DIE POOLSE JONGEN
Feuilleton
DOOR JAC. OVEREEM
— Kom even in huis, chauffeur, dan krijg je thee, nodigde Mika toen hij uitstapte.
De chauffeur schudde z'n hoofd zwaaide met de hand en reed vlug door.
Clauda zag haar jongen uit de auto stappen en holde de keuken uit.
— Maar Mika, waar ben je geweest! ?
— Rustig moeder! Ik zal u alles vertellen. Bent u erg ongerust geweest.
— Dat kun je denken, jongen!
— Ja, dat kan ik zeker. Ik heb ook tijd gehad er over te denken.
Mika greep naar z'n boezeroentje.
— Kijk eens hier, wat zegt u daarvan?
— Maar jongen, onze kerk! Wat mooi.
— Ik had er de tijd voor, zei hij weer.
— Heb je in 't gevang gezeten ?
— Ja!
— Maar waarvóór toch?
— Maar zó. Zonder enige reden.
— Is de wereld dan zó slecht dat ze een jongen als jij al in de gevangenis zetten.
— Wist u dat niet?
Clauda keek haar jongen aan. In deze tien dagen, was hij veel veranderd. Hij had kennis met het leven gemaakt. Ze zag het, ze merkte 't, ze hoorde het.
Ze stonden stil op het wegje.
— Zou je wel naar je vader, helemaal naar Engeland gaan, jongen? vroeg ze hem.
Mika keek z'n moeder aan.
— Nu zekerder.dan ooit! Of ik 't klaar zal spelen, dat is een tweede.
— Al wat mij aan het communisme herinnert, hangt mij zover de keel uit. De communistische staat is gebouwd op onrecht en slavernij. Ik wil vrij zijn! Waar vader is, daar is de vrijheid.
— Maar jongen, waar haal je wijsheid, vandaan.
— Ik heb tijd gehad om na te denken, moeder. Ik heb al iets van dit onrecht en deze slavernij ondervonden.
Clauda zag z'n ogen fonkelen.
Toen dacht ze ineens aan die goede jaren, toen hij klein was en ze met hem zat onder de schaduwrijke, oude lindeboom. Ze herinnerde zich nu zo heel duidelijk vader Broga's woorden.
Hij zag wat in het knaapje, terwijl Mika als kind daar in de wieg lag.
— Kom Mika, mijn hart is weer rustig. Vader Broga, Michel en Jolchi, waren intussen ook naar buiten gekomen.
Even groepten ze bij de zijdeur.
— Laten we naar binnen gaan, zei Clauda. Het is ook etenstijd.
— Het mes dat ik van u gekregen heb, vader, heeft me goede diensten bewezen.
— Dat zie ik, zei Michel. Ik kocht 't van een rondtrekkende koopman. Ik dacht, dat is een goed wapen voor Mika. Wat zeg jij er van moeder?
— Het maakte dat hij de tien dagen kon doorkomen. Het is een mooi stukje werk. Wij met z'n allen hadden het niet klaar gekregen.
Vader Broga zat met het stuk in zijn handen en keek er lang naar, toen zei hij : — Het is 't werk van een kunstenaar I Dat kregen wij in tien jaar niet schrap, geloof me.
Het middagmaal duurde langer dan gewoonlijk. Er werd veel gevraagd en veel gepraat.
In diep gepeins bleef vader Broga in zijn hoge rieten stoel zitten. Mika en Jolchi ijlden naar buiten. De konijnen hadden 't goed gemaakt.
De oude langoor had juist eergisteren jongen gekregen. Negen mooie konijntjes.
— Ik heb net vanmorgen een beetje gras voor ze gemaaid, vertelde Jolchi.
Mika en Jolchi hadden elk een paar hokken konijnen. Ze legden meestal op fokken toe, dat bracht het meeste geld op. De jonge konijntjes verkochten ze aan de vriendjes in het dorp en ook wel aan een koopman, die ze in de stad aan de man wist te brengen.
Mika had er al over geprakkizeerd, dat wanneer hij straks de grote reis ging aanvaarden, het dan nodig zou zijn, dat hij wat contanten had.
De verdere dagen hielp Mika zijn moeder wat in het werk. Een en andermaal was hij het dorp in geweest om boodschappen te doen en menige boer had hem gevraagd; waarom hij niet doorgezet had, met die reis naar Amerika.
Hij fantaseerde er dan maar luchtig op los, want het was een beetje moeilijk met de werkelijkheid voor de dag te komen.
Zo bleven de buren in het onzekere en voor hun besef was die Mika Tomkiewis een vreemde jongen, waar je geen wijs uit worden kon.
Daarom zeiden ze, als ze hem tegenkwamen : — Dag meneer Amerika.
Een geheimzinnig lachje van Mika was dan het antwoord.
XI.
ZIJN ZWERFTOCHT BEGINT.
Mika had al lang begrepen, dat hij de reis naar Engeland niet te lang moest uitstellen. Dat was geen karweitje om voor de winter te bewaren. Reizen moet men in de zomer doen.
Hij bracht de laatste dagen door in het teken van het afscheid.
Op een keer zei hij aan tafel: — Morgen ga ik maar op reis. Het is al weer September en het moet er toch van komen.
Hij wist dat het gezicht van moeder wat betrekken zou. Ze hoopte nog altijd dat hij er van af zou zien. Ze was beangst voor de grijparmen van de communistische politie. Het ijzeren gordijn was immers ondoordringbaar!
No. 42
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1956
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's