier dus over iets, dat buiten de mens is, de gerechtigheid, het Middelaarswerk van Christus en het Nieuwe Testament wordt niet moede om ons op te roepen daarin te wandelen door het geloof. Dit vastgesteld zijnde, kunnen wij de visie van Kohlbrugge en Böhl op het beeld Gods begrijpen.
In dit licht gezien, kan het beeld Gods niet allereerst een bepaalde hoedanigheid in de mens zijn. Daarom is het beeld Gods niet primair in de mens, maar de mens is in het beeld Gods. Het is zijn element, zijn levenssfeer, zoals een vis alleen leven kan in het water en een vogel in de lucht. Het beeld Gods is, volgens Böhl, dat er van de Heere een glans afstraalt, de heerlijkheid van Zijn deugden, waarin de geschapen mens opgenomen en geborgen is. God openbaart Zichzelf, Hij doet Zijn Woord en Geest uitgaan. Zijn goedheid en Zijn liefde stralen van Hem af. En de mens is zo geschapen, dat hij daarop afgestemd is, dat hij met alles, zijn verstand, gevoel en wil daarin geborgen is. Dat is zijn element, daar kan hij alleen zuiver in functionneren, zoals een vis in 't water. Het beeld Gods is de zelfopenbaring van de Drieënige God en de mens is daar ingezet, zodat hij daar alleen echt in leven kan.
Wij hadden het over het zuiver functionneren. Daar spreekt Böhl over, als hij het heeft over de , , gelijkenis". Want nu de mens zo in zijn element is, heeft hij zuivere kennis van God, is zijn gevoel afgestemd op het leven Gods, is zijn wilsleven in overeenstemming met dit van zijn Schepper. Zo wordt de zelfopenbaring Gods a. h. w. weerkaatst. Böhl gebruikt het Latijnse woord , , effectus". Welnu, de gelijkenis is het effect van het beeld Gods, zoals de heiligmaking het effect, de vrucht, is van de rechtvaardiging. Op deze manier komt alles aan de orde, wat in dit verband genoemd moet worden: kennis, gerechtigheid en heiligheid, maar het vindt bij Kohlbrugge en Böhl zijn grond niet in iets, dat in de mens zelf ligt, maar In die verhouding, die relatie, waarin de mens geschapen werd en aanvankelijk stond. Wat over de mens gezegd mag worden, wordt hier dus niet verzwegen, laat staan ontkend, maar het komt aan de orde in het tweede hoofdstuk, nadat in het eerste de afstraling van de heerïijkheid Gods beschreven is.
Vanuit het tot nu toe besprokene kunnen wij begrijpen hoe Böhl over de zondeval en over de erfzonde dacht. Maar dat moeten wij laten rusten tot de volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's